Boeddhistische Wijsheden

20161123a-pngInleiding

Het boeddhisme is een van de belangrijkste religieuze stromingen in de wereld met een diepe invloed op het spirituele leven van velen. Men schat dat de helft van de landen van de wereld direct beïnvloed is door het boeddhistisch denken. Het is moeilijk te schatten hoeveel mensen op aarde het boeddhisme praktiseren, maar het is duidelijk dat de aantrekkingskracht van het boeddhisme op de menselijke geest tegenwoordig even sterk is als toen de Boeddha rond 450 v. Chr zijn leer van ‘de Weg van het Midden’ in het hertenpark van Sarnath begon te onderwijzen aan zijn eerste vijf volgelingen.

Het was een leer waarover hij lang en intens had nagedacht alvorens deze te onderwijzen, omdat hij zich realiseerde dat deze leer zo subtiel en veeleisend was dat slechts weinigen hem zouden kunnen volgen. Toch heeft zelfs in onze tijd, die gezien wordt als bij uitstek materialistisch, de kracht van de spirituele zelfverwezenlijking van deze man nog steeds een diepe en groeiende invloed, vooral in het Westen. Dit zegt veel over wat deze ene man in diepe meditatie ontdekte. Het zeft ook veel over ons mensen. Hebben zijn woorden zo’n krachtige invloed omdat ze iets in ons raken wat wij allen met elkaar gemeen hebben en waarvan we ons in onze diepere momenten vagelijk bewust zijn?

Een antwoord op deze vraag kan alleen worden gevonden als we de tijd nemen om te mediteren op wat hij in zijn eigen leven heeft verwezenlijkt en probeerde uit te drukken in de jaren dat hij zijn leer onderwees.

In de vorm van dagelijkse overwegingen bevat dit boek een reeks aforismen die op verschillende manieren de centrale leerstellingen van het boeddhisme vertolken. Ze zijn hoofdzakelijk ontleend aan de Pali-canon, die in de eerste eeuw voor Christus is opgesteld. Dit is een verzameling manuscripten, waarin de woorden van de Boeddha, die voorheen alleen mondeling waren overgeleverd, schriftelijk zijn vastgelegd. Ook bevat dit boek fragmenten uit andere werken, die behoren tot de grote hoeveelheid belangrijke boeddhistische literatuur over de menselijke geest.

Het leven van de Boeddha

Wat weten we eigenlijk over deze man die de ‘Boeddha’wordt genoemd? Allereerst moeten we ons realiseren dat dit niet zo zeer een naam is maar een indicatie van de staat waarin hij verkeert. De titel ‘boeddha’ wordt gegeven aan iemand die tot het hoogste spirituele inzicht is gekomen en betekent ‘de Ontwaakte’. Hij is niet ontwaakt in de normale zin van het woord. Ons ontwaakt zijn is slechts een aards droomleven waarin we proberen een identiteit te creëren. Maar deze Ontwaakte leefde in een spirituele realiteit, bewust van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Zijn naam was Siddhartha Gautama. Hij werd in 487 v. Chr. geboren in Lumbini, een staat in het grensgebied van het huidige Nepal en Noord-India. Hij was de zoon van de vorst, die tot de kshatriya’s, de kaste van krijgers, behoorde. Zijn vader deed alles wat hij kon voor zijn zoon en volgens de legende werd Siddhartha grootgebracht in een paleis, omgeven door hoge muren om te voorkomen dat hij het lijden zou zien dat onlosmakelijk is verbonden met het menselijke bestaan. Bij zijn conceptie had zijn moeder een droom waarin een witte baby-olifant haar zijde binnenging. Op grond hiervan voorzegden zieners dat Siddhartha eens een groot politiek of religieus leider zou zijn. We kunnen slechts gissen of zijn vader hem poogde te beschermen tegen de pijn en het lijden dat de mens beschoren is. Dit lijkt waarschijnlijk, vooral ook  omdat Siddhartha’s eigen moeder stierf toen hij pas zeven dagen oud was. Een andere mogelijkheid is dat op grond van de voorspellingen van de zieners zijn vader bezorgd was dat Siddhartha op een goede dag zijn geprivilegieerde leven zou opgeven en spirituele verplichting zou zoeken om zo het lijden van de wereld te overstijgen. Wat ook de reden voor zijn handelwijze mag zijn geweest, toen Siddhartha 29 was, verliet hij in de nacht heimelijk het paleis om een rondtrekkende monnik te orden.

Siddhartha was opgegroeid met alle privileges die zijn sociale status met zich meebracht. Toen hij zestien was trouwde hij met de mooie Yahodra, die hem een zoon schonk, Rahula. Ondanks zijn luxueuze leven voelde deze intelligente en gevoelige man dat hij iets miste. Er was een geestelijk inzicht dat hem ontbrak,

Volgens latere legendes kwam dit alles tot een climax tijdens de vier keer dat hij buiten het paleis kwam. De eerste keer had zijn vader, vastbesloten om zijn zoon te beschermen, het zo geregeld dat de straten vol waren met gelukkige en gezonde mensen. Alle oude en zieke mensen had hij uit het zicht verwijderd, maar het geval wilde dat er één over het hoofd was gezien. Toen Siddharta die zag, gaf hij zijn wagenmenner opdracht naar het paleis terug te keren, om daarna te deken over wat het betekent oud te worden. De tweede keer kwam hij een zieke man tegen en de derde keer een begrafenisstoet. Dit alles leidde tot de onvermijdelijke confrontatie met de vergankelijkheid van het menselijke bestaan waartegen geen enkel privilege hem kon beschermen. De vierde keer sprak hij met een heilige man, een gesprek dat in hem het geloof deed ontwaken dat er een spirituele oplossing mogelijk was voor wat we tegenwoordig existentieel lijden noemen.

Of deze legende waar is of niet, duidelijk is dat hij in zijn leven werd geconfronteerd met de vragen die voor ons allemaal wezenlijk zijn. Hoe vinden we onze levensvervulling? Hoe gaan we om met het lijden dat ons zo makkelijk kan overkomen? Wat is de zin van het menselijk bestaan en hoe kunnen we de waarheid ontdekken? Voor Siddhartha waren deze vragen zo urgent dat hij midden in de nacht heimelijk zijn familie, vrouw en kind verliet en zijn wereld vaarwel zei.

Rondtrekkende monniken die het wereldse leven de rug hadden toegekeerd, waren een vertrouwd onderdeel van het Indiase leven, zoals ook nu nog in dit land met zijn vele filosofiescholen en allerlei soorten goeroes. Siddhartha’s eerste leraar, Ajara Kalama, leerde hem meditatietechnieken die hem een steeds dieper inzicht verschaften. Hij maakte zich deze technieken snel meester en bereikte wat wel ‘de sfeer van het niets’ wordt genoemd. Hoewel zulke technieken bijdroegen aan geluk, bleven de pijn en het lijden dat hij in de ons bekende wereld tegenkwam bestaan, ondanks de geestelijke voldoening die de meditatie gaf.

Siddhartha’s volgende leraar was Uddaka Ramaputta, die hem technieken leerde waarmee hij nog subtielere zijnssstaten kon bereiken, waaronder ‘de sfeer waarin noch perceptie, noch niet-perceptie is’. Hij zag de waarde in van deze zijnsstaten maar hij realiseerde zich ook dat, hoe subliem ze ook waren, dit niet was wat hij zocht.

Hierna legde hij zich toe op versterving om te vinden wat hij zocht. Hij ontwikkelde eerst adembeheersingstechnieken die waren gebaseerd op het reduceren van de adem, zoals het door de beoefening hiervan mogelijk werd om nauwelijks nog adem te halen.

Daarna begon hij steeds minder voedsel tot zich te nemen. Hij voerde dit zover door dat hij ten slotte leefde op een lepel  bonensoep per dag. Zes jaar leefde hij als asceet, in de vaste overtuiging dat hij daardoor de verlichting die hij zocht zou bereiken. Wat hij echter ontdekte was dat het extreme ascetisme niet alleen onherroepelijk zijn tol eiste van zijn lichaam, maar hem bovdien helemaal niet gaf wat hij zocht. Hij kwam tot de conclusie dat zulke extreme pogingen niet tot zelfrealisatie leiden en dat dit alleen mogelijk is door wat hij beschreef als de ‘Weg van het Midden’, noch overdaad, noch zelfkastijding.

Toen hij tot deze conclusie was gekomen, meende de kleine groep volgelingen die zich in die jaren bij hem had aangesloten, dat hij het pad waarop ze hem als leider hadden gevolgd de rug had toegekeerd, en ze verlieten hem.

Hij bleef alleen achter zonder iemand die hem steunde: zonder familie, zijn volgelingen weg, zijn reputatie van man van inzicht en wijsheid geruïneerd. Helemaal alleen richtte hij zich vastbesloten op het ene doel dat hij zich altijd had gesteld: door de maya, de sluier van onwetendheid, heen te breken, en de essentie van het leven te vinden, de bron van werklijk inzicht.

Het was toen dat er een herinnering uit zijn jeugd bovenkwam. Siddhartha herinnerde zich hoe zijn vader aan het ploegen was terwijl hij zelf in de schaduw van een bloeiende appelboom zat. Het gestage ritme van het ossenspan, het spel van zonlicht en schaduw hadden hem ongemerkt laten wegglijden naar wat onder de oppervlakte van het leven lag. Zonder te zoeken had hij toen gevonden waarnaar hij nu zo wanhopig op zoek was. Was ‘verlichting’ zo gemakkelijk en natuurlijk te bereiken, alsof het kinderspel was? Miste hij juist door zijn wanhopige vasthoudendheid wat onmiddellijk voorhanden was?

Bij deze gedachte besloot hij ongeacht de uitkomst geen stap meer in zijn leven te verzetten tot hij had gevonden wat hij zocht. Hij zette zich neer onder het brede bladerdak van een grote boom en begon te mediteren. In één nacht bereikte hij het doel dat hij zich had gesteld: spirituele verlichting. Na de krachten van de wereldse verleiding te hebben overwonnen, verkreeg hij door contemplatie kennis over de continue cyclus van levens, niet alleen van hen die hij persoonlijk had ontmoet maar van alle levens in hun ontstaan en sterven. Hij zag hoe mensen hun eigen leven vormden, hoe ze door hun eigen handelingen werden bepaald. Hij zag het directe verband tussen begeerte en lijden. Hij zag zijn eigen identiteit opgaan in de totaliteit van het zijn, de bron van werkelijk inzicht. Op het einde van de nacht bereikte hij de volledige verlichting en werd Siddharta Gautama de Boeddha. Hij ontwaakte uit de droom van het leven en werd verlicht.

Zeven weken bleef hij mediteren op wat hem was geopenbaard, terwijl hij zich afvroeg of het mogelijk zou zijn het verworven inzicht ooit op anderen over te brengen. Zijn eerste gedachte was om voortaan in afzondering te leven maar het mededogen waardoor de Boeddha zo bekend werd. zette hem ertoe terug te keren naar de wereld en dar de rest van zijn leven te wijden aan het uiteenzetten van zijn leer., aan het ‘in beweging zetten van het Wiel van de Dharma’. Hij ging te voet naar het 150 kilometer verder op gelegen Sarnath, op zoek naar de vijf mannen die hem hadden verlaten. Als hij het hun zou kunnen bijbrengen was er een kans dat ook anderen het zouden gaan begrijpen. Hij trof hen aan in het hertenpark in Sarnath.

Toen ze hem zagen was hun eerste reactie afwijzend. Ze hielden vast aan een pad van extreem ascetisme en beschouwden wat hij voorstond als zwakte. Maar toch straalde deze man ontegenzeglijk een grote kracht uit en ze raakten in debat met hem. Langzaam begonnen ze te begrijpen en te zien wat hij had gezien . In de dagen daarop wist hij hen niet alleendoor de kracht van zijn leer maar ook door de kracht van zijn aanwezigheid één voor één tot een staat van verlichting te brengen.

Nu wist hij dat hij ook anderen tot inzicht zou kunnen brengen en na zijn spirituele tocht begon hij nu aan een fysieke tocht, die 45 jaar zou deuren en waarin hij van plaats naar plaats trok om zijn leer te onderwijzen. Zijn monnikengemeenschap, de sangha, groeide steeds verder uit en steeds meer mannen en vrouwen wisten te bereiken wat hij zelf had bereikt. Het boeddhisme spreek over wat we kunnen begrijpen en kennen als we vastbesloten zijn om de wereld zoals we die gewoonlijk ervaren te overstijgen, als we uit de levensslaap willen ontwaken om die staat te bereiken die de Boeddha beschreef als nirvana.

Zijn leer

Wat waren de waarheden waarvan de Boeddha zijn eerste vijf volgelingen in het hertenpark wist te overtuigen? De kern van zijn uiteenzetting bestond uit de zogeheten Vier Edele Waarheden. Ze zijn als het ware een formele medische diagnose van al het lijden dat deel uitmaakt van het leven Zoals bij elke medische beoordeling zijn er een diagnose en een behandeling Het leven is lijden. Het lijden wordt veroorzaakt door begeerte. Aan lijden kan een eind worden gemaakt. Er is een weg die leidt naar opheffing van het lijden.

De eerste van deze waarheden onderzoekt het lijden dat wezenlijk aan het leven is, niet allen het lijden dat veroorzaakt wordt door ziekte en dood, maar ook het lijden dat door verlies wordt veroorzaakt: het verlies van dierbaren, van dingen die voor iemand kostbaar zijn. Ze wijst erop dat zelfs als men iets bezit, de angst aanwezig is om het te verliezen. We doen alles om te krijgen wat we willen hebben en vervolgens zijn we bang om het te verliezen. Dit alles brengt lijden met zich mee.

Volgens de Boeddha dragen alle vijf elementen waaruit het individu bestaat het element lijden in zich. Deze vijf elementen zijn het fysieke lichaam, gewaarwording en voelen, het kenvermogen, wat iemand tot individu maakt en bewustzijn

Dit zijn volgens hem de constituerende elementen die samen vormen wat we een individu noemen. Voor de Boeddha vormen ze niet zozeer een hiërarchie van elementen maar veeleer onderling afhankelijke constituenten die niet op zichzelf kunnen staan Elk onderdeel steunt op de andere zonder dat er sprake is van een centrale, persoonlijke identiteit of ziel. Er is niet zoals als een afzonderlijk zelf waaraan men zich kan vastklampen. Zo’n conclusie laat niets meer over van het individu. Het dooft uit en dat is ook de letterlijke betekenis van het woord nirvana.

De tweede van de Vier Edele Waarheden laat zien dat begeerte de oorzaak van het lijden is. Allereerst is er het sterke verlangen naar alles wat aangenaam is in het leven, de dorst naar zinnelijke bevrediging, waarbij de geest voortdurend gericht is op manieren om die bevrediging te verkrijgen. Vervolgens is er de begeerte naar het leven zelf, de drang zich te hechten en te bezitten. De derde begeerte is het tegengestelde en wil juist verwerpen, neehalen en ten slotte vernietigen. Deze begeerte kan zich uiten als aversie tegen wat we onaangenaam vinden maar ook leiden tot een totaal destructieve levenshouding vol kritiek en algeheel negativisme. Wat ten diepste ten grondslag ligt aan al deze begeerte en afkeer is een allesoverheersende indentificatie met het zelf, met het ego en al zijn tegenschrijdige eisen.

De 3e Edele Waarheid stelt onomwonden dat er een weg is om aan het immense lijden een einde te maken, namelijk door een einde aan de begeerte te maken, door er niet aan toe te geven, deze te verwerpen, door zich niet te hechten. Als de boeien zijn verbroken vindt men de vrijdheid. Het is het pad van verzaking aan jezelf; het is het kleine zelf, het rijk van het ik en het mijne waaraan volgens de leer van de Boeddha een einde moet worden gemaakt. De opheffing hiervan is nirvana. Zijn filosofie was er niet opgericht iets te bereiken, want de poging om iets te bereiken versterkt volgens de Boeddha allen maar de illusie van een afzonderlijk bestaand zelf. Hij heeft zich niet uitgelaten over wat voorbij de dood ligt, maar de gelukzalige uitdrukking op de gezichten van talloze boeddhabeelden laten iets zien van wat er gebeurt als de beperkingen van het hart en de geest worden opgeheven. Wat zijn deze beperkingen? Volgens de Boeddha zijn dit hebzucht, haar en zinsbegoocheling. Wanneer die worden opgeheven, openbaren zich waarheid, liefde en edelmoedigheid van geest. Dit kan men zich niet vanuit een denkbeeeldige persoonlijkheid door eigen streven of inzicht eigen maken, maar ze ontstaan op natuurlijke wijze als het kleine zelf wordt afgelegd.

De 4e Edele Waarheid omvat de voorschriften die de Boeddha geeft om een einde aan het lijden te maken. Deze voorschriften behlzen: juist inzicht, juist voornemen, juist spreken, juist handelen, juiste levenswijze, juiste inspanning, juist bewustzijn, juiste meditatie. Deze vormen de Weg van het midden, het levenspad waarin de extremen van excessieve overdaad en excesieve ascese worden vermeden. Dit is het pad dat vanuit de waan naar de waarheid leidt. Het woord ‘pad’suggereert een reis en hier worden een paar richtlijnen gegeven om de reis te kunnen maken. Zoals al eerder gezegd was de Boeddha meer geïntereseerd in de praktijk dan in metafysische speculaties en dit is dan ook een lijst van praktische richtlijnen die als ze worden toegepast een buitengewoon transformerend effect hebben. Deze richtlijnen moeten worden gevolgd door hen die zich willen bevrijden uit de cyclus van samara, de cyclus van leven en dood.

Hoewel de Boeddha leerde dat er uiteindelijk niet zoiets is als een individuele identiteit, heeft datgene waar we ons op toeleggen een karmische uitwerking op toekomstige levens, die ontstaan zoals ‘een vuur aangestoken wordt door een ander vuur’.

Als we naar het Achtvoudige Pad kijken wordt het duidelijk dat deze acht richtlijnen in drie verschillende levensgebieden kunnen worden onderverdeeld. Het zijn gebieden die voor de Boeddha van speciaal belang waren, namelijk wijsheid,zedelijkheid en meditatie.

Wijsheid vereist het juiste inzicht, tot een goed begrip komen van de waarheid van de leer van de Boeddha. Ieder van ons heeft weleens dat hij in een plotselinge flits tot een geheel nieuw inzicht komt. In die flits realiseren we ons dat het leven zoals we dat kennen zijn beperkingen heeft. Tijdens momenten van dieper bewustzijn kan de ervaring van gescheidenheid plaatsmaken voor een diepe bewustwording van de onderliggende eenheid, een eenheid waarvan we nooit zijn gescheiden. Vanuit deze eraring kan een vast voornemen ontstaan om tot een dieper en blijvender inzicht te komen in de ware aard der dingen. Dit is het juiste voornemen, dat ook tot het besluit kan leiden om de diep gewortelde gewoontes van het hart en de geest onder ogen te zien en te veranderen, omdat ze ons in een staat van gescheidenheid en lijden houden. Het is een beslissing die zowel het hart als de geest aangaat, en zowel een emotionele als intellectuele betrokkenheid vereist. Dit is het tweede aspect van wijsheid.

Ons zedelijk leven wordt bepaald door ons spreken, handelen en de wijze waarop we ons leven leiden. Het juiste spreken heeft betrekking op de waarheid die, nadat zij in de geest is overwogen, in iemands woorden tot uitdrukking komt. Dat betekent niet dat die woorden een vaststaande reeks ideeën vormen waarmeewe ons als individu identificeren en die we proberen ons eigen te maken. Woorden van waarheid komen voort uit de ervaring en zullen geen schade berokkenen.

Woorden zijn van het hoogste belang. Onze ervaring van de wereld is gebaseerd op de ideeën die we met ons meedragen. Door niet tegen anderen te liegen en onszelf niet te bedriegen, worden we bevrijd van alles wat de werkelijkheid misvormt, worden we gezuiverd en stralen we het licht van de waarheid uit.

De juiste handelwijze is het directe resultaat van een gezuiverde geest. Als onze woorden voortkomen uit hebzucht, haat en waan, dan zal onze handelwijze dienovereenkomstigzijn. Hoe anders is de handelwijze die uit het tegenovergestelde voortkomt en gebaseerd is op edelmoedigheid, compassie en begrip. Zo’n handelswijze zal een diepe uitwerking hebben, heel anders dan de onvolmaakte resultaten van een zelfzuchtige instelling. Want handelingen die onderhevig zijn aan de beperkte aard van hun bron creëren onvermijdelijk verdeeldheid in plaats van eenheid, doordat ze niet in harmonie zijn. Oprecht handelen brengt samen en heft verdeeeldheid op en heeft een heel andere bron en hoedanigheid.

De juiste wijze van leven moedigt ons aan een manier te zoeken om in ons levensonderhoud te voorzien zonder negatieve gevolgen voor anderen of voor de wereld in het algemeen. In het dagelijks leven laten we ons vaak leiden door de omstandigheden en gaan we aan zulke overwegingen voorbij, maar de juiste levenswijze spoort ons aan om anders te denken en ons bewust te zijn van de onderlinge verbondenheid van alles, en om met zorg en mededogen te werk te gaan.

Het derde levensgebied van het Achtvoudige Pad is dat van de meditatie. Het is logisch dat dit een belangrijke plaats inneemt aangezien Siddhartha door totale concentratie in meditatie de Boeddha werd. Hij besloot de verlichting te bereiken. Hij ging op de grond zitten en zwoer: ‘Vlees mag vergaan, bloed mag opdrogen, maar ik zal niet opstaan voordat ik de verlichting heb bereikt.’ Zulk een vastbeslotenheid is daarom een essentieel onderdeel van het meditatieproces, zodat men zich door niets laat afleiden of afschrikken, ongeacht de moeilijkheden die men tegenkomt. Het is onvermijdelijk dat er bepaalde geestelijke vooringenomenheden zijn, diepgewortelde gewoontes in hart en geest, waartegen men vastberaden dient te vechten.

Het juiste bewustzijn is een van de grote vreugdes van een meditatief leven. Door bewust te zijn leren we rustig te observeren, zonder ons volledig te identificeren met alle gedachten en gevoelens die in ons hart en onze geest opkomen en kunnen we afstand nemen en rustig de neiging tot zelfidentificatie beschouwen. Door bewust te zijn kunnen we ook afstand nemen van alle zorgen over verleden en toekomst, van allen verwarring die ontstaat uit een zelf gecreëerde, imaginaire wereld, en kunnen we terugkeren naar de onmiddelijke realiteit van het hier en nu. Als we beheerst worden door gedachten en gevoelens die aan constante verandering onderhevig zijn, kunnen we onmogelijkevenwichtig en consequent handelen. De geest beweegt zich in vele richtingen maar door bewust te blijven en ons niet te identificere, worden stilte en helderheid gecreëerd.

We verlangen zeer naar rust en helderheid, maar dit kan ons persoonlijk verlangen nooit verschaffen. Verlangen heft het tegenovergestelde effect. Het brengt onrust in plaats van kalmte. Het schept verwarring in plaats van helderheid. Maar zoals gezegd is rustige vastbeslotenheid heel iets anders. Dit houdt in dat we al onze eigen wensen terzijde leggen, ons kleine zelf opgeven en inzien dat dit slechts een matrix is voor de elementen waaruit we zijn opgebouwd. Daarom dienen we in meditatie niet een soort persoonlijke zelfverwezenlijking na te streven maar af te sterven van alles wat ons beperkt. Zoals ons de ervaring van de Boeddha zelf leert toen hij zich herinnerde hoe zijn vader aan het ploegen was terwijl hij in de schaduw van de bloeiende appelboom zat, hoe hij heel natuurlijk weggleed naar wat onder de oppervlakte van het leven lag en de ‘verlichting’ vond. Oplossen en samensmelten zijn de essentiële bestanddelen van een bewust leven. Dit boek wil hieraan bijdragen, door woorden van wijsheid ter overweging aan te bieden voor het leven van elke dag, zodat ze een oase van vrede en geluk kunnen vormen.

De volgende dagelijkse overwegingen komen hoofdzakelijk uit de teksten in het Pali, de oorspronkelijke geschriften van het boeddhisme, maar ook uit andere bronnen die in hoog aanzien staan en als in overeenstemming met de oorspronkelijke leringen van de Boeddha worden beschouwd. Het gebruik van de teksten voor dagelijkse overwegingen is geheel overeenkomstig het doel dat de Boeddha zich had geseld: geen speculatie maar transformatie. Zoals als reeds benadrukt, is het Boeddhisme een praktische filosofie. Deze teksten dienen dan ook een praktisch doel.

Het overwegen van de woorden van de Boeddha, het hart en de geest ermee te laten volstromen is een aloude manier om tot werkelijk inzicht te komen in wat hij bedoelde. Dat is geen theoretische kwestie, het is niet de bedoeling om nog meer ideëen toe te voegen aan de reeds bestaande. Door deze teksten te overwegen kunnen we tot een dieper inzicht komen en leren hoe we in harmonie kunnen leven en niet in tweedracht, in eenheid en niet in verdeeldheid, in de waarheid en niet in zinsbegoocheling.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s