Categorieën
Gemstones

Je-Zus

D E   Z E V E N   K R U I S W O O R D E N

  • door Theo Midden –

En berouwvolle zondaars w.o. Judas Iskariot, Dismas de moordenaar e.a. rondom het kruis van de Heer Jezus naar het eeuwig evangelie met het  testament van de Heer Jezus.

De zeven belangrijke woorden  – Mc.15 – Mt.27 – Lc.23 en Joh.19 –

 De ziener Joachim van Fiore ( 1130 – 1202 ) Abt van de cisterciënzers en in onze kerk zalig verklaard, heeft er al op gewezen dat volgens de openbaring van Johannes ( 14:6 ) bij het begin van het zogenaamde tijdperk (d.w.z. kort voor het laatste oordeel) aan de mensen een ‘Eeuwig Evangelie’ zal worden verkondigd.

In het jaar 1844 kondigde sayyid Mirza Ali Mohammed, bekend als de Báb ( ‘poort’) uit Perzië, de verwachte Boodschapper van God aan. Het doel was om de mensheid voor te bereiden op de komst van Hem Die God zal openbaren. De angstige en heersende geestelijkheid liet de Báb ter dood brengen door 750 geweren!

In 1840 wordt aan de mysticus, profeet Jacob Lorber door de Heer gevraagd nieuwe openbaringen op te schrijven. Hiermee herkent u de belofte van de Heer Jezus, als opgetekend in Johannes 16:12-14 en de aankondiging van het eeuwig evangelie als opgetekend in het Boek Openbaringen 14:6. In een elfdelige serie boeken, genaamd; het Grote Johannes Evangelie en andere boeken worden onduidelijkheden vanaf de tijd van Adam tot en met de ten hemelopneming van Jezus door de Heer zelf toegelicht. Ook Jacob wordt bedreigd, wanneer men hoort over geheimzinnige boeken door hem geschreven.   

De maagd Antonie Grosheim,  die behoort tot de vriendenkring van de mysticus Jacob Lorber,  wordt in 1863, evenals Jacob Lorber opgedragen, toe te laten dat de Heer door haar aardse handen zal schrijven. Daarna zal zij veel te lijden hebben.

De Heer Jezus wil de zeven Woorden tot de omstanders gesproken vanaf het kruis nogmaals herhalen en de juiste betekenis en de ware zin ervan aan de mensen van goede wil openbaren’.

De zeven woorden in de Oud-Hebreeuwse taal gesproken, hebben tot 1863 geen juiste uitleg gekregen. In deel 11  van de Nieuwe Openbaringen wordt in het lijdensverhaal verwezen naar het schrijven door Antonie Grosheim en kunnen we vernemen tot wie de Heer de zeven kruiswoorden sprak en nog spreekt (een apart boekje).

De Heer noemt dit Zijn testament voor allen die in God proberen te geloven. In dit boekje en in het Groot Johannes Evangelie kunt u iets vernemen over de omstanders die bij de kruisiging van Jezus aanwezig waren. Maria, moeder van Jezus en Johannes.

Over de bekeerlingen en leerlingen als Judas Iskariot,  Maria van Magdala, Martha,  Symon van Cyrene , Veronica, Pilatus en Dismas de misdadiger. 

Met verwondering kunt u kennis maken met de karakteristieken van hen, die naar de wil van God leven en van hen die berouw tonen. Zo kunnen we ervaren dat Jezus Zijn belangrijke Woorden ook  in 2008  tot elke gelovige wil spreken en toelichten.

In de bijeenkomsten op 11 en 18 maart 2008  om 20.00  uur in het Titus Brandsmahuis,  St. Bonifatiusplein in Leeuwarden wordt eerst  aandacht  besteed aan de omstanders rondom het kruis van de Heer en op 18 maart aan de overweging van de Zeven Kruiswoorden. De speciaal geschreven muziek bij deze Woorden door de componist Haydn zal uw persoonlijke overweging omlijsten.

                                                                                                                    Diaken Theodorus

HET EEUWIG EVANGELIE

  • Waarom dit evangelie?
  • Wanneer wordt of is dit verkondigd?
  • Door wie verkondigd?

Dit evangelie is een aanvulling op de vier Evangeliën van de H. schrift die wij nu hanteren bij onze geloofsontwikkeling en met een nieuwe uitleg en nieuwe openbaringen door de Heer zelf! (voor de generaties  met al hun ervaringen nu, pas verstaanbaar en herkenbaar). 

Voor en na de eerste komst op aarde van de Heer Jezus, Zoon van God, is de mens de Bijbel letterkundig gaan lezen. Men bedoelde daarmee; dat wat er is opgetekend is zo als het er staat!

In het Eeuwig Evangelie wordt duidelijk gemaakt dat je achter de Woorden meer en meer de betekenis moet zoeken, geestelijk inzicht verkrijgen in wat de Woorden van God voor jou in jouw situatie kunnen betekenen.

Door het literair of wel letterkundig lezen is de Helper, de H. Geest, te vaak buitengesloten, dat volgens een zalige Abt Joachim van Fiore (1205) wel eens de oorzaak kan zijn van een ongekende geloofscrisis.

De Abt Joachim van Fiore, van de orde der Cisterciënzers (1205) een apocalyptisch denker, (iemand die wil onthullen) heeft dit ontdekt bij het bestuderen van het bijbelboek “de Openbaringen”.

Deze Abt ontdekt dat er sprake is van drie tijdperken. Zo is er het tijdperk van het Oude Testament, de fase van de Vader,het Nieuwe Testament dat van de Zoon en het daarop volgend tijdperk van de H. Geest.

Het tweede tijdperk ontkiemt in het eerste en het derde tijdperk ontkiemt in het tweede. 

In het derde tijdperk, van de H. Geest, zijn de monniken als eersten meer beschouwelijk omgegaan met de Bijbel. Dat wil zeggen, zij zijn dieper ingegaan op de betekenis van de Woorden van de Heer en probeerden die in hun gelovige ontwikkeling een juiste plaats te geven.

Zo proberen zij nu nog om te gaan met de Helper, de H. Geest, die de Heer Jezus ons heeft beloofd. Vandaar hun contemplatief leven.

In het Bijbelboek Judith  ( het boek 140 jaar voor Christus ) Hfdst 8:2 en volgende,

ontdekt Joachim ook hoelang de tijdsperioden duren.

Het getal 1260 geeft aan dat de ontwikkeling 1260 jaren duurt.

In de hoofdstukken 11 en 12 van het bijbelboek Openbaringen is dit ook terug te vinden.

Voor Abt Joachim was het tweede tijdperk bijna op 60 jaar na, over aan het gaan naar het derde tijdperk, Het tijdperk  waarin de gelovige mens serieuzer met de Heilige Geest zal gaan samen werken, meer om de wijsheid en de hulp van de H. Geest zal vragen en niet alleen op eigen inzicht zal vertrouwen.

In deze derde periode zal het Eeuwig Evangelie worden geopenbaard en zullen de gelovigen de Wijsheid niet meer uitsluitend bij  priesters of dominee’s zoeken maar meer de H. Geest zelf vragen om verheldering van de Woorden in de Bijbel opgetekend.

Zie het Boek Openbaringen, door Johannes opgetekend, hoofdstuk: 14.6 waarin het eeuwig Evangelie wordt aangekondigd.

Tussen 1800 en 1864 Heeft de Heer het Eeuwig Evangelie geopenbaard aan de mysticus Jacob Lorbert. 

Geroepen door de Heer heeft hij na het afbreken van een succesvolle muzikale carriére  z’n verdere leven z’n handen en hart beschikbaar gesteld om de Woorden van de Heer in meer dan 25 boeken op te schrijven.

Dit Eeuwig Evangelie is verstaanbaar voor elke gelovige mens die in het tweede tijdperk het tijdperk van de Heer Jezus serieus heeft genomen. 

(Bij de toetsing op de vier evangeliën door ondergetekende zijn geen tegenstrijdigheden waargenomen.)  

Tenslotte: het aankondigen van het tijdperk van de Heilige Geest wil beslist niet zeggen dat maar iemand ook kan voorspellen de dag en het uur waarop de laatste dag valt. Dit heeft de Heer Jezus ook uitdrukkelijk verklaard.

De vertalingen van de bijbel, de uitleg aan de gelovigen hebben in de loop der eeuwen  genoeg verwarring, angst en vrees bij de gelovigen gebracht.

Vertrouwend op de belofte van de Heer, lezen wij in het Eeuwig Evangelie hoe dicht de Helper, de H. Geest bij ons is gebracht.

Van harte wens ik u toe, dat u net als Salomon, niet om aardse rijkdom vraagt maar om de Wijsheid van God Geest.

Minnertsga, 11 maart 2008, Diaken Theo Midden.

T E S T A M E N T

Van Jezus voor  allen die proberen in God te geloven

De zeven kruiswoorden

Van Jezus Christus aan het kruis uitgesproken in de juiste volgorde.

___________________________________________________________________________

Heer, vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen          Luc. 23:24  Vergeving voor jou

Mij dorst                                                                          Joh. 19:28  Verlangen naar jou  

Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten     Mc.15:34    Alleen bij God nog hulp

                                                                                         Mat. 27:46         “             “             “    

Maria, zie je zoon! En jij zoon, zie je moeder            Joh.19:27 Mijn Liefde voor jou, nu

                                                                                          Dichter bij jou en door Maria 

                                                                                          beschermd.

Heden nog zul je bij Mij in het paradijs zijn             Luc.23:43   Jouw liefde en vertrouwen

                                                                                    tot Mij is voor jou het paradijs                                                                                                                                  

Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest                 Luc.23:46  Volg Mijn voorbeeld en

                                                                                      vertrouw met liefde je ziel

                                                                                      aan je hemelse Vader toe 

Het is volbracht         (Zijn laatste woord)                Joh. 19:30 Het grote werk van de

                                                                                                       Verlossing ook voor jou!

                                                                                                       Keer je weer tot jouw Heer

                                                                                                        en God terug.

Tot wie de Heer Jezus Christus deze laatste Woorden sprak en spreekt wordt duidelijk wanneer wij kennis maken met de aanwezigen die Zijn volgelingen zijn.

Waaronder:  De Apostel Judas Ikariot 

                       Maria van Magdala 

                       Martha

                       Simon van Cyrene

                       Dismas de medegekruisigde moordenaar

                       Veronica

                       Nicodemus

                       Jozef van Arimathea

                       Lazarus

                       Johannes

                       De moeder van Jezus, Maria

                       Een aantal Romeinen, Grieken en Joden (in het geheim leerlingen)

                       waaronder Pilatus 

Op deze avond zullen we  proberen al de aanwezigen te ontmoeten. Mogelijk herkent u  in een of sommige van deze aanwezigen bij het Kruis uw goede en zwakke kanten .

U mag aannemen dat juist daartoe de Heer tot u spreekt omdat Hij U wil omarmen.

Om onze zwakke kanten te overwinnen is de Heer Jezus Zijn weg gegaan tot op het kruis.

WELKOM

Op deze eerste avond, voorafgaande aan de Goede Week, waarin belijdende gelovigen de zeven kruiswoorden in het testament van de Heer Jezus overwegen en tot zich nemen, kunnen op we deze avond getuigen zijn van de omstanders rond het kruis van de gemartelde, lijdende en stervende Messias, tot wie de Heer Jezus zijn laatste Woorden zal uitspreken.

Deze avond kunnen we trachten onze gevoelens verplaatsen naar de plaats van de terechtstelling van de Messias en eerst kennis maken met de omstanders rond het kruis van de Mensenzoon Jezus Christus.

Het gedicht van Maria Lutz – Weitman kan ons helpen onze gevoelens te vertolken. 

Mogelijk kunt u in de genodigden onder het kruis iets van uw eigen zwakheden herkennen.

En er zeker van zijn dat de barmhartige Heer bij het minste berouw u graag wil omarmen.  

                                         Hij leed en zweeg!

                                         Zelfs onder helse pijn,

                                         zag Hij hen droevig aan.

                                         Hij leed en zweeg!

                                         Het moest immers zo zijn?

                                        Hij liet hen maar begaan.

                                        Hij leed en zweeg.

                                        Hij voelde scherp Gods beitel.

                                        Hij leed en zweeg

                                        zelfs onder bloedige gesel.

                                        Hij leed en zweeg!

                                        Hij leed en zweeg,

                                        belasterd en gehoond,

                                        verachting moest Hij dragen.

                                        Hij leed en zweeg

                                        Met doornen hard gekroond,

                                        door ruwe hand geslagen.

                                        Hij leed en zweeg,

                                        Bespuugd in het gelaat.

                                        Hij leed en zweeg

                                        en vergaf het hen.

                                        Hij leed en zweeg!

                                         De Zeven Kruiswoorden,

                                      Het testament van de Heer Jezus

                                     Voor Zijn sterven tot ons gesproken.

Toevertrouwd aan de omstanders rondom het kruis van de Messias aanwezig.

Woorden die de kerk al eeuwen lang in de passietijd in de lijdensverhalen leest en probeert te begrijpen. Probeert! Want de ware betekenis is nog niet geopenbaard!

Dat zal gebeuren in het Eeuwig Evangelie, aangekondigd in het Boek Openbaringen door de Apostel en evangelist Johannes opgetekend in hoofdstuk 14, vers 6.

Dit eeuwig evangelie is een aanvulling op de vier evangeliën die wij reeds kennen.

Nu rijzen er vraagtekens op vele gezichten.

Waarom weten wij hier nagenoeg niets van, waarom nu pas in onze tijd geopenbaard.

Waarom meldt de Kerk ons dat niet.

Deze bijeenkomst laat het niet toe u een volledig antwoord  te geven.

Zie in het Johannes evangelie 16: 8 – 14 de belofte van de Helper, de Geest en zie vervolgens in Het Boek Openbaringen, door de Heer zelf gedicteerd aan de Apostel en evangelist Johannes, 14:6 waarin het Eeuwig Evangelie is aangekondigd.

Nu bekend onder de naam Het Groot Johannes evangelie.

De ziener Joachim van Fiore 1130 – 1202 Abt van de Cisterciénzers en in de R. K. kerk zalig verklaard, heeft er al op gewezen dat volgens het Boek der Openbaring 14:6, bij het begin van het zogenaamde tijdperk ( d.w.z. kort voor het laatste oordeel ) aan de mensen een eeuwig evangelie zal worden verkondigd.

Aan de mysticus Jacob Lorber  is dit eeuwig evangelie door de Heer Zelf gedicteerd .

Dit eeuwig evangelie wil ons opnieuw bewust maken van uw werkelijke doel eerst op deze aarde te leven en het gericht zijn op een leven aan gene zijde!

Een mopje stelt ons in staat, het onderscheid en samenhang over dit bewustzijn in onze herinnering actueel te houden.

De stewardess aan de passagiers in het vliegtuig:Goede reis en we hebben ook nog een priester aan boord, dat is toch een meerwaarde.

De priester: Sorry ik ben maar grondpersoneel. Voor het heelal moet u bij de directie boven zijn! Uitleg overbodig!

Bij het gericht zijn op het leven aan gene zijde is het belangrijk te kunnen begrijpen waarom de aanwezigen rond Jezus’ lijden in de H. Schift zijn vermeld en de uitleg van de Zeven Kruiswoorden te kunnen bevatten. 

Deze avond zullen we eerst kennis gaan maken met de karakteristieken en ervaringen van de aanwezigen, die door speciale bemiddeling van Pilatus,  nabij het kruis van de stervende Jezus mogen komen.

Van o.a. de Apostel Judas Iskariot, die in zijn wanhoop tracht Jezus nog te redden en er niet bij mag zijn.

Het is te verwachten dat niet alle personen genoemd op uw testamentblaadje aan de orde kunnen komen. Met de eerste vijf personen en Maria zullen zeker we zeker kennis maken.

De avond op 18 maart a.s:

Kunnen we open staan voor de ware betekenis van de Zeven Kruiswoorden door de Heer Jezus zelf uitgesproken en door de hand van de mystica en maagd Antonie Grosheim (1863) opgetekend en aangekondigd in het Eeuwig Evangelie.

Na elk gesproken Woord, krijgt u enige minuten ter overweging, waarbij de speciale muziek door de Componist Haydn, op een forte piano gespeeld, enkele minuten de droevige sfeer tijdens de terechtstelling op zeer gevoelige wijze zal onderstrepen.

Rond de klok van 22.00 uur  zal deze bijeenkomst een einde nemen.

Met beide inleidingen kunt u hopelijk  een vruchtbare Goede Week ervaren en dat kan leiden tot een vreugdevolle Pasen.

Kennismaking met de Apostel Judas Iskariot.

Paus Benedictus XVI stelde enkele maanden geleden in zijn catechese over Judas Iskariot de vragen: Waarom heeft Jezus deze man gekozen en hem zijn vertrouwen geschonken en waarom verraadt hij Jezus.

Vragen, die bij gesprekken en huisbezoeken in de vastentijd vaak worden gesteld.

Vragen die de andere elf Apostelen ook herhaaldelijk aan de Heer stellen tijdens hun vorming en ondericht

Onze paus Benedictus XVI  vindt dat het bij een mysterie blijft.

Hij vindt ook, dat het ons niet toe komt over de daad van Judas te oordelen en( heel belangrijk) zo de plaats in te nemen van de oneindige barmhartige en rechtvaardige God.

De Heer Jezus zelf zegt in het N.T.; Ik ben niet vanwege de rechtvaardigen in deze wereld gekomen maar enkel vanwege de berouwvolle zondaars! Zou daar Judas Iskariot ook onder kunnen vallen?

Berouw en vergeving zijn heel duurzame woorden die direct aansluiting vinden bij de oneindige liefde en barmhartigheid van God. Daarin schuilt misschien het mysterie?

In het Eeuwig Evangelie, genaamd het Groot Johannes Evangelie, geeft de Heer antwoord op onze vragen en ter inleiding laat Hij ons eerst kennis maken met de persoon van Judas Iskariot. 

We zullen we ons moeten beperken tot de meest belangrijke dramatische fases in het leven van Judas Iskariot. Wel wil ik graag opmerken dat bijna alle worstelende vragen in ons gelovige ontwikkeling en ervaringen door de aanwezigheid van deze vreemde Apostel aan de orde komen.

Wie is Judas?

Zoon van zeer vermogende ouders die hem overdadig verwennen en hun zoon verafgoden!

Zijn moeder is zelfs verliefd op hem. Judas wordt aapachtig verwend.

Zij “voeden”hem op met apenliefde. Zo noemt de Heer dit.

D.w.z. plezier en genoegens is er louter voor jou door uitsluitend wereldse en menselijke bedenksels. Hij groeit op zonder enig gevoel voor zijn medemensen.

De ontwikkeling van de goddelijke vonk in de ziel, bij elke mens aanwezig kan niet tot ontwikkeling komen.

Groot en sterk  jaagt hij zijn ouders de deur uit en vermaakte zich met veile deernen en geniet van alle denkbare wereldse pleziertjes en genoegens.

Verbrast geheel het vermogen van z’n Vader, de ouders verarmen tot de bedelstaf en kwijnen weg van verdriet en sterven.

Tot zwerver geworden met alle nare ervaringen die je kunt tegenkomen, komt Judas tot bezinning.

Hij gaat een vak leren en eerlijk verdienen. Wordt pottenbakker, trouwt een vrouw en vindt er nog een goede vishandel bij.

Wil bij de Essenen het nodige leren over magie, want daar kun je veel mee verdienen.

Dit laatste mislukte.

Rijk geworden wordt Judas hebzuchtig, gierig en oneerlijk.

Zijn vrouw, kinderen en werknemers verwaarloost hij.

Hij hekelde de tempel vanwege de machtige en rijke tempeldienaren.

Kennelijk heeft Judas onderricht ontvangen van schriftgeleerden, want hij kent de bijbel goed, zo verklaart de Heer.

Zo hoort Judas van een man Jezus die bijzondere wonderen verricht. Hem gaat hij zoeken,   want deze man Jezus zou hem de macht tot die bijzondere magie wel kunnen leren. Waarmee goed te verdienen valt!

Zoals het Joodse volk gelooft in een wereldse messias die hen van de bezetter, de Romeinen, zal bevrijden, zo gelooft ook Judas! Hij zou daarbij wel een heldenrol willen vervullen.

Onze Paus BenedictusXVI oppert in zijn catachese over Judas Iskariot , dat Judas teleurgesteld zou zijn, toen hij zag dat Jezus de politieke – militaire bevrijding van zijn land niet opnam in zijn programma. Deze opvatting wordt door vele Joden gedragen.   

 De Heer Jezus en de overige leerlingen krijgen te maken met veel tegenstrijdigheden

van de zijde van Judas. Vooral op het terrein van geld , macht en bezit heeft hij veel moeite met de Leer van Jezus, die hij heel goed kent en zelfs predikt!

Dat pure materialistisch gedrag leidt veelvuldig tot irritatie bij de andere elf!

Waarom de Heer Jezus Judas Iskariot toch opneemt in het Apostelcollege, vragen nu ook de leerlingen en in onze tijd 2008 vragen nog velen zich af, waarom?

Voorlopig antwoord de Heer : Judas heeft zoals elke mens kansen te leven naar Mijn leer. . Tot dat zijn tijd vol is en hij verder gaat aan gene zijde.

Een leerling Nathanaël vraagt Judas zijn overmoedigheid aan de kant te zetten.

Thomas botst regelmatig op de materiële instelling van Judas.

De Heer stelt twaalf Apostelen aan in een bepaalde volgorde:

Opvallend is dat bij de aanstelling tot Apostel, Judas de twaalfde is .

Zij ontvangen de macht om onreine geesten uit te drijven, alle besmettelijke ziekten te genezen en het Rijk van God te verkondigen.

Nergens zullen zij geld mogen aannemen. Ook niet z.g. om aan de armen te geven,zoals Judas toch nog argumenteert. 

De Heer Jezus:Eens zal goud en zilver en erts de mens regeren en bepalen hoeveel de mens waard is.

Judas: we moeten doen als de Romeinen,met de machtigen meedoen.

Jezus: Judas jij praat op een wereldse manier en wij, de anderen, op een hemelse.

Judas blijft de Heer zien als een machtig profeet en rekent op zijn invloed  bij de verlossing van de Romeinen.

Judas vraagt de Heer: waarom moet er in een goddelijke orde ook een satan zijn?

Jezus antwoordt : om jou binnenkort te vangen, omdat jij je zo met hem bezighoudt. Het zal nog lang duren voor je enigszins zult zien wie jezelf bent. Laat staan wat de grote orde van God is.

Hoe velen  veranderen eigenhandig Gods ordening.

Wanneer je iets niet begrijpt , leer dan eerst wat en wees daarbij stil en opmerkzaam van geest!

Thomas, na dit zoveelste irritante gedrag van Judas, vraagt de Heer of Judas niet beter kan verdwijnen!

Jezus aan Judas; wees een mens, als duivel vind Ik je walgelijk en kun je gaan.

Judas vraagt om vergeving en mag blijven en Jezus zegt tot Judas: neem je in acht opdat je binnenkort niet tot buit van de satan wordt. 

Judas: Veel niet begrijpend vraagt de Heer, Heer verander mijn ziel, ik wil een beter mens worden.

Jezus : het hart is van jou zelf jij moet het zelf doen. Je bent een vrij mens.

Judas: Heer, dan ben ik helemaal verloren,want ik heb een ontembaar hart en kan mijzelf niet helpen.

Hier ziet u hoe dramatisch het gevolg kan zijn van een opvoeding in de apenliefde.

Judas blijft het wereldse verkiezen boven het hemelse.

In de school noemt Jezus hem duivel en dit begrijpt Judas. Meer zegt Jezus niet. 

Want ook voor Judas moet zijn maat vol worden en hij moet zelf overtuigd zijn dat zijn hele aardse handelwijze door en door slecht is en een afschrikwekkend voorbeeld voor alle mensen.

Want anders zou er voor zijn ziel aan gene zijde geen verbetering zijn geweest!

Zal Judas Iskariot eens inzien? 

Bijzonder is hierbij de gedachte, dat Judas vlak voor zijn heengaan berouw toont.

Judas: Voor zich uitkijkend; Goed……… mijn ziel is ziek.

Waarom ben ik een duivel. Moet ik een duivel van de hel worden? Absoluut niet want ik weet wat ik doen moet om geen duivel te worden.

Tegen een waard,waarbij ze te gast zijn: zegt Judas, hoe zou jij het vinden, als de Heer tot jou zou zeggen”jij bent een duivel”.

De waard ook een leerling van Jezus:Tot de Heer zou ik zeggen. Dank U, want U hebt mij laten zien hoe groot zondaar ik ben en vraag U, betoon mij genade en barmhartigheid en drijf de duivel van hoogmoed, leugen en bedrog en ellendige zelfzucht  uit mij! En vervul mij met de geest van de ware deemoed, zachtmoedigheid, zelfverloochening en ware liefde voor U!

Jezus voegt daar aan toe: trek dan je oude materiële ,menselijke Adam uit en trek de nieuwe uit Mij aan.

Judas snapt dit weer niet en trekt zich terug. Zijn ziel kent geen gevoel voor liefde en liefde voor de naasten. Zijn opvoeders hebben hem dit kostbare gevoel niet mee kunnen geven.

De leerlingen: Begrijpen dit niet  en het gedrag van Judas al helemaal niet! Zij vragen wanhopig: Heer komen we nooit van die man af?

Jezus: wat Ik verdraag moeten jullie ook verdragen.

Judas gaat gewoon weer door met prediken van de Leer van Jezus en doet dit correct, maar met een bijbedoeling, dat hij een deel van de bewondering van De Wijsheid van Jezus naar zich toe wilde trekken.

Judas vraagt Jezus na een tijdje afwezigheid of hij zich weer bij hen mag voegen.

Jezus: Je kunt doen zoals je belieft.

Toch blijft Judas Jezus zien als een wereldse messias en wil Jezus bewegen maar eens iets te gaan doen. Waarbij hij de aangever is. 

Alle vriendelijkheid en geduld van Jezus en de leerlingen halen niets uit bij Judas.

De Apostel Judas Iskariot  laat zich zelfs adoreren door Herodes die Judas verzoekt voor hem een ontmoeting te regelen met Jezus. Deze Herodes wil Jezus ook voor zijn karretje spannen en zo zijn macht  over de tempeldienaren  vergroten.

Zo stelt Judas aan Jezus voor de steun van Herodes voor zijn werk te gebruiken.

Jezus wijst Judas nu heel streng terecht!

Ondanks tegenwerking van de tempel doet Jezus niets!

Judas vraagt zich wanhopig af waarom? Zelfs de leerlingen worden onzeker.

Jezus zet nogmaals de roeping en de leer van de Heer duidelijk uiteen.

Judas luistert mee. Raakt toch maar niet bevrijd van zijn verkeerde opvattingen.

Het zou niemand meer lukken om zich zo met de kracht Gods te verenigen.

Judas zou degene zijn, die zorgt voor een doorbraak.

Hij zou Jezus voorbereiden op de laatste dwingende stap.

Judas komt zich zelf voor als een verlosser voor en meent in zijn verblinding door de Heer te kunnen werken.

Hij zou Jezus kunnen dwingen zijn dwingende plannen te doen slagen.

Judas slaat door!!!!!

Hij biedt Kajafas aan, te zeggen waar Jezus is en beschuldigt Hem van: de wetten van de tempel om ver te willen werpen.

Biedt zijn diensten aan om aan de gevaarlijke activiteiten een einde te maken.

Judas is verheugd dat de Hoge Raad in de val zou lopen, want hij rekent erop dat Jezus ter elfde ure zich wel zou manifesteren

Zo is Judas vrijwillig een instrument.

Zo komt tot vervulling wat is voorzegd.

Jezus kán alles vermijden maar moet zo in de gelegenheid komen om te kunnen kiezen voor de glans van de wereld of voor de Vader in de Hemel.  

Op de avond van het Paasmaal, is het een gewoonte, dat de gasten aan het einde

van het feestmaal, voor het heengaan, van de gastheer een stukje brood ontvangen met een bijbelse spreuk erbij gesproken. Zo ontvangt Judas  op die avond  een stukje brood uit de handen van de Heer Die tot hem zegt:  – ga en doe snel wat je moet doen! Judas Iskariot vertrekt!

(daarna volgt de instelling van de H.Eucharistie.)

Judas begrijpt daaruit dat zijn bedoelingen begrepen worden, toen Jezus dit zei.

Bij het verhoor van de Heer Jezus en Zijn  veroordeling door de Hoge Raad wil Judas erbij zijn. Hij wordt niet toegelaten.  

Wie niet met de tempeldienaren mee heult mag er niet bij zijn.

In werkelijkheid is hij ook bepaald geen vriend van de tempel. Hij wil hen er alleen in de val laten lopen en rekent hierbij op de macht van Jezus.

Na de veroordeling van de raad en Pilatus  raakt Judas raakt toch onzeker van zijn plannen en raakt in een wanhopige stemming, snelt naar de plaats van de terechtstelling, probeert bij Jezus te komen. Dit wordt hem belet door de tempelwachters.

Met starende ogen staat hij dichtbij, nog altijd hopend dat er iets buitengewoons zal gebeuren…….dat Jezus zal bevrijden.

Hij volgde Jezus met een groeiende wanhoop en vertwijfeling over de afloop.

Het wordt Judas steeds duidelijker dat de Kracht van Jezus ofwel verdwenen is of niet door Hem wordt gebruikt.

Tenslotte rent hij naar de Hoge Raad , werpt de dertig zilverlingen, bloedgeld, in de bak voor aalmoezen en klaagt zich zelf aan zegt tot hen,

Ik heb gezondigd door onschuldig bloed te verraden!!!  

Deze stap is zeker een teken van zijn berouw.

Door dit teken worden de tempelpriesters in hun geweten geraakt bij het zien van de berouwvolle verrader in zijn oprechte wanhoop.

Vol twijfel rent hij weer terug zich nog altijd vast klampend aan de zwakke hoop dat

Jezus zich zelf zal bevrijden, voordat het ergste zal gebeuren.

Wanneer hij ziet hoe het lichaam van Jezus op de grond gegooid –  en op het kruis gelegd wordt en hij de hamerslagen hoort die de spijkers door Zijn vlees in het hout drijven, schreeuwt hij het uit!!!!!!!! Vlucht weg……..

Judas heeft zijn dwaling, zijn geldzucht en zelfzucht duur betaald.

We weten nu dat de jongen Judas in de apenliefde is opgevoed en opgegroeid.

De ziel kon niet tot ontwikkeling komen. Een boom die je lange tijd krom laat groeien krijgt je onmogelijk recht. Zo is het met de ziel die op een verkeerde weg is gezet.

Nu weet u, waarom deze dramatische gebeurtenis in de H. Schrift ie opgetekend

De ernstige waarschuwing van de Heer is aan alle opvoeders om hier heel serieus aandacht aan te besteden.

Voor Judas diende zijn val en het lijden van zijn teleurstelling en berouw tot loutering.

Belangrijk is zijn schuldbelijdenis en zijn berouw, wanneer hem de schellen van de ogen vallen.

Eeuwenlang zijn er vele vragen over het lot van de Apostel Judas Iskariot aan gene zijde?

Zijn ziel is als de boom die krom groeide. Zo de boom valt, zo ligt hij.

Dat wil zeggen, alle zorgen en angst, alle teleurstelling en wanhoop gaan als geestelijke inhoud van de ziel mee over naar Gene Zijde waar de ziel zich los zal kunnen maken van de “kromgroei”.

Als antwoord op uw vragen en op de vraag van Paus Benedictus XVI laat de Heer laat ons getuige zijn van een gesprek met een zorgzame prior die, zoals velen onder ons nu nog, rekenen op de liefde, genade, erbarming en rechtvaardigheid van de Heer. De prior komt het ook hard voor als deze verloren Apostel voor altijd verloren zou gaan. De Heer heeft immers gezegd, dat deze ene verloren ging, opdat de schrift vervuld zou worden. Dit woord gaf de prior altijd enige troost.

Het eerste woord aan het kruis door Jezus gesproken, heeft grote indruk op de prior gemaakt en hem hoop gegeven dat ook Judas Iskariot zou worden vergeven.  

Ja, Judas moest wellicht , hoewel uit vrije keuze, toch een dienend werktuig zijn, dus een Apostel zijn omdat juist zijn verraad Uw reeds van eeuwigheid voorbestemde, heilige plan tot heerlijke uitvoering kon worden gebracht.

Aan deze laatste daad van hem was toch blijkbaar ook volgens de Schrift de duivel de schuld,die in hem was gevaren.

Jezus:

“Luister, mijn geliefde zoon, er bestaat niet één maar er bestaan twee Judas Iskariots.

De ene is de mens die met Mij op aarde geleefd heeft en de andere is de satan, die in zijn toenmalige vrijheid deze mens aan zich schatplichtig had gemaakt.

In deze tweede Judas Iskariot vinden we nog geheel en al de oorzaak van de allerdiepste hel – maar het betreft dus niet de mens Iskariot. Want hem werd vergeven.”

Dit gesprek vindt in de hemel plaats!

Op aarde had de prior dit niet durven denken en wij in de 21 e eeuw evenmin!

Wat denken wij.

Ons oordeel over mensen met voor ons  soms  zeer irritante gedragingen staan heel vaak haaks op die van de Heer. Iets om goed over na te denken.               

De Heer wijst ons ook nog op de tegenstelling van de Mensenzoon en Judas Iskariot.

Judas hoopt dat de met bovenaardse krachten begaafde Galileïsche ‘profeet’ spoedig een machtig aards rijk zou stichten en dat hij, Judas, als zijn aanhanger en ijverig helper daarin een belangrijke plaats zou innemen.

Tevens zou hij de kunst van magie leren en daarmee grote rijkdommen verdienen.

Zoals ook de tempeldienaren hun rijkdommen vergaarden. 

Terwijl dus van de kant van de Heer de zuiverste liefde tot God en de naaste, in grote deemoed uitgeoefend, het motief van het goddelijk heilbrengend handelen was, 

werd Judas bewogen door kwade driften van eigenliefde, hoogmoed en hebzucht.

Waar de Heer Zijn denken, willen en handelen steeds inniger met de goddelijke oergeest verbond,Maakte Judas zijn zinnen en streven tot een buit van satan en van de hel!

Rijst bij u de vraag: waarom aanvaard Jezus deze man tot leerling en later tot Apostel?

Ook de leerlingen stellen deze vraag omdat de tegenstrijdigheden van Judas hen mateloos irriteren. Ook de  paus Benedictus XVI en velen met hem stellen deze vraag. 

Jezus stelt de leerlingen gerust.( Zie blad 7en 8) Zoals u dit zojuist hoorde. 

Onder elk dak van twaalf engelen huist een verkapte duivel.(De mens maakt de duivel.) Maar alles moet zijn tijd hebben.

Judas is geestdriftig en kan goed spreken en de leer uiteen zetten. Daarom wordt hij door de Heer als aankomende bode uitgekozen.

In de school noemt Jezus hem duivel, want Hij weet wat Judas nog gaat doen.

Ook voor Judas moet de maat vol worden! Hij moet zelf overtuigd worden dat zijn handelwijze door en door slecht is en een afschrikwekkend voorbeeld voor alle mensen.

Anders zou er voor zijn ziel aan gene zijde geen verbetering zijn geweest.

Wat Ik moet verdragen, moeten jullie ook verdragen.

Bij het nogmaals uiteenzetten van de roeping en de leer, blijk Judas nog steeds niet bevrijd van zijn verkeerde opvattingen.

Uit alle dialogen tussen de Heer Jezus en de leerling- Apostel blijkt dat ook Judas drie jaar lang onderricht heeft ontvangen, waarin alle vraagstukken uit het Oude –en Nieuwe  Testament zijn behandeld en de liefde en naastenliefde uitgebreid aan de orde zijn gekomen!

Hiertoe heeft de Heer ook nog in een liefdemaat aangegeven hoe de liefde van God en tot de naasten zuiver kan worden toegepast!

Daarvoor geldt het getal 666! Dit noemt de Heer een hemelsgetal.

De 600 is de liefde tot de Vader in de hemel.

De 60 is de liefde tot de naaste.

De 6 is de liefde voor jezelf met respect natuurlijk!

Dit hemels getal is uiteindelijk het doel van je leven als mens op de aarde, te groeien en te ontwikkelen naar de volheid van dit getal. Anders gezegd, in je leven op aarde ga je leren en proberen een mens te zijn naar het beeld van God. Zoals jij je groei en je ontwikkeling op aarde bepaalt, gaat dat aan gene zijde door. Belangrijk hierbij is jouw eigen keuze.

Bij Judas is deze ontwikkeling op aarde onmogelijk geworden door de apenachtige opvoeding. Hij worstelt met de voor hem onbekende Liefde die onbereikbaar lijkt. 

Ondanks het liefdevolle vertrouwen van de Heer, hem op te nemen in het edele gezelschap van Zijn Apostelen. Tot de tijd vol was!

Zelfs de leerlingen/Apostelen kunnen de gevolgen van deze nalatigheid niet bevatten en vandaag de dag is dat met velen in onze maatschappij nog zo! 

Hier ligt een les voor de Apostelen verborgen en voor u allen.

Wanneer de kiem in de ziel  “gedood ” is het God alleen, die dit tot leven kan roepen.

Dit komt in het derde woord aan het kruis duidelijk naar voren.

Zonder God kunt ge niets!

Zo is Judas Iskariot voor de Heer tot een nuttig werktuig geworden.

In de hemel mag hij zich verheugen in de volle kennis van de zuivere goddelijke liefde.

Voor alle volgelingen van de Heer Jezus een pittige waarschuwing: Neemt de opvoeding van een nieuw leven binnenin heel serieus en probeer hen voor te leven naar het hemels getal, de zuivere goddelijke liefde, gericht op de toekomst aan gene zijde.     

Dismas

 Rover en moordenaar, maakt deel uit van een van de vele roversbenden die in de tijd van de Heer Jezus heel Jeruzalem en omgeving onveilig maken.

Vooral de onherbergzame gebieden en moeilijk begaanbare wegen zijn nooit veilig.

Lange tijd en vele malen was deze misdadiger te Romeinen te slim af.

Het Romeinse bezettingsleger weet deze man te arresteren.

Dismas en een van zijn “collega’s” worden gelijk met, de in hun ogen onschuldige man Jezus berecht. Dismas wordt rechts van Jezus gekruisigd. (aan de rechter hand van…?) 

Zij worden met touwen aan het kruis vastgebonden.

Jezus wordt ook met touwen gebonden, als extra marteling worden bij Hem botte spijkers door handen en voeten gedreven.

Dismas richt zijn ogen verlangend op de Heer Jezus vol genade aan en zei: ”Gedenk mij Heer, wanneer Gij in Uw rijk bent gekomen.”

In het Lucasevangelie kunt u vernemen hoe er een wonderlijke bekering plaats vindt

in het binnenste bij Dismas  en hoe ook hij zijn misdaden afkeurt.

Ook hier weer zijn het de duurzame gevoelens berouw en vergeving waarvoor de Heer Zijn armen wijd open spreidt en welkom heet in de hemel.

Simon van Cyrene.

Is leerling van de Heer en wenst dit in alle vrijheid te zijn.

Ondanks het risico dat hij daarmee het ongenoegen van de tempel op zich laadt.

Hij staat als zodanig bij de tempel bekend.

Simon komt de stoet tegen en slaat vol ontzetting en medelijden de jammerlijke toestand van Zijn Meester Jezus gade.

Een van de tempeldienaren die hem zag riep hem honend toe: ”Ziedaar jouw grote meester, die zichzelf niet kan helpen. Nu komt zijn bedrog op beklagenswaardige wijze aan het licht.” 

Simon antwoordt verontwaardigd en met een voorspellende geest: “Jullie zullen het uur nog vervloeken, dat jullie zoiets hebben gedaan! Maar ik wens mijn Meester te kunnen dienen, opdat deze lijdensweg lichter voor Hem wordt.” 

“Dat zul je”, roepen enkele tempelpriesters boos! “Want omdat je het waagt de handelingen van de tempel met smaad te belasten, leggen wij je boete op en zul jij het kruis van je Meester dragen.”

Wanneer Simon dat hoort, snelt hij vol vreugde te hulp, neemt het kruis op zijn sterke schouders en steek Jezus, daar Hij op de grond ligt, nog zijn hand toe om de Heer steun aan te bieden.

Jezus neemt zijn hand en Simon’s kracht wordt zozeer gesterkt, dat hij met gemak die zware last kan dragen.

Een bijzondere gelovige die onder bedreiging zo moedig durft te getuigen.

Wat zal het Simon veel moeite hebben gekost om dit voor hem dierbaar geworden kruis los te moeten laten en als zijn Meester te moeten berusten in de laatste gemene bekoring van de satan om mensen ernstig aan het twijfelen te brengen.  

Veronica.

 Mogelijk de vrouw van Pilatus. (Zo is mijn idee, gezien haar verdediging Matt. 27:19 en wellicht in het geheim leerling van Jezus!)

Pilatus  is als Romein geneigd om in Jezus een soort halfgod met buitengewone krachten te zien en probeert Jezus te redden.

De vrouw van Pilatus laat hem waarschuwen.

Zij heeft in een droom gezien hoe de goeden en slechten door de Zoon werden gescheiden.

Daarop streefde Pilatus ernaar Jezus vrij te laten.

De vrouw noemt Jezus (zie Matthéus evangelie 27:19 ) de rechtvaardige om wie zij veel in een droom heeft geleden. Mogelijk in het “geheim” leerling van Jezus.

Veronica is niet de dochter van Jaïrus die genezen is! 

Veronica is in elk geval bij de treurende vrouwen tot wie Jezus troostende woorden spreekt.

Zij heeft de moed openlijk te getuigen van haar geloof in de Heer en Hem dienstbaar te zijn. Ook weer met veel risico’s reikt zij Jezus de zweetdoek aan om  het zweet af te drogen. Zij staat vooraan in de rij van de weeklagenden. Zo verklaart de Heer in het eeuwig evangelie: “Het zweetdoek is waar, maar de bewering dat er een afdruk op heeft gestaan is een legende”. (Telkens wanneer Veronica aan het doek denkt ziet zij het gelaat van de Heer Jezus voor zich. Dat heeft waarschijnlijk geleid tot de legende)

Een moedige getuigenis met behoorlijk wat risico’s.

Maria van Magdala (in het plaatsje Magdala geboren)

 Ik ben gekomen voor berouwvolle zondaars, zo heeft Jezus veelvuldig opgemerkt.

Zo zijn zij de genodigden van de Heer!

Maria van Magdala komt in het beeld, doordat zij een groep Romeinen en Grieken gidst naar een goede herberg. Dit was op de olijfberg, de herberg van Lazarus.

Het gezelschap is op zoek naar een bijzondere man waarover veel is gehoord. En met goddelijke eigenschappen.

WIE IS MARIA VAN MAGDALA

De farizeeën aldaar noemen haar de koningin van de hoeren.

Het blijkt een onweerstaanbare mooie vrouw te zijn.

Haar “verdiensten” bestemt zij voor armlastigen.

De farizeën roddelen over een intieme relatie met Jezus die zij een slimme magiër noemen.

Natuurlijk leden van de tempel.

Maria van Magdala heeft wel e. e .a. gehoord over de man Jezus en Hem ergens op een afstand terloops gezien. Dat zien heeft toen al een onvergetelijke indruk gemaakt op haar, zo verklaart de Heer  later.

Zij weet niet dat Jezus toevallig ook in die herberg vertoeft. Haar opdracht is alleen de groep naar een goede herberg te brengen.

 Daar gebeurt iets bijzonders met haar. Na wat wijn drinken krijgt zij plotseling hevige krampen in gezicht, ledematen en spieren.

De Romeinen in paniek.

De aanwezige Lazarus adviseert rustig te blijven en zegt: “Daar heeft ze wel meer last van. Wij joden noemen dit bezetenheid of kwade geesten. Wij hebben niemand meer onder ons om daar voor te bidden.”

De Romeinen vragen of er toch iemand is die in staat is haar te helpen.

Dan zegt Jezus, die zich niet heeft voorgesteld: “Ik zal haar helpen tot haar lichamelijk en geestelijk welzijn”. Dan verdrijft Jezus zeven duivels uit haar lichaam.

De jonge vrouw stond op en was vrolijk, fris en gezond, alsof haar nooit iets gemankeerd had. Maar wanneer zij  Jezus naast zich ziet en men haar vertelt dat Hij haar geholpen heeft, kijkt ze Jezus strak aan en zegt: “Ach dat is toch die geweldige man voor wie mijn hart al sinds een jaar steeds sneller klopte . En Hij die ik oneindig liefheb sinds ik Hem maar eenmaal in het voorbijgaan heb gezien, komt mij nu te hulp. O vriend, U had mij maar beter kunnen laten sterven in plaats van U nu tot groot verdriet van mijn hart te moeten weerzien, zonder ooit hoop te hebben ook door U  bemind te worden! 

Want U bent een zuiver mens en ik ben een verdorven hoer!” 

Daarop valt zij voor de voeten van Jezus neer, omklemde deze knielend en maakte ze nat met tranen van liefde en berouw.

De leerlingen willen haar wegtrekken.

Jezus: ”Laat dat”.

Deze jonge vrouw heeft veel gezondigd, maar zij houdt ook meer van Mij dan jullie allemaal bij elkaar; daarom zal haar ook veel vergeven worden.

Tegen de jonge vrouw zegt Jezus: “Sta op want je bent geholpen, en al je zonden zijn vergeven. Maar ga nu heen en zondig niet meer opdat je nog niet iets ergers zal overkomen. Sta daarom op, ga heen en zondig dus niet meer!”

Maria van Magdala vraagt de Heer of zij deze nacht nog in de herberg mag blijven.

Jezus: “Ik sprak niet tegen je lichaam, maar tegen je ziel en haar vele wereldse begeerten; met je lichaam kun je gaan waar je wilt. (Het kwaad komt van binnenuit, heeft Jezus vaak gezegd. Dus met de laatste opmerking van Jezus zou je kunnen denken, laat de wereldse begeerten niet meer toe in je ziel!)

Maria vertrekt met de belofte voortaan niet meer te zondigen.

Nu iets bijzonders over haar levenswandel.

De Romein Agricola vraagt de Heer naar de mogelijkheid  MvM voor haar gidsen te kunnen bedanken, vooral omdat deze herberg leidde tot een ontmoeting met die bijzondere man Jezus die zij zochten.

De Romein zegt: “Die vrouw die het met de zeden wel niet zo nauw nam, is toch ongetwijfeld geïnspireerd door de Heer.”

Jezus: “Over haar levenswandel heeft u goed geoordeeld, maar daarbij heeft ze steeds aandacht gehad voor de armen omdat ze als aardse schoonheid door haar manier van leven groten schatten heeft verworven en reeds door haar ouders rijkelijk van alles voorzien was. 

Zij is op een slot geboren met vele tuinen, akkers, weiden, wijngaarden en bossen dat nu haar eigendom is. Haar ouders zijn een paar jaar geleden overleden.

Ze had al verscheidene keren kunnen trouwen, maar de tempeldienaren hielden haar daar van af omdat ze zich anderszins goed met haar vermaakten?

Maar sinds zij Mij zag en leerde kennen en Mijn woorden hoorde, is het anders geworden in haar huis,haar verstand en in haar hart. En omdat ze de armen veel heeft liefgehad, werden ook veel van haar zonden vergeven.”

Tot Maria van Magdala zegt de Heer: “Maria omdat je Mij alle eer en dank geeft, toon jij dat je volkomen vervuld bent van de ware geest van deemoed, om welke redenen jouw zonden vergeven zijn.”

Zij is bij de zusters van Lazarus, Martha en Maria gebleven. 

Een van die zusters, Martha, was ook een levenslustige vrouw. 

Zij gaf zich zorgeloos over aan de genoegens van het weelderige leven door Herodes Antipas in zwang gebracht.

De farizeeën dachten dat ze lichtzinnig was.

Haar vroegere, naar buiten gerichte leven had zich verinnerlijkt en haar een heldere blik gegeven.

Zij herkende Jezus het meest.

De ontmoeting met Jezus na het overlijden van haar broer Lazarus is ontroerend.

Deze Maria zalfde spontaan de voeten met de kostbare nardusbalsem.

Jezus noemt dit een offer uit een liefdevol hart.

De Heer zegent haar en zegt: “Maria je zonden zijn je door de Vader vergeven.

Wie Mij kracht schenkt door haar liefde zal niet van mijn zijde wijken.”

“Ik ben gekomen voor de berouwvolle zondaars”, heeft de Heer Jezus  gezegd.

Zo zien we de aanwezigen, die op bevel van Pilatus rondom het kruis aanwezig mogen zijn.

De Romeinse hoofdman die spontaan uitroept: ”Waarlijk dit is een zoon van God.” Cyrenius?

Onder de genezenen, zondaars en bekeerlingen ziet u ook bijzonder begenadigde mensen, zoals genoemd Veronica en Simon van Cyrene.

Vlak bij Jezus onder het kruis ziet u Maria, de moeder van Jezus en Apostel Johannes, evangelist en schrijver van het boek Openbaringen.

Beiden hebben zich totaal toevertrouwd aan de Geest, de Liefde en de Wil van God.

Maria is begenadigd door God, vol van  Zijn genade, de nieuwe menswording is aan haar toevertrouwd en de gaven van de heilige Geest.

Haar levensweg is een lijdensweg geworden.

Als kind moet Maria al vroeg haar ouders missen, haar opvoeding vindt nu in de tempel plaats. Op haar veertiende jaar wordt zij aan het gezin van de oude Jozef toevertrouwd.

Jozef is zeventig jaar en heeft vijf zonen, zijn vrouw is overleden.

Verblijvend in het gezin van Jozef en werkend aan het herstel van het gordijn, tussenhang voor het heiligdom in de tempel, wordt zij door God gevraagd zich volledig beschikbaar te houden voor  zijn verlossingsplannen.

Op de boodschap van de engel antwoord Maria “Mij geschiede naar uw Woord.”

Zij loopt lange tijd rond met de bijna ongelofelijke opdracht aan Jozef te moeten vertellen dat zij zwanger is.

Haar nicht Elisabeth bevestigt de boodschap door Maria te erkennen als “de moeder van mijn Heer”.

Ontzetting bij Jozef wanneer hij het bericht van Maria verneemt. Veel vertwijfeling en wanhoop wat nu te doen.

Jozef: nu herhaalt zich de geschiedenis van Adam aan mij persoonlijk.

Na een moeilijke overweging besluit Jozef, dat Maria naar elders moet verhuizen.

De tempeldienaren komen er ook achter en spreken schande over Jozef en Maria.

Zij moeten de vernederingen ondergaan van een gemeen verhoor.

Toch kunnen zij niet tegen het verweer van Jozef en Maria op.

In een droom heeft Jozef van Godswege  begrepen dat het Gods Plannen zijn.

Zo wordt Maria de tweede vrouw van Jozef.

Het geboren worden van Jezus in een bergplaats voor herders is met veel overwinningen en onzekerheden gepaard gegaan.

De plotselinge vlucht naar Egypte en de vele aanslagen door kwaadaardige ongelovigen stellen Maria en Jozef  vele malen op de proef.

Hun terugkeer in Bethelehem is heel vervelend. Hun huis is afgenomen door Jaïrus wiens dochter eerder door Jezus is genezen en door de tempel worden zij genegeerd.

Inmiddels is de oude Jozef overleden.

Het blijft beproeving op beproeving.

Voeg hier nog aan toe;

De gevangenneming van Jezus – onrechtvaardig verhoor – schijnrechtspraak- veroordeling tot de dood aan het kruis –  zeer wrede martelingen vooraf – de vernederingen bij Herodes, die Jezus met een wit kleed van onderwerping terugstuurt naar Pilatus. 

Tenslotte de zeer martelende kruisweg en de zo wreed mogelijke kruisiging.

Het zwaard dat haar hart doorboort is zichtbaar en zeer zwaar!

Tot haar hemelvaart is zij door de Tempeldienaren volkomen buitengesloten.

In het leven van Jezus en Maria is zichtbaar geworden hoe vér de satan en zijn duivels gaan in hun dwingen hun wegen te gaan met hun wereldse en aardse verlangens.

Duidelijk is dat de satan daarvoor vele mensen tracht tot een duivel te maken.

Tot het laatste moment van je overgang naar Gene zijde.

Daarom openbaart de Heer nogmaals zijn waarheid en waarschuwt hij u vandaag weer met de Woorden aan het kruis. Het Testament van uw Messias, De Zeven Kruiswoorden.

Op afstand zien we nog enkele leerlingen. Petrus is na zijn val door diep berouw gegrepen.

Hij volgt zijn Meester lange tijd, haakt af en kon het niet langer aanzien. Hij wil alleen zijn.

Nicodemus de tempeloverste is in het geheim leerling van Jezus. Hij wilde Jezus nog beschermen, want hij vreesde de tempel met haar plannen.

Hij laat zich overtuigen dat dit alles moet geschieden.

Jozef van Arimathea staat zijn graf af aan Jezus. De grond heeft hij gekocht van Nicodemus.

Vele aanwezigen op afstand verzameld  zijn sprakeloos. Grieken, Romeinen en Joden, in het geheim leerling van Jezus.

Allen horen nog iemand wanhopig wegrennen, luid schreeuwend……..”Wat heb ik gedaan!” 

Neemt u nu uw plaats in en ontvang in uw hart het liefdevol testament van de Heer Jezus Christus waarin u gelooft.

Maart 2008 

Diaken Th. H.Midden

 Het Boekje Over Jezus

OVER DE INHOUD

Het leven hier op onze planeet Aarde is maar tijdelijk; het is een tijdelijk proefleven voor overigens  eeuwig levende mensen.

Met een geheel vrijgelaten wil word je hier onder allerlei omstandigheden er keer op keer op beproefd in hoeverre je ervoor kiest je Schepper en je medemensen lief te hebben – in plaats van alleen jezelf.

Zolang je hier leeft krijg je de gelegenheid om jezelf hierin te verbeteren.

De Aarde is dus een Levens-Universiteit waarop je kunt leren liefhebben.

Onze kinderen worden hier geboren om die leerschool te kunnen volgen – dat is de enige reden van hun geboorte.

Want wil een mens volkomen gelukkig worden, dan moet hij uit vrije wil voor de liefde van het hart kiezen.

Het is dus van het grootste belang voor het eeuwige geluk van onze kinderen, dat wij, aardse ouders, hen in deze zin opvoeden.

De beste manier is natuurlijk om als ouders zelf het goede voorbeeld te geven, en zelf een heel liefdevol en dienstbaar leven te leiden.

Echter, wij ouders zijn vaak zwak; wij falen dikwijls in dit opzicht.

Misschien kan dan dit boekje helpen om onze jonge kinderen voor te houden waarom ze op de wereld gekomen zijn.

VERANTWOORDING

Dit boekje is niet gebaseerd op eigen opvattingen, maar op de nieuwe openbaringen van Jezus.

Velen menen dat er na het heengaan van Jezus geen nieuwe openbaringen meer zijn geweest; maar dat is onjuist. Sindsdien zijn er in iedere “eeuw” mensen geweest die vanuit de goddelijke leiding kregen ingegeven wat op dat moment van belang was te vernemen.

De meest omvattende goddelijke openbaringen van de afgelopen 2000 jaar ontving Jakob Lorber (1800-1864).

De eerste zinnen die hij (in zijn hart) hoorde waren:

“Zo spreekt de Heer tot iedereen, en dit is waar, getrouw en gewis:

Wie met Mij spreken wil, kome tot Mij en Ik zal hem het antwoord in zijn hart leggen. Echter alleen maar de reinen, wier hart vol deemoed is, zullen de klank van Mijn stem vernemen.

En wie Mij boven alles in de wereld verkiest, Mij liefheeft zoals een tedere bruid haar bruidegom, met die wil Ik arm in arm gaan. Hij zal Mij altijd zien als de ene broeder de andere, zoals Ik hem al zag van eeuwigheid her, voordat hij nog was.”

Het werk van Lorber omvat meer dan 20 boeken van 500 bladzijden elk. Hij ontving dit in jaren van betrekkelijke rust, maar het is vooral bedoeld voor de roerige tijd daarna, die z’n climax heeft in ónze tijd. Want wij leven nu in de eindtijd van de 2000 jaar durende periode van ontwikkeling van de mensheid, na Jezus.

Deze openbaringen kun je alleen goed verstaan met behulp van de liefde in je hart, zegt de Heer. Want zonder liefde kan God – die de Liefde Zelf is – onmogelijk gekend worden.

Ger van Dijk.

HET  BOEKJE  OVER  JEZUS

In dit boekje vertellen we een heleboel over Jezus, want Jezus is de allerliefste die er bestaat. Ook voor jou is hij heel lief, daarom is het heel fijn als je hem leert kennen.

Jezus is eigenlijk je grootste vriend, die elk moment van de dag voor je zorgt. Ook al zie je hem niet, hij is toch altijd bij je.

En – dat wist je misschien niet – maar je kunt ook altijd met hem praten, van binnen in jezelf.

Je kunt Jezus meestal niet zien, maar je kunt hem wel voelen. En dat is een heel blij gevoel, van binnen, in je hart.

Misschien denk je dat het wel een beetje gek is om in je hart te gaan praten met Jezus, maar heus, dat kan heel goed, en dat kan ook heel stilletjes, zonder dat anderen het merken.

Als je verdriet hebt, of boos bent, of blij, dan kun je altijd daarover met Jezus praten of bidden, in het geheim, zonder dat andere mensen het hoeven te horen.

Maar Jezus hoort jou altijd heel goed en jij kunt ook wel eens van binnen voelen hoe lief hij is en hoeveel hij van jou houdt.

Hoe kan dat nu eigenlijk? Wel, dat komt omdat Jezus helemaal hetzelfde geworden is als God. En God – dat heb je misschien wel eens gehoord – die kan alles, want God heeft alles gemaakt wat er  bestaat.

Eerst was Jezus nog een gewoon mens hoor, net zo’n mens als jij; maar hij was wel de aller, allerliefste. En God was daar toen zo blij om, dat hij voor altijd bij Jezus wilde zijn en in Jezus is gaan leven.

Toen is Jezus dus helemaal hetzelfde geworden als God.

We gaan in dit boekje eerst even praten over God en over engelen en over de hemel. En dan praten we ook nog eventjes over jou, en over hoe God jou gemaakt heeft.

Maar daarna gaan we het allermeeste praten over Jezus.

OVER GOD, DE HEMEL EN DE ENGELEN

Heel, heel lang geleden was er eerst nog helemaal niets. Alleen God was er. God weet alles en God kan alles en God is het liefste van alles – net zo lief als Jezus.

Maar God is niet een mens. Je kunt hem helemaal niet zien.

God is eigenlijk net zoiets als jouw denken, want dat denken van jou kun je ook niet zien, maar het is er wel natuurlijk.

En toen dacht God: “Het is helemaal niet leuk dat ik helemaal alleen ben en dat er verder niks is. Weet je wat, ik ga een hemel maken met engelen en ik ga ook allemaal sterren maken en werelden. En ik ga een aarde maken, met bloemen, vogels, bomen en zeeën, en met dieren en mensen.”

“Want mensen vind ik heel leuk”, dacht God, “en als er lieve mensen zijn, dan voel ik me vast niet meer alleen.”

Nou, en toen maakte God eerst een hemel, met heel veel engelen.

God ging in die hemel wonen, want in de hemel was iedereen lief.

De engelen die God gemaakt heeft, die zien er net zo uit als mensen, maar dan heel, heel mooi, met prachtige witte kleren.

Die engelen helpen God bij alles, en die kunnen eigenlijk alleen maar precies doen wat God wil, daarom noemen we ze echte gods-engelen.

Ze zeggen wel eens dat engelen ook vleugels hebben, om overal naar toe te kunnen vliegen, maar dat is niet zo hoor. Dat hoeft ook helemaal niet, want engelen kunnen overal naar toe gaan, alleen maar door te denken aan waar ze naar toe willen.

Als ze bijvoorbeeld denken: Ik wil naar de maan, dan zijn ze er al op hetzelfde moment; dat gaat nog vlugger dan met een raket.

Engelen hebben dus geen vleugels nodig en ook geen auto of zo – ze denken zich overal naar toe.

God vindt die gods-engelen best wel leuk, maar toch wil hij het liefste dat er ook mensen in zijn hemel komen wonen. Maar ja, dat gaat niet zo makkelijk, want die mensen moeten daarvoor eerst helemaal lief willen zijn, net zo lief als de gods-engelen.

Weet je, die gods-engelen die kúnnen eigenlijk alleen maar lief zijn. Ze kunnen er niet voor kiezen om stout te zijn, omdat God ze zo gemaakt heeft. Maar mensen moeten er eerst nog helemaal uit zichzelf voor kiezen dat ze lief willen zijn, en niet stout.

En als mensen ervoor kiezen dat ze lief willen zijn, dan kunnen ze echte mens-engelen worden in de hemel van God. En dat vindt God het aller, aller leukste, omdat die mensen helemaal uit zichzelf ervoor gekozen hebben dat ze hartstikke lief willen zijn.

Wist je waarom God onze aarde gemaakt heeft? Wel, dat heeft hij gedaan om daar mensen te laten leven, zodat ze kunnen leren ervoor te kiezen dat ze alleen maar lief willen zijn.

Dus, als je heel lief geworden bent dan kun je later een mens-engel worden in de hemel van God, waar het altijd heel erg leuk is, het leukste van de hele wereld.

Maar, hier op de aarde zorgt God ook al heel goed voor je natuurlijk. Want hij zorgt ervoor dat je de goeie lucht krijgt om in te ademen. En hij laat groenten en vruchten groeien om te eten, en aardappels en rijst.

En heb je wel eens gehoord waar ze kleren van maken? Dat maken ze bijvoorbeeld van vlas en katoen, en van wol van schapen. En dat laat God ook allemaal groeien.

Ook zorgt hij ervoor dat er water is, en melk van de koeien, zodat je kunt drinken.

Zie je, omdat God zo goed voor al die dingen zorgt, daarom kun jij hier op de aarde leven. Goed hé? 

OVER JOU

God heeft ook jou gemaakt.

Jij bent dus eigenlijk niet alleen een kind van jouw papa en mama, maar je bent ook nog eens een kind van God in de hemel.

God is eigenlijk jouw Vader-God, want hij heeft jou laten groeien in de buik van je mama.

Daarom houdt jouw Vader-God heel, heel veel van jou.

En jij bent nog veel meer dan je misschien wel denkt.

Want wat je van jezelf ziet en voelt, dat is alleen nog maar de buitenkant, en dat is je lichaam, of – wat we ook wel zeggen – je lijf.

Maar, van binnen ben je er ook nog eens een keer.

Van binnen ben jij er met je ziel.

Jouw ziel is er wel, maar je kunt ‘m niet zien.

Je ziel heeft precies hetzelfde als je lijf.

Je zit eigenlijk met de handen van je ziel in de handen van je lijf, en met het hoofd van je ziel in het hoofd van je lijf en met het hartje van je ziel in het hartje van je lijf.

Zo zit dus alles van je ziel in alles van je lijf.

Jij weet nu helemaal niet meer dat jij in je ziel al heel lang bestaat. Maar, echt waar hoor, jij bent er misschien al langer dan duizend-miljoen jaren. Maar daar weet je niks meer van, want Vader-God heeft het zo gemaakt dat als je op de aarde geboren wordt, dat je dan alles van vóór je geboorte weer helemaal vergeten bent.

Hier op de aarde heb je een lijf nodig, en om daarvoor te zorgen heeft God je lijf laten groeien in de buik van je mama, en heeft hij je hier als een baby geboren laten worden.

God heeft dus jou met je ziel in dat babylijfje gedaan.

Maar, vóór dat lijfje in de buik van jouw mama groeide, toen was jij er dus ook al hoor. Toen was jij er al in je ziel.

Die ziel van jou kun je hier op de aarde helemaal niet zien, maar in de hemel wel. In de hemel ziet jouw ziel er net zo uit als je lijf hier op aarde.

Gek hé? Maar dat komt omdat je ziel van heel ander spul is gemaakt als je lijf. Dat zielespul is zó dun, dat je het hier op aarde helemaal niet kunt zien met de ogen van je lijf. Want je ziel lijkt hier op aarde helemaal doorzichtig.

Maar als je in de hemel komt, dan kun jij je ziel wél zien als je naar jezelf kijkt met de ogen van je ziel. Want in de hemel gaan de ogen van je ziel open. En daar voel je je eigen ziel ook heel gewoon – dat voelt net zo gewoon als je lijf hier op de aarde.

Wist je trouwens dat je in de hemel nooit naar de W.C. hoeft?

Dat is wel leuk nietwaar? Dat komt omdat je daar nooit meer hoeft te eten, want je ziel blijft vanzelf altijd goed. Je kunt daar wel een boel lekkere dingen proeven, maar die gaan dan gewoon weer weg, als je ze op hebt. Er blijft helemaal niets van over, en daarom hoef je nooit naar de W.C. Makkelijk hé?

En weet je wat helemaal leuk is? Dat is dat jij er altijd zult blijven, want God heeft jouw ziel zo gemaakt dat-ie nooit kapot kan gaan.

Je lijf van de aarde kan wel kapot gaan. En als je oud wordt dan zal je lijf vast ook wel een keertje doodgaan.

Maar jij gaat dan niet dood, want dan haalt een gods-engel je gauw uit je lijf, en die brengt je dan naar de zielewereld.

En als God dan in die zielewereld ziet dat jij lief geworden bent, dan laat hij jou naar zijn hemel brengen en dan kun je daar een echte mens-engel worden en dan ga je voor altijd bij jouw lieve Vader-God in de hemel wonen en hem helpen.

En misschien zijn jouw mama en papa, of andere lieve mensen die je kent, dan ook al in de hemel; en dan kun je daar met z’n allen verder leven.

Dat is natuurlijk het leukste wat er is.

Maar in de hemel mogen echt alleen maar lieve mensen komen.

Wat moet er dan gebeuren met mensen die nog helemaal niet lief zijn, als hun lijf doodgaat?

Tja, dan moeten die mensen eerst nog ergens anders naar toe, waar het helemaal niet zo leuk is, en waar ze eerst moeten leren om lief te worden.

Maar, als ze echt hun best gaan doen om lief te zijn, dan mogen zij ook naar de hemel.

Je bent dus hier op de aarde geboren om heel goed te leren een lief mens te worden.

Natuurlijk doe je ook wel eens stoute dingen. Maar als je daar spijt van hebt, dan is dat niet zo erg, als je maar leert dat je stoute dingen niet meer wilt doen.

En als dat wel eens niet makkelijk lukt? Nou dan wil Jezus, die in je hart is, jou daar heel graag bij helpen.

Daarom is het heel goed om in jezelf met Jezus te praten over alle dingen die je belangrijk vindt, en die je moeilijk vindt.

Hoe kan het nou dat Jezus in je hart is, want Jezus is toch hetzelfde als Vader-God, en die is toch altijd in de hemel?

Ja, dat is wel zo, maar toch kan dat heel goed, want daar heeft God voor gezorgd. Hij heeft het zo gemaakt dat er in het hart van jouw ziel een piepklein kamertje is, dat helemaal bij de hemel hoort en aan de hemel vastzit.

Daarom kan Jezus, die in de hemel woont, altijd meteen in dat kleine hemelkamertje in jouw hart komen. Want hij kan zich daar meteen naar toe denken en hij kan zich net zo klein maken als hij wil.

En als jij lief bent en veel van hem houdt, en ook veel van mensen houdt, dan doet hij de deur van dat hemelkamertje open en dan komt hij te voorschijn in jouw ziel.

Je ziet hem dan misschien niet, maar dan kun je wél altijd binnen in jezelf met hem praten. En dan kan hij jou laten voelen hoe lief hij is. En als jij dát voelt, dan ben je het aller, aller gelukkigst!

OVER JEZUS

Eerst was Jezus een mens-engel

Jezus is dus eerst een heel gewoon mens geweest, net zo’n mens als jij, en pas later is hij hetzelfde als God geworden, omdat God toen voor altijd in Jezus ging leven.

Toen Jezus nog een gewoon mens was, was hij al heel lief geworden en daarom woonde hij al in de hemel bij God. Hij was al een mens-engel geworden. Eigenlijk was hij de allerliefste mens-engel.

In de hemel zag Jezus dat de mensen op de aarde ongelukkig waren en niet lief. En ze wisten ook niet meer hoe lief God was.

Daarom wilde Jezus naar de aarde gaan om de mensen over God te vertellen en te zeggen dat ze lief moesten zijn, omdat ze dan mens-engelen konden worden en altijd heel gelukkig bij God in de hemel konden gaan wonen.

Jezus in de buik van Maria

Toen Jezus met zijn hemelziel naar de aarde wilde gaan, moest hij natuurlijk ook een aardelijf hebben, want anders zouden de mensen hem niet kunnen zien.

Toen ging God ervoor zorgen dat er een baby’tje ging groeien in de buik van een heel jonge mama. Die mama was nog maar veertien jaar oud. Ze heette Maria en woonde in het land Palestina.

En God deed toen Jezus met zijn ziel in dat baby’tje in de buik van Maria.

Maria was net komen wonen in het plaatsje Nazareth, bij een oude timmerman die huizen bouwde en die Jozef heette.

Jozef was al zeventig jaar en hij had al vijf grote zonen, maar hij had zijn vrouw niet meer, want die haar lijf was al dood gegaan.

Jozef was een heel eerlijke man en hij wist een heleboel dingen. Daarom hadden de mensen in dat land Jozef uitgekozen om voor Maria te zorgen, en haar pleegvader te zijn.

Maar toen het baby’tje in de buik van Maria ging groeien, werd haar buik dikker en toen konden de mensen dat zien. En toen zeiden ze dat Jozef stiekem met Maria was getrouwd, en dat daarom  het baby’tje was gaan groeien.

Maar dat was echt niet zo, want God had het immers laten groeien.

Het vloekwater

Maar de mensen geloofden dat niet en daarom moesten Jozef en Maria toen voor straf heel giftig vloekwater drinken.

Het was eigenlijk altijd zo, dat als je vloekwater had gedronken, dat je dan heel gauw dood ging. Maar Jozef en Maria gingen helemaal niet dood, ze bleven springlevend!

En toen zeiden de mensen: “Hé, dat is een groot wonder zeg, dat ze nog leven, daar heeft God vast voor gezorgd. Dus vindt God vast ook dat Jozef en Maria niets verkeerd hebben gedaan.”

“Maar”, zeiden de mensen verder, “we vinden wel dat ze nu met elkaar moeten trouwen. En toen zijn de oude Jozef, en Maria – die net vijftien geworden was – met elkaar getrouwd.

Op weg naar Bethlehem

In die tijd was de keizer van Rome de baas in Palestina. En die keizer had gezegd dat alle mensen in dat land geteld moesten worden, want hij wist niet precies hoeveel mensen er woonden.

Toen moesten Jozef en Maria en de vijf zonen van Jozef heel ver reizen naar een plaatsje dat Bethlehem heette. Want daar moesten ze geteld worden door een hoofdman van de soldaten van de keizer.

Het kindje in de buik van Maria was toen al heel veel gegroeid en dus was het voor Maria met haar dikke buik niet makkelijk om ver te reizen. Jozef liet haar daarom maar op een ezeltje rijden.

Ze hadden ook nog een grote kar bij zich, maar daar kon Maria  niet op zitten, want die was al helemaal vol met kleren en eten voor onderweg. Ook hadden ze al luiers en schone doeken bij zich voor als het kindje geboren zou zijn.

Die kar werd getrokken door een os – dat is een soort koe.

De reis duurde zó lang en Maria werd zó moe, dat ze tegen Jozef zei: “Jozef, nu kan ik echt niet meer verder hoor, ik ben nu heel erg moe en ik voel trouwens ook dat het kindje geboren wil worden.”

Ze waren toen nog lang niet in Bethlehem, want daarvoor moesten ze nog bijna zes uur reizen, omdat ze zo langzaam gingen.

En daar was nergens een huis of een schuur of zo.

In de grot

Maar toen zag Maria daar in de buurt een soort van grot. Dit was eigenlijk een hol in een berg. In die grot gingen herders wel eens met hun schapen en andere dieren schuilen, als het heel koud was, of als het heel hard regende.

Gelukkig maar dat Maria die grotstal had gezien. Ze gingen er gauw naar binnen, met de os en de ezel en de kar, want het was buiten hartstikke koud.

Alles kon er makkelijk in, want het was een heel grote grot.

Toen maakten ze voor Maria gauw een bed van wat hooi en stro dat daar lag, zodat ze wat kon uitrusten.

En toen het kindje uit haar buik gekomen was, deed ze er een lekker warme doek om en legde het dicht tegen zich aan op het strobed.

Jozef en Maria waren heel blij met het mooie kindje.

Toen gingen de os en de ezel dichtbij het strobed op de grond liggen en gingen met hun warme adem over Maria en het kindje blazen, zodat ze niet koud konden worden.

Zingende licht-engelen en herders

De volgende morgen, toen het nog een beetje donker was, hoorden ze dat er buiten de grot ontzettend mooi gezongen werd.

Toen ze gingen kijken, zagen ze dat de hele lucht vol was met engelen, die prachtig zongen en allemaal licht uitstraalden.

De herders, die daar buiten bij hun dieren in het veld waren, zagen en hoorden natuurlijk ook die hele lucht vol zingende engelen.

Ze begrepen dat er wel iets heel bijzonders aan de hand moest zijn.

Toen gingen twee grote licht-engelen met de herders naar de grot, en daar zagen ze het kindje dat pas geboren was, maar dat al heel blij naar hen ging zwaaien met zijn handjes.

Dat was wel heel bijzonder natuurlijk, want pasgeboren baby’tjes kunnen dat meestal helemaal nog niet.

En alle herders en alle engelen gingen toen in de grot voor het kindje knielen en bidden, omdat ze wisten dat Vader-God, die de hele wereld en alles gemaakt heeft, in dit blije kindje op de wereld gekomen was.

Het helpen door hoofdman Cornelius

Toen werd Jozef een beetje ongerust dat ze te laat zouden komen  om geteld te worden in Bethlehem.

Maar eigenlijk hoefde hij daar helemaal niet bezorgd om te zijn, want God zorgde ervoor dat die hoofdman, die hen moest tellen, zelf al naar hun grot toe kwam.

Dat was natuurlijk wel vreemd dat die Romeinse soldaten hoofdman in de gaten had dat er in die grot iets heel bijzonders was.

Hij ontdekte dat daar de Koning van alles en heel de wereld in een mensen-baby’tje geboren was.

Die hoofdman, die Cornelius heette, ging er toen voor zorgen dat zijn soldaten tenten gingen opzetten in die koude grot. En in die  tenten kwamen bedden met beddengoed, want dat was veel warmer en veel gezelliger.

Ook gingen ze toen nog een kookkachel in die grot zetten, waarin ze een houtvuur stookten, zodat het er lekker warm werd.

Nu hoefden de os en de ezel niet meer steeds over Maria en het kindje te ademen, om hen warm te houden.

Maria noemde haar kindje Jezus. Ze wist dat hij zo moest heten, omdat een engel dat op een keer tegen haar gezegd had.

Die engel zei toen trouwens ook dat Vader-God uit de hemel in Jezus zou gaan leven en wonen.

Zo wisten Maria en Jozef dat Jezus een heel bijzonder kindje was.

Toen Maria niet meer op bed hoefde te liggen, ging ze het kindje steeds dragen. Maar daar werd ze wel een beetje moe van en daarom gingen ze toen een bedje voor Jezus maken.

Ze maakten het bedje in een voerbak voor de schapen; zo’n voerbak noemen ze ook wel een kribje.

Ze deden stro en hooi en schone doeken in het kribje.

Dat was een heerlijk warm bedje, waar Jezus mooi in kon liggen.

Al die tijd dat ze in de grot woonden, stonden er buiten de grot soldaten van de hoofdman Cornelius, om de wacht te houden. Want ze dachten  dat de hele wereld al die licht-engelen in de lucht wel zou hebben gezien en gehoord. En ze waren bang dat er een heleboel mensen naar de grot zouden komen, en misschien ook wel slechte mensen.

De drie wijzen uit het Oosten

De hoofdman liet zijn soldaten heel goed uitkijken. En die zagen toen op een dag dat er drie mannen op kamelen aan kwamen rijden. Dat waren de drie wijzen uit het Oosten, en die heetten Caspar, Melchior en Balthasar.

Deze drie wijze mannen wisten een heleboel over de sterren en over God in de hemel. Ze hadden in hun land, ver weg in het Oosten, in hun heilige boeken over Vader-God gelezen.

In die boeken stond dat er in dat land van Jozef en Maria een heel belangrijke koning geboren zou worden.

En toen zagen ze een ster die hun de weg ging wijzen naar de plek waar dat koningskindje geboren was.

Wij weten natuurlijk allang dat die heel belangrijke koning Vader-God is, die in het baby’tje Jezus geboren was, maar dat wisten die drie mannen toen nog niet.

De drie wijze mannen gingen op hun kamelen achter de ster aan, en ze stopten toen die ster stil bleef staan boven de grot waar het kindje Jezus was geboren.

Ze snapten helemaal niet dat die ster zomaar kon blijven stilstaan, want ze wisten niet dat het eigenlijk geen echte ster was, maar dat het een heel grote groep licht-engelen was, die hoog in de lucht heel veel licht uitstraalden.

Het leek wel een ster, zoveel licht straalden ze uit.

Cornelius, de hoofdman, vroeg aan Jozef of de drie wijzen in de grot mochten, en dat vond Jozef goed.

Toen de drie mannen binnenkwamen zagen ze het kindje, dat heel mooi was en dat een prachtig licht uitstraalde.

Ze begrepen toen dat in dit kindje dat daar in zijn kribje lag, de grote Vader-God die alles gemaakt heeft, op de aarde was gekomen.

En ze waren toen zo verschrikkelijk blij en gelukkig, dat ze op hun buik op de grond gingen liggen en zo wel een uur lang heel blij naar God in het kindje Jezus gingen bidden.

Daarna haalden ze heel dure cadeautjes uit de grote zakken die ze op hun kamelen hadden meegenomen. Die cadeautjes waren voor het kindje Jezus, voor Maria en voor Jozef.

De wijze Caspar gaf een zak vol dure wierook, wat heel lekker ruikt. En de zwarte wijze man Melchior gaf een zak vol met goud. En de wijze Balthasar gaf een zak vol met goud-myrrhe, wat heel lekker was als je het door je warme eten deed, maar wat verschrikkelijk duur was.

Die cadeautjes waren dus eigenlijk een heel dure schat.

Hierna gingen de drie wijze mannen weer naar hun land terug.

De boze koning Herodes

De nacht daarna kwam er een engel bij Jozef en Maria en die zei dat ze gauw moesten vluchten naar een ander land, dat Egypte heet.

Hij ging hen waarschuwen omdat Herodes, een boze koning die daar in de buurt woonde, heel slechte dingen wilde gaan doen.

De engel had vanuit de hemel gezien dat Herodes alle pas geboren jongetjes in de buurt van Bethlehem wilde doodmaken.

De slechte Herodes had namelijk van de drie wijzen uit het Oosten gehoord dat er een nieuwe koning geboren was, en hij wilde niet dat er een nieuwe koning kwam, omdat hij zelf altijd koning wilde blijven.

Gelukkig maar dat de engel hen had gewaarschuwd en ook gelukkig dat ze die schat van de drie wijzen uit het Oosten hadden gekregen. Want nu kon Jozef er nog zes ezeltjes bij kopen en daarmee konden ze vlug over de bergen naar Egypte gaan, zonder dat Herodes het merkte.

De reis naar Egypte

De mensen in de buurt van de grot merkten helemaal niet dat ze op reis gingen, want Vader-God had ervoor gezorgd dat het erg mistig was en zo kon niemand zien dat ze weggingen.

Ze gingen toen eigenlijk helemaal de verkeerde kant uit, want ze gingen steeds verder bij Egypte vandaan, in plaats van er naar toe. Egypte lag in het zuiden en zij kwamen toen helemaal in het noorden terecht, bij een plaats aan de zee die Tyrus heet.

Bij de onderkeizer Cyrenius

Maar weet je, daar had Vader-God eigenlijk voor gezorgd. Want in Tyrus woonde de broer van de soldaten hoofdman Cornelius.

Die broer, die Cyrenius heette, was eigenlijk de onderkeizer van Rome; hij was de baas over al die landen daar, en ook over Egypte.

De hoofdman Cornelius had aan Jozef een brief meegegeven voor zijn broer Cyrenius. In die brief stond dat Jozef en Maria en het kindje heel lief waren en dat Cyrenius goed voor hen moest zorgen. 

Nou, dat deed Cyrenius hoor! Want weet je wat hij deed? Hij liet hen in zijn eigen huis komen om te eten en om uit te rusten van de lange reis op de ezeltjes.

Het wegsmelten van de beelden van afgoden

Omdat hij een heel belangrijke onderkeizer was, zag het er in dat huis schitterend uit; allemaal heel mooie dingen.

Er waren daar ook veel prachtige beelden en die beelden waren de goden van de Romeinen. Want de Romeinen wisten toen nog niet dat er maar één God is, wat wij wel weten; want dat is Vader-God.

Cyrenius hield heel veel van kinderen. Maar hij en zijn vrouw hadden zelf geen kinderen, daarom hadden ze een heleboel weeskinderen in hun huis opgenomen, om voor ze te zorgen – want weeskinderen hebben geen eigen papa en mama meer.

Cyrenius vond ook het kindje Jezus heel leuk en hij vroeg aan Maria of hij het een poosje op de arm mocht hebben.

Zo liep hij met Jezus op z’n arm langs die prachtige beelden van de Romeinse goden.

Maar toen gebeurde er iets heel raars, toen gingen die beelden opeens allemaal stuk. Ze smolten helemaal weg!

Nou, daar schrok Cyrenius wel van zeg, en hij vroeg aan Jozef hoe dat kwam. En Jozef zei toen dat er maar één echte God is en dat is Vader-God die alles kan, en dat God in het kindje Jezus was, en dat God in het kindje Jezus al die verkeerde beelden had laten wegsmelten.

En Cyrenius, die het kindje toch al ontzettend lief vond, ging toen helemaal geloven dat de enige Vader-God in het kindje was, en hij ging naar God in het kindje bidden en werd heel blij en gelukkig.

Met een schip naar Egypte

Daarna zorgde Cyrenius ervoor dat ze met hem mee konden varen  op een groot schip dat naar Egypte ging, want dan hoefden ze niet meer op ezeltjes te rijden. Maar ze namen de ezeltjes wel mee.

In Egypte kwamen ze met het schip aan in de haven van het stadje Ostracine.

Daar kocht Cyrenius van een vriend van hem een groot buitenhuis. Dit huis stond buiten in het veld, op ongeveer een kilometer afstand van het stadje.

In dit mooie huis konden Jozef en Maria en Jezus en de vijf zonen van Jozef veilig wonen, want de slechte koning Herodes, die Jezus wilde vermoorden, zou hen daar nooit kunnen vinden.

De straf voor de gemene koning Herodes

Daar in Egypte ging de nog heel kleine Jezus soms al praten. En dat was een ander soort praten dan bij gewone mensen, want als je verder bij het kindje vandaan stond, dan kon je het even goed verstaan als wanneer je er dichtbij was.

Een gewoon baby’tje zou dat niet kunnen, maar hij wel, omdat Vader-God in hem was als hij praatte.

Meestal was Jezus een heel gewoon kindje hoor, die veel moest slapen en drinken. Maar soms, als er bijzondere dingen aan de mensen verteld moesten worden, dan was het niet meer gewoon, want dan ging Vader-God door de mond van de kleine Jezus praten.

Zo ging het kindje bijvoorbeeld ook praten toen ze allemaal gehoord hadden dat die slechte koning Herodes al heel veel kleine jongetjes in de buurt van Bethlehem had laten doodmaken.

Je weet misschien nog wel dat die koning bang was dat één van die jongetjes de nieuwe koning zou worden en dat wilde hij niet. Hij wilde zelf de koning blijven, met een koningskroon op zijn hoofd.

Nou, en toen zei Vader-God door de mond van de kleine Jezus dat die gemene en slechte koning een heel speciale kroon op zijn hoofd zou krijgen, die hem heel veel pijn zou doen.

En weet je wat er toen op hetzelfde ogenblik met die Herodes gebeurde? Toen kreeg hij op datzelfde ogenblik een heleboel luizen op zijn hoofd. Die speciale kroon op het hoofd van koning Herodes dat waren dus al die luizen. En die luizen beten telkens weer in zijn hoofd, waardoor het heel erg zeer deed en verschrikkelijk jeukte.

Er was geen enkele dokter die die luizen weg kon krijgen. Hij kreeg er alleen maar meer en meer. En dat duurde wel een jaar of twee, en toen ging die gemene Herodes eindelijk dood door die kroon van bijtende luizen op z’n hoofd!

Terug naar Nazareth in het eigen land

Na de dood van Herodes was het weer veilig voor Jezus en zijn familie om terug te gaan naar hun eigen land.

Ze gingen toen allemaal weer op hun ezeltjes rijden en gingen uit Egypte terug naar hun eigen land, naar het stadje Nazareth, waar ze vroeger ook gewoond hadden.

Alleen Jezus, die nu drie jaar was, had daar natuurlijk nog nooit gewoond, want hij was immers in de grot geboren en daarna naar Egypte gegaan.

In Nazareth deed Vader-God heel vaak wonderen door Jezus, maar ze wilden liever niet dat daar veel over gepraat werd, want dan zouden alle mensen van het land naar de kleine Jezus toe komen en dan zou hij niet gewoon rustig kunnen leven en groot worden.

Het moest toen nog geheim blijven dat Vader-God in Jezus was.

De vogeltjes van klei die levend werden

Jezus was eigenlijk altijd vrolijk. Daarom gingen de kinderen bij hem in de buurt graag met hem spelen, en ook omdat hij steeds leuke spelletjes wist te bedenken.

Op een keer, toen hij vijf jaar oud was, deed hij weer een wonder.

Hij maakte 12 kuiltjes in de grond en daar deed hij schoon water in en toen maakte hij bij elk kuiltje een vogeltje van klei.

Toen zei hij dat die dode vogeltjes van klei eigenlijk de mensen van de wereld voorstelden, en die kuiltjes met schoon water dat waren eigenlijk de woorden van Vader-God, de woorden die zeiden hoe je moest leven en dat je lief moest zijn.

Jezus zei toen ook dat de mensen van de wereld niet naar de woorden van Vader-God wilden luisteren, en dat dit net zoiets was als de dode kleivogeltjes die niet van het schone water gingen drinken.

En dat was helemaal niet goed, want mensen kunnen beter doen wat Vader-God gezegd heeft.

Toen kwam er een nare en strenge man bij de spelende kinderen en die zei dat ze niet mochten spelen, omdat het zondag was.

Maar Jezus zei dat dat best mocht.

En daarna zei hij tegen de kleivogeltjes: “Wordt levend”.

En toen gebeurde er een wonder, want toen werden die vogeltjes van klei helemaal levend, en ze vlogen weg.

De strenge man schrok zo van dit wonder dat-ie niets meer durfde te zeggen.

De straf voor de verwende jongen

Maar toen hoorden ook de mensen in de buurt natuurlijk al gauw wat er gebeurd was en toen kwam er ook een verwende jongen aanlopen, een jongen die enig kind was.

Die jongen was zeven jaar; hij maakte altijd ruzie en vernielde vaak het speelgoed van de andere kinderen. Die vervelende jongen zei toen dat Jezus stom had gedaan en hij sloeg met een boomtak het water uit de kuiltjes en maakte alles kapot.

Vader-God in Jezus werd toen heel erg boos.

En Jezus zei tegen de jongen: “Het moet nu maar eens afgelopen zijn met dat stoute gedoe van jou, daarom zullen jij en die boomtak nu meteen gaan verdorren, en jij zult drie jaar lang helemaal uitgedroogd zijn.”

Op hetzelfde ogenblik viel die jongen op de grond en werd zo mager dat je al z’n botten kon zien.

De ouders van de jongen waren natuurlijk heel erg verdrietig en droegen huilend hun kind naar huis.

Maar ja, het was ook wel een beetje hun eigen schuld. Ze hadden hun zoontje immers zo verschrikkelijk verwend, en daardoor was hij zo vervelend geworden.

Pas drie jaar later werd de verschrompelde jongen weer helemaal gezond. Hij had toen ook helemaal goed begrepen dat hijzelf erg stout was geweest en dat Jezus eigenlijk heel lief was.

Jezus en de slechte leraar

Jezus was nog nooit naar school gegaan, want dat hoefde eigenlijk ook niet. Hij wist immers alles al, door Vader-God in hem.

Maar toen hij een jaar of tien was, leek het hem toch leuk om, net als de andere kinderen, gewoon naar school te gaan.

De leraar waar Jezus bij kwam was eigenlijk helemaal geen aardige man. Hij was heel eigenwijs en hij dacht van zichzelf dat hij heel erg knap was.

Toen Jezus op een keer iets aan de leraar vroeg, waar hij het antwoord niet op wist, werd hij opeens zo kwaad dat-ie Jezus met het aanwijsstokje op het hoofd sloeg. Dat deed natuurlijk zeer.

God in Jezus zei toen tegen hem dat kinderen slaan niet de goede manier is om ze iets te leren.

En hij zei ook: “Wat mij betreft mag u stom worden en nog idioot bovendien, omdat u mij hebt geslagen in plaats van mij een gewoon antwoord te geven.”

Toen zakte die leraar op de grond in elkaar en begon allemaal idiote dingen te schreeuwen, en ze moesten hem vastbinden en naar een andere kamer brengen, want hij was verschrikkelijk  krankzinnig geworden.

Jezus bij de goede leraar

Jezus zei een paar dagen later tegen Jozef dat hij wel weer naar school wilde, maar dan bij een andere leraar, niet bij iemand die met een stok in zijn hand de klas binnenkomt.

De nieuwe leraar was heel anders. Hij begreep al gauw dat Jezus een heel bijzondere jongen was, een jongen die eigenlijk alles al wist en kon.

Hij ging van Jezus houden en zei: “Deze jongen weet meer dan alle leraren van de hele wereld bij elkaar.”

Toen zei Jezus: “Omdat u zo eerlijk bent en goed, daarom moet nu die andere leraar maar weer beter worden.”

En op hetzelfde moment was de eerste leraar niet meer stom en niet meer krankzinnig. Hij was weer helemaal weer beter.

Jacob gebeten door een giftige slang

De jongste zoon van Jozef heette Jacob. Deze Jacob speelde heel veel met Jezus en was vaak bij hem, om op te passen als Maria weg moest. Want de grotere zonen moesten Jozef helpen bij het timmeren en huizen bouwen.

Op een keer gingen Jacob en Jezus, die toen elf jaar oud was, hout sprokkelen. Het brandhout was op en daarom gingen ze in het bos takken zoeken voor het houtvuur in de kachel thuis.

Jacob deed eigenlijk altijd alles heel vlug. Toen hij gauw een stok van de grond wilde pakken, zag hij niet dat daar een gevaarlijke  slang onder zat, een giftige adder. Die slang beet Jacob in zijn hand. Toen werd die hand heel snel dik en Jacob viel op de grond en ging meteen al bijna dood.

Toen ging Jezus hem helpen. Hij blies op de wond in Jacob’s hand en …. meteen was Jacob weer helemaal in orde.

Maar toen werd die slang opeens heel snel dik: hij spatte uit elkaar en was direct hartstikke dood.

Jezus zei tegen Jacob: “Haastige spoed is zelden goed!

Je moet leren je niet altijd zo druk te maken om het mensenwerk van de wereld. Het is veel beter dat je je best doet om lief te zijn en naar God in je hart te luisteren. Dat is veel belangrijker dan alleen maar vlug en goed werken.”

Jacob luisterde hier heel goed naar. En hierna trok hij er zich niets meer van aan als de mensen wel eens zeiden dat hij een beetje lui was, of langzaam.

Hij ging veel meer aan Vader-God denken, en ging daardoor nog veel meer van God houden, en ook van de mensen.

En dat is natuurlijk heel goed, want om te leren lief te zijn ben je op de wereld gekomen. Dat had Jacob goed gegrepen.

Jezus in de tempel

Het laatste bijzondere dat Jezus deed toen hij nog een kind was,  gebeurde toen hij twaalf jaar oud was.

Omdat hij twaalf was geworden mocht hij met Jozef en Maria mee naar Jeruzalem, de hoofdstad van dat land. In Jeruzalem was de hoofdkerk van dat land, ze noemden dat de Tempel.

Die Tempel was heel belangrijk voor de mensen, want Vader-God had heel lang in die Tempel gewoond.

Het was feest in Jeruzalem en daarom was het er erg druk. Zo gebeurde het dat Jozef en Maria Jezus kwijt raakten in de drukte. Ze zochten hem wel drie dagen lang, maar konden hem nergens vinden.

Jozef en Maria werden toen heel verdrietig en gingen naar de Tempel om naar God te bidden en te vragen hoe het nu verder moest, want ze konden Jezus nergens vinden.

En toen zagen ze in de Tempel dat Jezus daar was, en dat hij met de wijze mannen van de tempel aan het praten was.

Eigenlijk was het zo dat de twaalfjarige Jezus aan die wijze mannen toen van alles uitlegde over hun heilige boeken, en over de sterren en de aarde en over de ziel van de mensen.

En die wijze mannen zeiden: “Wij hebben dat nog nooit meegemaakt, dat een jongen van twaalf jaar al veel wijzer is dan wij allemaal met elkaar.”

Maar Maria en Jozef waren natuurlijk wel een beetje boos op Jezus en zeiden: “Waarom heb je ons dit aangedaan? We hebben drie dagen lang overal naar je gezocht en we zijn heel erg verdrietig geworden omdat we je nergens konden vinden.”

Maar Jezus zei: “Waarom hebben jullie zo naar mij gezocht? Wisten jullie dan niet dat ik in het huis van mijn Vader-God moest zijn om over Vader-God te praten?”

Maria en Jozef snapten niet goed wat hij bedoelde, maar ze waren allang blij dat Jezus weer met hen mee naar huis ging.

Jezus leert zichzelf om altijd lief te blijven

Daarna deed Jezus heel lang geen ongewone dingen meer. Hij leefde en werkte net als ieder ander mens, tot hij dertig jaar was.

In die lange tijd van zijn twaalfde tot zijn dertigste jaar was Jezus heel veel in zichzelf bezig met Vader-God; dat zouden trouwens eigenlijk alle mensen moeten doen.

Want omdat Jezus hier in een aarde-lijf geboren was, had hij het net als alle mensen wel eens heel moeilijk met zichzelf.

Zo was het voor hem soms heel moeilijk om lief te blijven en niet boos te worden. En hij moest vaak heel hard met zichzelf vechten om altijd heel goed om anderen te denken, en voor anderen heel goed te zorgen, net zo goed als voor zichzelf.

Hij wist ook heel goed dat hij met Vader-God in hem alles kon.

Daarom zou hij heel makkelijk over andere mensen de baas kunnen spelen. Maar dat wilde hij niet, hij wilde alleen maar lief zijn.

Nou, en als je eigenlijk alles veel beter dan anderen kunt, dan is dat best wel moeilijk om niet de baas te spelen.

Hij kon ook makkelijk zakken vol geld maken en heel rijk worden, maar dat wilde hij niet. Hij wilde gewoon werken en arm zijn, net als de arme mensen.

En hij kon makkelijk het lekkerste eten te voorschijn toveren, maar ook dat wilde hij niet.

Hij was dol op lekkere vis en honingkoeken en zo, maar hij ging juist vaak niet eten, omdat hij helemaal niet begerig wilde zijn.

En toen hij groot geworden was ging hij ook heel veel van vrouwen houden en de vrouwen hielden ook heel veel van hem, want hij had een heel prettige stem en hij zag er heel leuk uit.

Maar toch wist hij dat hij niet met een vrouw wilde trouwen, omdat hij daarvoor niet op de wereld gekomen was.

Hij was immers gekomen om de mensen over Vader-God te leren en niet om het zelf zo fijn mogelijk te hebben.

Maar het was helemaal niet makkelijk voor hem hoor, om niet te trouwen, omdat hij zoveel van vrouwen hield.

En ook was hij gauw opgewonden en boos over al die verkeerde dingen die mensen vaak doen. Want hij wist altijd precies wat ze deden en ook wat ze dachten.

Maar dan moest hij telkens weer zichzelf rustig maken en de mensen alleen maar willen helpen, in plaats van boos op ze te worden.

Dat was heel moeilijk voor hem, want hij wist hoe slecht de mensen soms denken en hoe weinig lief ze vaak zijn.

Maar toch heeft hij het van al die dingen gewonnen, door veel naar  Vader-God te bidden en van binnen met zichzelf te vechten om alleen maar lief te zijn.

En toen hij dertig jaar was geworden, was hij sterk genoeg om altijd lief te blijven, en toen ging hij de grote mensenwereld in om de zieken beter te maken en overal met de mensen te praten over Vader-God. Want ze moesten veel van Vader-God gaan houden om gelukkig te worden.

De bruiloft in Kana

De eerste keer dat Jezus in die grote mensenwereld een wonder deed, was toen hij met z’n moeder Maria naar een bruiloft was gegaan, in het plaatsje Kana. Dit was een groot feest, omdat een man en een vrouw pas met elkaar getrouwd waren.

De mensen op dat feest waren vrolijk en maakten grapjes. Je kon er lekkere dingen eten en de grote mensen dronken glaasjes wijn.

Toen zag Maria opeens dat de wijn op was, en dat was niet leuk, want het was daar de gewoonte dat nieuwe mensen meteen een glaasje wijn kregen, als ze erbij kwamen.

En toen stootte Maria Jezus aan en zei: “Jezus, zou jij er niet voor kunnen zorgen dat ze weer wat wijn krijgen?” 

Nu stonden daar zes stenen waterkruiken, die zo groot waren dat in elk daarvan meer dan tien emmers water kon. En Jezus zei toen tegen de helpers bij dat feest dat ze die grote watervaten vol met water moesten doen.

Toen ze dat gedaan hadden zei Jezus: “Haal nu maar een glaasje vol uit zo’n waterkruik en laat de kok het even proeven, want die weet het beste of het goed smaakt.”

Nou en toen was er een groot wonder gebeurd, want het water in die kruiken was allemaal wijn geworden. Iedereen ging ervan proeven en die wijn was heel erg lekker; zo’n heerlijke wijn hadden ze in heel dat land nog nooit geproefd.

Daar had Vader-God in Jezus voor gezorgd.

Jezus was drie jaar bij zijn leerlingen

En de leerlingen, die toen al bij Jezus waren om veel over God te leren en die telkens met hem meegingen, geloofden toen helemaal dat Vader-God in hem was en dat Jezus heel erg lief en heel belangrijk was.

Die leerlingen van Jezus noemen ze ook wel eens discipelen.

Eigenlijk waren de meesten van hen vissers, die vaak met een boot het meer opgingen om vissen te vangen. Maar omdat ze Jezus zo belangrijk vonden, gingen ze met hem door het hele land trekken en naar hem luisteren.

Bijna overal waar Jezus kwam deed hij wonderen, om de mensen te laten zien dat Vader-God in hem was.

Hij maakte zieke mensen weer beter en praatte heel veel over Vader-God. Hij zei tegen iedereen dat ze veel meer van God moesten gaan houden, omdat die de hele wereld en alle mensen  gemaakt had. Hij zei dat ze pas echt gelukkig konden worden en in de hemel konden komen, als ze heel veel van hun eigen Vader-God zouden gaan houden en ook van de mensen.

Drie jaar lang ging Jezus zo met zijn leerlingen het land door en gaf de mensen allemaal lessen over God.

Van alle grote wonderen die hij deed, vertellen we er hier een paar.

Jezus laat de storm ophouden

Op een keer ging Jezus met een paar van zijn leerlingen in een vissersboot het meer op. Want de mensen liepen steeds achter hem aan en hij wilde even rust hebben.

Op het meer ging hij rustig in de boot liggen slapen.

Maar toen ging het steeds harder en harder waaien, en het werd een heel erge storm. De golven werden almaar groter en sloegen over het bootje heen en de leerlingen werden heel bang en dachten  dat ze zouden verdrinken.

Maar Jezus sliep gewoon door, en toen gingen ze aan hem schudden om hem wakker te maken. En ze riepen tegen hem: “Heer, help ons, want we verdrinken zo meteen allemaal.”

Toen zei Jezus: “Waarom zijn jullie nu eigenlijk bang? Geloof je dan nog niet dat Vader-God in mij is en dat je nergens bang voor hoeft te zijn? Want God is toch de baas over alles?”

Jezus zei toen tegen de storm dat-ie moest ophouden en stil moest worden. En toen hield het opeens op met waaien en de golven verdwenen helemaal.

Want Vader-God in Jezus is ook de baas over de storm.

Sarah voor de eerste keer weer levend gemaakt

Toen ze een keer in het plaatsje Kapernaüm kwamen, zagen ze dat iemand die Jaïrus heette heel erg bedroefd was, want zijn dochtertje was doodgegaan.

Dat dochtertje heette Sarah en ze was pas twaalf jaar.

Maar Jezus stelde Jaïrus gerust en zei dat Sarah niet echt dood was, maar dat ze sliep.

Dat was wel wat vreemd dat Jezus dat zei, want het hartje van het meisje klopte al en paar uur niet meer en ze haalde geen adem meer en ze was al helemaal bleek geworden en koud.

En toen zei Jezus tegen haar: “Meisje, ik zeg je: Sta op!”

En onmiddellijk stond het meisje op, en ze was heel blij en vrolijk en ging iets eten, want ze had honger.

Daarna ging Sarah zachtjes met haar papa en mama praten. Ze vertelde hen dat ze, toen ze op haar bed lag, in een soort droom de hemel had gezien met een heleboel licht-engelen. En tussen die engelen had ze toen Jezus gezien die naar haar toe kwam en zei: “Meisje, sta op!”

En dat was dus geen droom geweest, want het was echt gebeurd!

Sarah voor de tweede keer weer levend gemaakt

Maar later werd Sarah weer heel erg ziek.

Dat liet God eigenlijk expres gebeuren, omdat haar vader allemaal nare dingen over Jezus tegen de mensen had verteld en ook omdat hij Maria en de broers van Jezus was gaan pesten.

Waarom deed Jaïrus zo vervelend? Wel dat kwam omdat Jezus telkens weer tegen de mensen zei dat de kerk vaak helemaal niet lief was tegen Vader-God en ook niet tegen de mensen; want dat was echt zo.

Maar Jaïrus, die daar de baas van de kerk was, was daarom erg boos op Jezus geworden.

Stom natuurlijk, want Jezus had helemaal gelijk en Jaïrus had nu toch moeten weten dat Vader-God in Jezus was, want hij had toch zeker zijn dochtertje Sarah weer levend gemaakt!

Om Jaïrus te straffen liet God toen Sarah nog een keertje dood gaan. En voor ze dood ging zei Sarah nog tegen haar papa dat hij niet zo rot tegen Jezus moest doen. En toen ging haar lijf dood en bracht een engel haar naar de hemel.

En toen pas ging Jaïrus nadenken en ging hij begrijpen dat hij heel naar tegen Jezus had gedaan.

Vier dagen later kwam Jezus daar weer in de buurt, en Jaïrus ging gauw naar hem toe en zei dat Sarah weer dood was en dat hij er veel spijt van had dat-ie zo naar had gedaan tegen Jezus en tegen zijn broers en Maria.

Jezus heeft het hem toen allemaal vergeven en is met Jaïrus naar het graf van Sarah gegaan.

In dat land is het graf een soort van stenen kelder.

En in die grafkelder lag het dode lijf van Sarah, dat al bezig was te verrotten, want het was er al een beetje gaan stinken.

Jezus stuurde Jaïrus even weg om een sterkere lamp te halen en toen maakte hij in één tel het dode lijf van Sarah weer helemaal goed en haalde haar uit de kinderhemel en deed haar weer in haar gezond gemaakte lijf.

“Goh”, zei Sarah tegen Jezus, “daarnet was ik nog in een heel mooie tuin en ik was fijn aan het spelen met andere kinderen en nu ben ik hier opeens in die donkere kelder.”

De kinderhemel

Want weet je, als kinderen doodgaan dan gaan ze altijd direct naar de kinderhemel. En daar is het ontzettend leuk, met prachtige tuinen. Nou ja, hun papa en mama zijn daar natuurlijk niet, en dat is wel wat verdrietig, maar er zijn daar wel heel lieve mensen die goed voor je zorgen. Dat zijn eigenlijk mens-engelen, die heel erg lief zijn, misschien nog wel liever dan je eigen papa en mama.

Verder over Sarah

Maar het verhaal gaat verder, want Jezus zei toen tegen Sarah:

“Wees maar blij Sarah, want ik heb je nu voor de tweede keer terug op de aarde gebracht en nu mag je hier nog een hele tijd blijven leven. Je zult nu nooit meer ziek worden, en als je oud bent geworden, dan zal ik jou zelf uit je lichaam komen halen en je naar de hemel brengen.”

Als Jaïrus dan met de sterkere lamp terugkomt, ziet hij het lijf van Sarah niet meer liggen. Hij zegt: “Heer, wat is er gebeurd? Het stinkt hier nog wel een beetje, maar ze is er niet meer. Heeft iemand haar dode lijf misschien gestolen?”

Maar dan komt Sarah te voorschijn, helemaal springlevend en gezond.

En dan wordt de bedroefde Jaïrus natuurlijk vreselijk blij en samen gaan ze naar de moeder van Sarah, zodat die ook niet meer hoeft te huilen en weer blij kan worden.

En allemaal zijn ze heel erg gelukkig en ze danken Vader-God omdat hij alles weer heel goed gemaakt heeft, door Jezus.

Hierna heeft Jaïrus nooit meer rot gedaan tegen Jezus en zijn familie.

Brood voor meer dan vijfduizend mensen

Een andere keer waren er wel vijfduizend mannen naar Jezus komen luisteren, toen hij bij een groot meer over Vader-God aan het praten was. En veel van die mannen hadden ook hun vrouw en kinderen bij zich.

Maar het duurde wel een beetje lang en die mensen kregen honger en er was geen winkel in de buurt, om brood te kopen.

Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen dat ze hun eigen brood maar aan die mensen moesten geven. Maar de leerlingen zeiden: “Heer, we hebben maar vijf broden en twee gebakken visjes, dat is toch veel te weinig?”

Maar Jezus zei: “Nee hoor.” En Hij gaf de visjes aan de leerlingen met een stuk brood.

Toen ging Hij van het andere brood grote stukken afbreken, en die stukken brood moesten de leerlingen aan de mensen geven.

Maar, dat was wel heel vreemd zeg, want het brood ging helemaal niet op. Telkens als Jezus er een stuk afhaalde dan groeide het gewoon weer aan.

Er was in de handen van Jezus zoveel brood aangegroeid dat er,  toen iedereen genoeg gegeten had, nog twaalf grote manden met stukken brood over waren.

Al die mensen vonden dat natuurlijk ook een groot wonder. Daarom wilden ze na het eten Jezus meteen koning maken.

Maar Jezus wilde dat niet. Hij was niet op de wereld gekomen om een koning van de wereld te worden, maar om de mensen te vertellen dat ze lief moesten worden.

Want hij wist dat hij later koning van de hemel zou worden, met Vader-God. En als de mensen van de wereld lief zouden worden, dan zou hij later in de hemel hun koning zijn.

Jezus stuurde toen zijn leerlingen met hun vissersboot het meer op, want dan konden de mensen hen niet achterna komen. En hij zei dat hij de mensen naar huis zou sturen en dat hij later achter hen aan zou komen.

Jezus loopt op het water

Nou, dat werd weer een nieuw avontuur. Want toen de leerlingen met hun roeiboot op het meer waren, ging het heel hard waaien en toen werden ze bang en dachten: Goh, ik wou maar dat Jezus bij ons was.

Maar ja, ze zagen nog steeds geen boot komen, want ze dachten dat Jezus hen met een boot achterna zou komen.

Toen begon opeens één van de leerlingen heel bang te schreeuwen,  hij riep: “Kijk, daar op de golven, daar loopt een zeespook”.

Hij was heel erg geschrokken, want in die tijd waren veel vissers erg bijgelovig en bang voor spoken.

Toen werden de anderen ook bang, want ze dachten dat als je zo’n zeespook zag, dat er dan misschien wel iets ergs kon gebeuren.

Toen het ‘spook’ nog maar vijf meter van hen vandaan was, bleef het staan en toen hoorden ze opeens een stem die zei: “Wees maar niet bang, ik ben bij jullie.”

(Want dat was natuurlijk Jezus, die eigenlijk altijd bij je is, ook al zie je hem niet. Maar dat wisten zijn leerlingen toen nog niet zo goed).

Toen dachten de leerlingen: Hé, het lijkt wel of het Jezus is die daar op de golven loopt. En toen zei één van hen, die Petrus heette: “Heer, als U het bent, laat mij dan ook over de golven naar u toe lopen.”

En toen stapte Petrus op de golven en liep zomaar over het water in de richting van Jezus.

Maar toen hij een paar meter van de boot weg was, kwam er opeens een heel hoge golf en ging het nog harder waaien en toen werd Petrus erg bang en geloofde niet meer zo erg dat Jezus ervoor kon zorgen dat het allemaal goed zou gaan.

En omdat hij niet meer zo in Jezus geloofde, begon hij toen weg te zakken in het water, en hij schreeuwde: “Heer, help mij!”

Jezus stapte toen vlug naar hem toe en trok hem omhoog op de golven en zei: “Waarom geloofde je opeens niet meer in mij? Weet je dan niet dat Vader-God in mij over alles de baas is en dat je door hem ook heel goed op het water kunt lopen?”

En toen stapten ze allebei in de boot en op hetzelfde ogenblik stopte de storm en werd het water van het meer helemaal rustig.

Want Jezus had de storm expres eventjes gemaakt om uit te zoeken of zijn leerlingen wel genoeg geloofden dat hij altijd goed voor hen zou zorgen en ze nergens meer bang voor hoefden te zijn.

Nou, ze waren nog best bang nietwaar?

Maar hierna waren ze niet meer zo gauw bang, want als Jezus ook  de baas is over een harde storm en als je met hem zelfs op het water kunt lopen, dan hoef je nergens bang voor te zijn, als je weet dat hij altijd bij je is.

En hij is altijd bij je, ook bij jou. Hij is immers in je hemelkamertje, in je eigen hart, weet je nog?

Een hele familie wandelt op het water

Later kwamen ze in het plaatsje Genezareth, en daar bleven ze een paar dagen in een herberg, waar je kon eten en slapen.

De mensen daar hoorden al gauw dat Jezus er was, en ze kwamen met al hun zieken bij hem en hij maakte ze allemaal tegelijk beter, door Vader-God in hem.

De mensen waren daar natuurlijk heel blij om.

Op een middag ging Jezus met de baas van de herberg en heel zijn familie aan het strand van het meer wandelen. Het was heel mooi weer en de kinderen van de herbergbaas gingen ook mee.

Jezus wilde graag dat ze allemaal zouden geloven dat hij met Vader-God in hem alles kon, en daarom wilde hij met de hele familie op het meer gaan lopen.

De eerste die dit durfde was het oudste dochtertje van de herbergbaas, die Jarah heette en twaalf jaar oud was.

Na Jarah durfden de anderen ook het water op en hadden de kinderen er heel veel plezier in dat het water hen kon dragen.

Ze snapten niet waarom ze er niet doorheen zakten, maar ze moesten toen wel geloven dat Jezus alles kon en ze geloofden toen dat Vader-God, die alles gemaakt heeft, in Jezus was.

Jarah was al gauw heel veel van Jezus gaan houden, ze vond hem ontzettend lief.

Jarah was een meisje dat zichzelf lelijker en ook dommer vond dan andere meisjes. Maar ze hield wel heel veel van haar broers en zusjes en papa en mama.

Eigenlijk hield Jarah van alles en iedereen, en ook van de mensen die helemaal niet zo lief tegen haar deden.

Ze had ook altijd verdriet als het met andere mensen niet zo goed ging, omdat ze arm waren, of ziek, of erg ongelukkig.

Dat vond Jezus heel fijn van Jarah. Hij zei: “Zo moet eigenlijk iedereen zijn. Je moet zelfs ook van mensen houden die helemaal niet zo lief tegen je doen.”

“Weet je”, zei Jezus, “Ik wist best wel dat die lieve Jarah hier woonde, en ik ben eigenlijk alleen hierheen gekomen om haar te zien, want van zulke lieve mensen zijn er lang niet genoeg op de wereld.

Om Jarah zal ik hier nu nog een paar dagen blijven. Jullie hebben het dus allemaal aan haar te danken dat ik hier gekomen ben en alle zieke mensen weer beter gemaakt heb.

Als jullie allemaal net zo lief als Jarah worden, dan zullen jullie altijd in je hart heel dicht bij mij zijn.”

Jarah vertelde toen dat ze gehoord had dat Jezus door het land trok en de zieken beter maakte en dat ze daardoor heel erg blij geworden was en in haar hart naar Vader-God gebeden had om Jezus naar hun toe te sturen om de zieke mensen beter te maken.

En nu hij was gekomen was ze overgelukkig en blij en wilde ze Jezus kussen en omhelzen en knuffelen, maar, dat durfde ze nog niet zo goed.

Jezus laat haar dan voelen dat ze hem best de allerliefste mag vinden en dat hij ook heel erg veel van haar houdt.

Dan zegt Jarah: “Oh Heer, wat is dat fijn dat wij zoveel van elkaar houden. Ik wil nu altijd bij u blijven, want als u weggaat dan ga ik vast dood van verdriet.”

Jezus zegt dan: “Nee, mijn hartendief, ik zal je nooit alleen laten, en ik zal er ook voor zorgen dat je niets voelt als later je lijf doodgaat.

Want als het zover is dat je in je ziel deze wereld weer moet verlaten, dan zullen mijn engelen komen om je te halen. En ze zullen je bij mij in de hemel brengen, want ik zal altijd jouw Vader in de hemel zijn.

Want Vader-God, naar wie jij zo hard gebeden hebt, die zit nu in mij, in Jezus, en hij houdt ontzettend veel van jou. Kijk maar eens omhoog, dan zul je zien dat het waar is wat ik zeg.”

Jarah kijkt dan omhoog en ziet daar de hemel voor haar opengaan.

Ze is eerst stil van verwondering, maar na een poosje begint ze te praten en zegt: “Grote heilige Vader-God, wat zie ik nu een prachtige dingen. De hemel is nog veel groter dan je kunt zien en hij is vol met schitterende engelen.

Wat moeten die engelen gelukkig zijn. Maar, ik Jarah ben eigenlijk toch nog gelukkiger. Want ik zie dat de mooie stoel van God, die prachtige troon in het midden van de hemel, leeg is. En de engelen zeggen steeds weer opnieuw: “De enige die op deze hemeltroon mag zitten, die zit nu als een gewoon mens bij Jarah. Alle goddelijke macht en heerlijkheid is van hem.”

Jarah voelt dan zoveel liefde in haar hart voor Jezus, dat ze hem met beide handen vastpakt en tegen haar hart drukt.

Jezus zegt dan tegen de mensen om hen heen: “Kijk maar eens naar Jarah en neem maar een voorbeeld aan haar. Dit meisje is pas twaalf jaar oud en ze laat zoveel liefde voor mij zien als ik in heel het land nog nergens heb meegemaakt.

Wie mij zo liefheeft als zij, die zal ik nog veel gelukkiger maken dan de gelukkigste mens van de hele wereld.”

Dit alles betekent niet dat Jarah nu verder niets meer hoeft te doen en dat alles vanzelf goed komt met haar. Want in haar verdere leven op de aarde zal ook Jarah nog veel moeilijkheden krijgen, want die moeilijkheden zijn er om te leren altijd lief te blijven, ook als het moeilijk is.

Eigenlijk krijgen mensen in hun leven best vaak moeilijke dingen, omdat ze dan pas echt kunnen laten zien dat ze van Jezus houden en van andere mensen.

Want als alles leuk gaat is het makkelijk om van iedereen te houden, maar je bent natuurlijk pas écht lief als je ook van Jezus en van anderen houdt als het in je leven wat moeilijk gaat.

Andere mensenwerelden

Wist je trouwens dat er nog veel meer werelden zijn, waar mensen leven? Dat is echt zo hoor, want alle sterren zijn eigenlijk zonnen.

Bij onze zon hoort onze wereld, en dat is de aarde.

Maar bij andere zonnen zijn ook werelden en daar leven ook echte mensen. Alleen zijn de lijven van de mensen van andere werelden meestal van ander spul gemaakt, zodat ze daar goed kunnen leven.

En een enkel keertje komt er een mens van zo’n andere wereld op onze aarde leven. Want onze aarde is een heel bijzondere wereld.

Weet je waarom?

Dat is omdat je alleen op onze aarde een echt kind van Vader-God kunt worden.

Alleen als je hier op aarde op een goeie manier geleefd hebt, kun je een echte mens-engel worden en mag je later heel dicht bij Vader-God leven, in de allermooiste hemel.

Die mensen van andere werelden kunnen ook wel heel gelukkig worden hoor, maar niet het meest gelukkig, zoals mens-engelen.

De andere wereld van Philopold

Zo was er op een andere wereld, die Akka heet, een man met de naam Murahel.

Op die planeet Akka had een engel verteld dat God op de aarde in Jezus zou komen leven. Murahel had dit gehoord, en toen wilde hij heel graag ook naar de aarde, om met Jezus te kunnen praten.

Daarom liet een engel van God hem toen in een baby’tje op onze aarde geboren worden. Zijn nieuwe papa en mama op onze aarde gaven hem de naam Philopold.

Toen Philopold hier geboren was, wist hij natuurlijk niet meer dat hij vroeger Murahel was geweest, want baby’tjes weten niks meer van vroeger.

Toen Philopold groot geworden was, kwam hij Jezus tegen. Maar hij vond Jezus helemaal niet leuk.

Hij zei: “Wat heb je nu aan die mooie praatjes over Vader-God, het is hier immers op de aarde helemaal niet leuk, want de meeste mensen zijn hartstikke arm en kunnen vaak niet eens genoeg eten voor hun kinderen kopen en ze zijn ook heel vaak ziek.”

Maar Jezus zei toen dat het leven hier vaak moeilijk was omdat de mensen hier moesten leren om lief te zijn, ook als het moeilijk was. 

Als je dat goed geleerd hebt, dan kun je later voor altijd een heel gelukkige mens-engel worden in de hemel bij Vader-God.

De aarde is dus eigenlijk een soort van leerschool voor de kinderen van Vader-God.

En Jezus zei ook tegen Philopold dat hij vroeger op een andere  wereld geleefd had, een wereld die Akka heet. En dat hij toen zélf naar de aarde wilde gaan, omdat daar Vader-God in een mens zou  komen leven, en omdat je op de aarde een echt kind van Vader-God kon worden.

Maar Philopold geloofde hier niets van. Hij zei dat Jezus jokte.

Nu was er in die tijd bij Jezus steeds een echte gods-engel uit de hemel, die hier op de aarde voor zichzelf een mensenlijf had gemaakt, omdat de mensen hem anders niet konden zien.

Die gods-engel heette Archiël.

Jezus zei toen tegen Archiël: “Ga jij maar eens naar die andere wereld Akka en haal daar de papieren waarin staat dat deze Philopold, die vroeger Murahel heette, naar de aarde wilde komen om met Vader-God in mij te praten.”

Dan gaat de engel Archiël vliegensvlug naar de wereld Akka en is al heel kort daarna weer terug. Want een gods-engel kan net zo vlug gaan als het denken. Als hij maar denkt: “Ik wil naar Akka”, dan is hij er al.

Jezus laat dan die papieren aan Philopold lezen en helpt hem om zich alles weer te herinneren. En dan kan hij opeens ook die andere wereld Akka zien. Het is net alsof hij er zelf is.

En dan ziet hij daar de vader en moeder en broers en zusjes die hij daar had, en hij herkent ze allemaal. En hij hoort ze met elkaar praten en zeggen: “Hoe zou het toch met onze Murahel zijn? Zou hij Vader-God al gevonden hebben op de aarde?”

Dan begrijpt Philopold weer dat hij op de aarde is komen leven omdat hij een echt kind van God wilde worden, want dan kun je het aller gelukkigst worden.

En dan wordt hij heel blij met Jezus en wil graag een leerling van hem zijn.

De slechte mensen die Jezus kwaad gingen doen

Drie jaar lang is Jezus zo door het land Palestina getrokken. En heel veel mensen gingen geloven dat Vader-God in hem was.

Maar er waren ook mensen die het allemaal niets kon schelen.

En er waren ook slechte mensen die daar toen de baas van de kerk waren, en die beslist niet wilden dat de mensen naar Jezus gingen luisteren.

Weet je waarom? Wel, zij wilden over iedereen de baas zijn, want dan konden ze de mensen overal geld voor vragen. En ze wilden  heel veel geld hebben en heel rijk worden.

Maar ze waren helemaal niet eerlijk en ze wilden zelfs dat heel arme mensen hen ook veel geld moesten betalen.

Maar Jezus zei dat dat allemaal niet eerlijk was en daarom waren ze heel boos op Jezus. Ze waren zelfs zo boos op hem, dat ze hem wilden doodmaken.

Ze gingen toen over Jezus liegen tegen de mensen; want ze vertelden dat hij slecht was en alles van de kerk kapot wilde maken.

Maar dat was helemaal niet waar, want Jezus was alleen maar lief geweest. Hij had alleen maar zieke mensen beter gemaakt en hij had ook alleen maar gezegd dat iedereen heel veel van Vader-God moest gaan houden om gelukkig te worden.

Maar veel mensen luisterden naar de leugens over Jezus en gingen de slechte kerkbazen helpen om hem gevangen te nemen.

En ze zeiden ook tegen de Romeinen dat Jezus slecht was en dood moest.

De Romeinen konden daar niets tegen doen, want die waren wel de baas over het land, maar niet over de kerk.

Jezus gaat dood aan het kruis

En toen hebben die slechte mensen Jezus met spijkers op een groot houten kruis vast getimmerd en dat kruis rechtop in de grond gezet. Dat deed Jezus heel veel pijn. Maar ze hebben hem net zo lang aan  dat kruis laten hangen tot hij dood was.

Dat was natuurlijk heel erg verschrikkelijk.

Maar, waarom denk je dat Jezus dat liet gebeuren? Want hij kon toch heel makkelijk met Vader-God in hem alle slechteriken in één tel in de grond laten zakken, of in het water gooien, of doodslaan?

Waarom liet Jezus dit dan gebeuren? Waarom deed hij dan niks?

Wel, Jezus wist dat als je altijd lief blijft, dat je het dan overal van wint, ook van het meest kwade. En dat wilde hij de mensen leren.

Hij had ook wel eens gezegd dat als iemand je op je wang slaat, dat je dan beter niet terug kunt slaan. En als hij je dan ook nog eens op de andere wang wil slaan, nou dan doet-ie dat maar; dat is altijd nog beter dan terugslaan.

Jezus wilde dus altijd lief blijven. Daarom zei hij ook, toen hij aan het kruis hing: “Vader vergeef het die mensen maar, die mij zo’n pijn doen en die mij doodmaken, want ze weten eigenlijk niet wat ze doen.”

En zo bleef hij al die tijd heel erg lief naar iedereen, zelfs naar de aller slechtste mensen.

En weet je wat er toen gebeurde?

Nou, toen Jezus was doodgegaan en in de hemel kwam, toen zei Vader-God tegen hem: “Jezus, ik vind jou zo verschrikkelijk lief, dat ik nu altijd en eeuwig in je wil blijven leven. En omdat jij zo lief bent, ga ik nu ook de andere mensen de stoute dingen vergeven die ze gedaan hebben.”

En zo is het dus gekomen dat als je iets verkeerd gedaan hebt en daar spijt van hebt, dat Vader-God het je helemaal vergeeft.

En ook is het zo gekomen dat Vader-God toen voor altijd in Jezus is komen leven.

Hiervóór was er nog nooit iemand geweest die Vader-God had gezien.

Maar nu kun je God wél zien, omdat hij hetzelfde is geworden als Jezus. En nu kun je hem tegenkomen en je armen om je eigen liefste Vader-God-Jezus heenslaan, als je heel veel van hem houdt.

Jezus maakt zijn lijf weer helemaal goed

Toen Jezus z’n lijf dood was, hebben vrienden hem in een grafkelder begraven. Maar na drie dagen kwam hij met zijn ziel weer uit de hemel naar het graf toe en maakte zijn lijf weer helemaal goed en ging daar weer in leven.

En toen kwam Jezus het graf uit en ging met zijn leerlingen en met andere mensen praten. Maar hij bleef niet zo lang meer op de aarde; nog maar veertig dagen.

De hele wereld hoort wat Jezus gezegd heeft

Eerst ging hij nog tegen zijn leerlingen zeggen dat ze over de hele wereld moesten gaan reizen om alle mensen te vertellen dat Vader-God nu in Jezus was, en dat er maar één God was en dat alle mensen van hem en van elkaar moesten houden om gelukkig te worden.

En zo is het gekomen dat ook in ons land de mensen gehoord hebben over Jezus en over wat hij allemaal gezegd heeft over Vader-God en over hoe mensen gelukkig kunnen worden.

Dat is maar goed ook, hé!

Jezus is nu in de hemel

Toen die veertig dagen om waren, heeft Jezus zijn lijf weer weggedaan en is hij met zijn ziel in de hemel gaan wonen.

Hij zit nu op die troon die Jarah gezien heeft – de troon in het midden van die schitterend mooie hemel, midden tussen de engelen.

Maar, je weet misschien ook nog wel dat Jezus toch ook heel dicht bij jou is. Want jij hebt immers in jouw hart dat hemelkamertje, waar Jezus meteen kan komen om met jou te praten, als jij dat graag wilt en als je veel van hem houdt.

Dat hemelkamertje in jouw hart is eigenlijk een stukje van de hemel. En er is niemand die dat bij jou weg kan halen.

Het duurt niet zo lang meer dat Jezus terugkomt

Maar weet je wat misschien nog wel het mooiste is? Dat is dat Jezus gezegd heeft dat hij nog een keertje terugkomt naar de aarde, om hier alles helemaal goed te maken.

Hij heeft niet precies gezegd wanneer, maar wel ongeveer, en daarom weten we dat het nu niet meer zo heel veel jaartjes duurt.

Het is wel zeker dat de kinderen van nu er in hun leven nog van zullen horen dat Jezus is teruggekomen – tenminste als ze niet al heel jong doodgaan.

Maar waarom komt Jezus dan terug?

Nou, dat is om te kijken of de mensen wel goed naar hem hebben geluisterd, en of ze wel hebben gedaan wat hij heeft gezegd.

Want Jezus wil echt dat de mensen van de aarde heel lief worden.

Het is nu bijna tweeduizend jaar geleden dat hij hier geweest is.

Al die jaren hebben de mensen op school en in de kerk en uit boeken gehoord wat Jezus gezegd heeft, en hoe ze op de goeie manier moeten leven.

En nu duurt het niet lang meer dat hij komt om te kijken wie er lief is geworden en wie niet.

De profeten van Jezus leven hier al

Maar eerst komen er nog mannen en vrouwen die opnieuw aan de mensen zullen vertellen wat Jezus altijd gezegd heeft, je weet wel: dat je van Vader-God moet houden en dat je evenveel om andere mensen moet denken als om jezelf.

Die mannen en vrouwen heten profeten, en die zijn al op aarde geboren.

Als die profeten klaar zijn met vertellen dat iedereen lief moet worden, dan komt Jezus weer naar de aarde.

En dan wordt het misschien wel even een heel nare tijd op aarde, want dan worden de mensen die helemaal niet lief zijn, gestraft.

Maar voor mensen die wel lief zijn wordt goed gezorgd. En omdat die straf ook niet leuk is voor de lieve mensen, zal hij niet zo lang duren.

De hemel komt straks een beetje op aarde

Als die straf over is, dan gaat het op de aarde heel leuk worden. Dat begint dan in Amerika, met mensen die lief geworden zijn en die alleen maar goed willen. Maar daarna komt het ook in West-Europa, en zo de hele wereld over.

En dan zullen de mensen weer engelen uit de hemel kunnen zien, of horen. En ze zullen naar die engelen luisteren en doen wat ze zeggen.

Zo zal de wereld dan steeds beter worden, omdat de meeste mensen dan lief zijn geworden.

Dan verdwijnen ook de oorlogen, en dan krijgen de ouders en de kinderen overal op de wereld genoeg te eten en goeie kleren en huizen om in te wonen. Want alle mensen willen dan ook goed voor anderen zorgen.

Dan wordt het dus ook op de aarde een beetje een hemel en dan kan iedereen ook al op de aarde veel gelukkiger zijn.

De allerliefste mensen zullen Jezus zien

En Jezus heeft ook gezegd dat als hij straks weerkomt, dat hij zich dan weer met zijn lijf van de aarde zichtbaar zal maken.

Maar, dat doet hij alleen bij de allerliefste mensen, die heel veel van hem houden.

Die mensen kunnen dan met hem praten en hem knuffelen en grapjes met hem maken.

En dat is ontzettend fijn, want hij is de allerliefste.

Het zou dus heel goed kunnen dat jij tijdens je leven op aarde nog een keertje bij Jezus komt en hem kunt zien en dichtbij hem kunt zijn.

En het is vast en zeker dat jij je dan het aller gelukkigst zult voelen van de hele wereld.

Maar, als je hem nog niet tijdens je leven op aarde zult zien, dan zul je toch zeker later bij hem in de hemel komen – als je lief bent.

En dan ben je voor altijd bij jouw Jezus, bij jouw Vader-God.

Dan ben je voor altijd bij de allerliefste die er bestaat!

OVER BIDDEN

Bidden is eigenlijk in jezelf praten met Jezus.

Soms weet je misschien niet zo goed wat je moet zeggen en dan is het wel makkelijk als je een gebedje kent dat je kunt opzeggen.

Misschien leren jouw papa en mama je wel een goed gebed, maar anders kun je misschien iets hebben aan de gebedjes die hier staan.

Avondgebedje 

Lieve Jezus,

Dank u voor de leuke en goede dingen vandaag.

Vergeef mij wat ik expres verkeerd heb gedaan.

Wilt u de zieke mensen die ik ken weer beter maken

en wie ongelukkig is weer blij.

Wilt u vannacht goed voor mij zorgen als ik slaap,

en mij morgen weer gezond wakker maken.

Amen.

Morgengebedje

Lieve Jezus,

Dank u wel dat u mij vannacht bewaard hebt,

en dat u mij weer een nieuwe dag geeft

om te leren lief te blijven,

ook als anderen misschien rot doen.

Wilt u mij bij alles helpen.

Amen.

Gebedje voor het eten

Lieve Jezus,

Dank u wel dat ik eten krijg

en dat u steeds goed voor mij zorgt.

Wilt u ook alle andere mensen van de wereld

genoeg te eten geven, zodat ze niet ziek worden.

Amen.

Amen betekent eigenlijk: “Zo is het”. Maar het betekent ook dat het gebed klaar is.

Bronnen:

1. De Jeugd van Jezus, door Jakob Lorber; uitgeverij Schors te Amsterdam.

Dit werk is in 1843 opnieuw ingegeven aan Lorber; daarvóór heeft het bestaan als “Het Jacobus Evangelie” – geschreven door Jacob,  de jongste stiefbroer van Jezus –  maar dat is grotendeels verloren gegaan.

2. Het Grote Johannes Evangelie, door Jakob Lorber; uitgeverij Schors te Amsterdam.

Dit 11 boekdelen omvattende evangelie beschrijft zeer uitgebreid alles van de drie jaren waarin Jezus als genezer en prediker rondtrok door Palestina.

Pas nu – zegt de Heer – is de mensheid er aan toe dit volledige evangelie te ontvangen.

Günther K. Holderer

Stappen 

naar

Jezus

VERZAMELDE LEZINGEN 

VAN

Günther K. Holderer

over de

Nieuwe Openbaringen

door

Jakob Lorber

Voorbereiding in het aardse leven op het ware leven daarna.

Inhoudsopgave 

Hoofdstuk           pag.

_____________________________________________________________________

Woord vooraf en inleiding………………………………………….  3 

Lezing over “Jakob Lorber en de ontwikkeling van de mens”…. 6

Stichting De Cirkel, Steenwijk, 30 oktober 2002

Lezing over “De opgave en de weg van de mens op aarde”……… 16

Lorberdag Zeist, 6 oktober 2001

Lezing over “Het levensdoel van de mens”……………………… 32

Vereniging “Parabool”,Terborg (Gld.), december 2002

Lezing over “De brug naar de hemel”…………………………… 43

Lorber Werkgroep, Drachten, 13 maart 2002

Lezing over “Het leven na de dood”…………………………           57

Lorber Werkgroep, Hoogeveen, 20 december 2000

Lezing  over “Het wezen van de mens”……………………….        80   

Lorberdag Zeist, 4 oktober 2003

Lezing over “Pasen – het keerpunt” …………………………………      102

Vereniging “Parabool”, Terborg (Gld.), 31 maart 2004 

Lezing over “Hoe spreekt de Heer met ons?”…………………… 113

Stichting Lorberlezingen, Drachten, 15 mei 2003

Lezing over “Het gebed”…………………………………….. ….    125

Stichting Lorberlezingen, Drachten, 13 mei 2004

Lezing over “De Wederkomst van Christus”…………………….    138  

Stichting Lorberlezingen, Drachten, 12 mei 2005

Lezing over “De liefde van God”…………………………………    152

Stichting Lorberlezingen, Drachten, 12 januari 2006

Woord vooraf

De inhoud van dit boek is gebaseerd op de lezingen, die Günther K. Holderer tussen december 2000 en januari 2006 op diverse plaatsen in het land heeft gehouden over thema’s die gerelateerd zijn aan het werk van de Oostenrijkse mysticus Jakob Lorber (1800-1864). De teksten van deze lezingen zijn door mij verzameld en bewerkt voor publicatie. Günther Holderer heeft ze voorzien van een inleiding. 

Hendrik Klaassens.

Inleiding

Wij worden allemaal op deze aarde geboren en na enkele tientallen jaren doen we de ogen weer dicht en houden we op met ademen. Als je daar van een afstandje tegenaan kijkt, dan moet je je toch afvragen: “Was dàt het dan? Is dat alles?” 

Je denkt dan aan de wetenschappers, die bovengenoemde vragen in de loop der eeuwen met telkens weer andere theorieën hebben beantwoord. Dan weten zij het toch ook niet? Denk eens aan de oerknal, waardoor de hele materiële wereld zou zijn ontstaan. Als kind wist ik al, dat een explosie veel of zelfs alles vernietigt. En nu zou een bijzonder grote explosie – de oerknal – het leven hebben laten ontstaan? Gelukkig komen enkele wetenschappers erachter, dat er misschien toch een natuurkracht is, die het zo pluriforme leven van bomen, bloemen en dieren op onze aarde heeft ontwikkeld. Denk ook aan de vele sterren die er in overvloed zijn en in hun baan worden gehouden. Elke kracht heeft een tegenkracht. De energie, die door een vallende steen vrijkomt, wordt door de aarde tegengehouden. En een oerknal? Dat is toch onmogelijk!

Jammer, dat deze eenzame wetenschappers, die de oerknal als een verkeerde hypothese beschouwen, niet de moed hebben om door te denken: een natuurkracht is toch niet zelfstandig! Daar zit beslist een meester achter, die leiding geeft aan de krachten in de natuur! En wie is deze meester, deze schepper van het heelal? Het is God! 

Dat is een belangrijk inzicht! Maar nu komen er nog veel meer vragen naar boven, o.a. over de mens: waarom hebben we zo’n relatief kort leven op aarde? Een andere vraag is, waarom we zo vaak last hebben van ziektes en oorlog; is dat dan zo prettig om mee te maken? 

Is er misschien een geheim, waardoor wij überhaupt een aards leven hebben? Van nu af aan mogen wij één ding niet doen, en dat is stoppen met het zoeken naar een antwoord! Laat ik het zo zeggen: “wie zoekt, zal vinden!” Dat klopt, want er zijn heel veel mededelingen, die ons mensen zijn gegeven om niet langer te hoeven twijfelen. De belangrijkste kennis is misschien, dat de geboorte van de mens op aarde niet echt het begin van zijn bestaan is en het overlijden is al helemaal niet zijn einde: het is de overgang van een voorbereidend leven naar een hoger, bewust leven.

De lezingen in dit boek geven antwoord op vragen naar de oorsprong van het leven en de taken waarvoor wij ons gesteld zien, en in het bijzonder naar de belangrijke zin van het leven op aarde van ons mensen. 

Op deze plaats wil ik toch nog iets over de naamgeving van Jezus zeggen. Zijn naam werd zijn moeder Maria door een droom ingegeven. Jezus is de Latijnse vorm van het Jiddische Jeschua of ook Jehoschua. Beide namen zijn Gods naam Jehova in de streektaal. Dit wijst erop dat de “hoge vadergeest” in Jezus aanwezig was.

Probeer niet alles in één keer te lezen en te begrijpen. Het is voldoende om de inhoud stukje bij beetje in je op te nemen. 

Günther K. Holderer

“Jakob Lorber en de ontwikkeling van de mens”

Volledige tekst van de lezing op 30 oktober 2002 

voor stichting “De Cirkel” te Steenwijk:

Inleiding

Goedenavond, mijn naam is Günther Holderer. Ik ben Duitser en kom uit Zuid-Duitsland, maar sinds enkele jaren woon ik in Enschede. 

Hoe ben ik in aanraking gekomen met het werk van Jakob Lorber? Het was een tante die mij eigenlijk al jaren steeds weer opnieuw gezegd heeft van: je moet dat gaan lezen, dat is bijzonder. Dus toen wij van Brazilië terugkwamen naar Nederland heb ik een boek van Lorber gekocht. Ik ging ermee door totdat ik ze bijna allemaal gelezen had. Het zijn 25 dikke banden, maar daarover vertel ik straks meer. 

Het thema van vandaag is: de grondlijnen van Jakob Lorber en de ontwikkeling van de mens. Wat doen we ermee in deze tijd? Het tweede gedeelte van het onderwerp is heel erg omvangrijk. Daarvan heb ik één thema uitgekozen waarvan ik denk dat het heel belangrijk is voor iedereen om te weten. 

Wie was Jakob Lorber?

Jakob Lorber is een Oostenrijker. Hij heeft gewoond in Graz, een hoofdstad van de provincie Stiermarken. In 1800 is hij geboren; hij is overleden in augustus 1864. Hij kwam uit een klein gezin en studeerde voor leraar, maar had ook veel plezier in muziek. Hij speelde heel goed op de viool. Hij had een heel goede vriendschap met twee broers, Andreas en Anselm Hüttenbrenner. De één was de burgemeester van Graz, de andere was componist. Deze componist was een heel goede vriend van Franz Schubert. Ludwig von Beethoven is in de armen van Anselm Hüttenbrenner overleden. Dit om een idee te geven van de vriendenkring waarin hij verkeerde. Deze twee broers Hüttenbrenner en nog iemand anders, Ritter von Leitner, waren bijna elke dag bij Jakob Lorber op bezoek.

In 1840 was Lorber van plan om zijn baan van leraar te verruilen voor een betrekking als orkestleider in Triëst. Hij was zich aan het voorbereiden op zijn vertrek, maar op een ochtend bij het wakker worden hoorde hij opeens een stem in hem spreken. Die stem zei tegen hem: „Sta op, neem je potlood en begin te schrijven.“ Jakob stond op en ging naar de tafel en dacht: wat zou er nu komen? Hij begon eerst voor zichzelf te schrijven en schreef: “Zo sprak de Heer tot mij en in mij voor iedereen, en dat is waar, getrouw en gewis.“ De eerste woorden die hij doorkreeg, waren: „Wie met Mij spreken wil, die kome tot Mij en Ik wil hem het antwoord in zijn hart leggen.“ 

Wij vragen ons af hoe dat mogelijk is. Hij heeft het natuurlijk niet zelf verzonnen, maar alles wat hij vanaf deze dag heeft geschreven gedurende de volgende 24 jaar – dus vanaf 1840 tot aan zijn dood – heeft hij allemaal in zijn binnenste gehoord. Hij zegt: als iemand mij vraagt hoe dat gaat, dan vertel ik, dat ik ter hoogte van mijn hart een duidelijke stem heb gehoord; ik hoefde alleen datgene op te schrijven wat ik hoorde. Deze stem, zo lezen wij, kwam van een engel die in opdracht van Jezus dat allemaal dicteerde. 

Als iemand zich afvraagt waarom dat in 1840 gebeurd is en niet bijv. in het jaar 1000, dan bestaan daar zeker redenen voor. Die redenen zijn dat wij intussen een grote ontwikkeling hebben doorgemaakt. Daar komt bij dat omstreeks 1500 de boekdrukkunst is uitgevonden. Als je een bijzondere, nieuwe tekst hebt, die ook nog heel erg uitgebreid is, dan moet die natuurlijk ook verspreid kunnen worden. Je kunt dat dan niet meer met de hand opschrijven en uitdelen. Daarom was de uitvinding van de boekdrukkunst dan ook een reden waarom het gemakkelijker kon worden verbreid.    

De boeken die Lorber heeft opgeschreven

Wat heeft hij nu opgeschreven? Dat zijn velerlei teksten, die je kunt indelen in verschillende onderwerpen.

De eerste, belangrijkste lijn is het zgn. Grote Evangelie van Johannes. Dat zijn elf banden. Daarin is de periode van drie jaar, waarin Jezus op aarde was en Zijn leer verspreidde, vanaf de eerste dag tot vier weken voor het einde, opgeschreven. We kunnen in deze boeken – met elk zo’n 500 bladzijden – meemaken hoe Hij Zijn discipelen en de andere mensen – Farizeeërs, Romeinen, Grieken enz. – heeft uitgelegd wat eigenlijk het doel is van het leven van de mens. Wij maken dat precies zo mee als de mensen van die tijd. Alle gesprekken, de manier waarop Hij alles heeft uitgelegd, de wonderen – véél meer dan in de Bijbel staat – zijn daarin vermeld. Dat is heel erg belangrijk en boeiend. 

Niet minder boeiend is ook wat over het hiernamaals geschreven is. Daarover zijn er boeken als bv. “Bisschop Martinus”, de twee delen “Van de hel naar de hemel” en verder moet ook nog genoemd worden “Die Geistige Sonne”. Ik neem aan, dat een Nederlandse vertaling, die er nog niet bestaat, “De Geestelijke Zon” zal heten. 

In “Van de hel naar de hemel” maken we mee dat een man, Robert Blum, overlijdt. Hij wordt doodgeschoten in het jaar 1845. In die tijd probeerden de Duitssprekende landen – Pruisen, het huidige Duitsland, Oostenrijk en Hongarije – één enkel land te worden. Dat is niet gelukt en daarover is strijd ontstaan. Deze Robert Blum was lid van de Rijksdag in Frankfurt. Hij ging naar Wenen om daar voor rust te zorgen en een oorlog te vermijden. Daar werd hij toch gevangen genomen en doodgeschoten door een executie. Vanaf dat moment maken we mee hoe hij aan de andere kant wakker wordt na enkele dagen en wat hij allemaal beleeft. Hij ontmoet Jezus en wordt geleid, totdat hij rijp was om de hemel binnen te gaan. Dat wordt in ongeveer 1000 bladzijden beschreven.

Een andere lijn is de natuur en de materie. Daarover is er een boek “Aarde en Maan”. Daarin worden onze planeet en de maan beschreven, hoe ze functioneren. Alles is leven; de maan en de aarde zijn geen dode materie. Dan bestaat er nog een ander boek “De natuurlijke zon”. Dat is de zon die wij zien. Daarin wordt uitgelegd dat op de zon leven is. Aan iemand die dat nog niet gehoord heeft – ik zie het hier ook aan de reacties – is heel gemakkelijk uit te leggen dat het waar is. De zon heeft nl. een omhulsel om zich heen, een omhulsel van gas, dat als een spiegel functioneert. Er bestaan natuurlijk nog veel grotere zonnen dan onze kleine zon: die stralen allemaal licht uit. Het licht wordt door de gasomhulling van de zon weerspiegeld en uitgestraald naar het heelal. Het licht bereikt de zon – en natuurlijk ook de aarde – van alle kanten. Onder deze spiegelende gasomhulling – van onze zon – vind je een ‘aarde’, een ander woord daarvoor weet ik ook zo niet, dat ongeveer net zo functioneert als de aarde zelf. Ze is alleen ongeveer één miljoen maal groter dan de aarde. De explosies die we op de zon steeds weer zien, komen allemaal uit de omgeving van de equator, de evenaar, van de zon. Daar willen we vanavond niet verder op ingaan.

Dan is er nog een andere lijn, “De Huishouding van God”. Daarin wordt beschreven hoe Adam en Eva hun leven op aarde zijn begonnen. Dat verhaal loopt door tot Noach en zijn ark. We zien in dit boek wat er met Abel en met Kaïn en zijn nakomelingen is gebeurd, we maken Henoch mee. Sommigen kennen Henoch nog uit de Bijbel: dat was de eerste priester. Hij is eigenlijk niemand anders dan de aartsengel Rafaël die in die tijd ook op aarde heeft geleefd. Zoals Jezus later op aarde was, zo heeft ook in die tijd een engel in de naam en geest van God onder de mensen geleefd om hen duidelijk te maken waarom ze hier zijn en wat het doel van het leven op aarde is. Eén van deze namen is Abedam.

We gaan nu verder. We hebben al de zondvloed genoemd van Noach. Nu gaan we naar de tweede helft van de tekst van vanavond. 

De ontwikkeling van de mens

De huidige situatie is minder goed dan vòòr de zondvloed in de tijd van Noach: de mensen hebben alleen nog materiële en vleselijke wensen en zijn heel erg agressief. Denk maar eens aan Venlo en wat daar gebeurd is, aan wat net in Moskou is gebeurd en in Duitsland, in Erfurt, toen een scholier in het wilde weg om zich heen geschoten heeft. Bijna iedereen heeft wel eens meegemaakt dat hij zelf aangevallen werd – wel niet zo hard dat hij direct doodgeschoten werd. Maar er bestaat een jeugd die anderen heel erg lastig valt, niet alleen hier in Nederland, maar overal in de westerse wereld. 

Het is toch belangrijk, dat de mens zich afvraagt waarom hij op aarde leeft! Het is de mensen meestal onbekend dat hun leven in hun ziel en geest zit, en niet in het vleselijke lichaam. Zij weten vaak niet eens, dat ze een ziel hebben.

Nu krijgen wij steeds meer mededelingen “van boven”, dat wil zeggen in het hart die wij kunnen verstaan, omdat wij in het algemeen rijper geworden zijn door ontdekkingen en ontwikkelingen. Daardoor bestaat in de huidige tijd ook minder bijgeloof. Dat is belangrijk. In de tijd waarin Jezus op aarde leefde, wisten de mensen niet dat de aarde rond is. Ze waren bang voor een zonsverduistering en voor zoveel andere dingen, en daar werden de vreemdste verhalen over verteld. De mensen geloofden overal in, maar alleen niet in een echte God. Maar ook de boekdrukkunst speelt een rol, die het mogelijk maakt de openbaringen op een snelle manier te verspreiden.

In de geschriften van Jakob Lorber – die ook de Nieuwe Openbaring genoemd worden en wel te verstaan door de hemel gegeven zijn – staat dan ook alles om ons te laten weten waar wij vandaan komen en waarom wij op deze aarde moeten leven. Dat willen wij nu wat nader bekijken.

Het begin van het leven

De mens begint zijn leven niet op aarde in dit stoffelijke lichaam. Bij de schepping, door God, bestond nog geen materie. De mens is van oorsprong geest, net zoals God zelf. Wij herinneren ons, dat dit ook in de Bijbel bij Johannes staat.

De ziel is een echt lichaam en behoort tot de door God geschapen geest. Ziel en geest vormen, of vormden tenminste in het begin, een eenheid. Daarbij bevindt het leven zich in deze door de geest en de ziel gevormde eenheid, terwijl de eigenschappen, dus het karakter, in de ziel aanwezig zijn. Een geestelijk lichaam moeten wij ons zó voorstellen, dat deze een enorm hoge energie is en dus op een heel hoge frequentie functioneert. Geest en ziel manifesteren zich als een echt lichaam.

Om die hoge frequentie te begrijpen kunnen we denken aan wat wij horen van de laagste en hoogste tonen. Neem als voorbeeld een hond: die kan veel hogere tonen horen dan wij. De tonen die een hond wel hoort, hebben een hogere frequentie dan ons vermogen te horen is. Dit alleen om te laten zien dat datgene, wat wij met het lichaam niet horen en zien, toch wel bestaat.

De bedoeling van God met de schepping van de mensen was, dat deze nieuwe schepsels zich tot zelfstandige wezens zouden ontwikkelen – duidelijker gezegd, de ontwikkelde wezens zullen tot Zijn kinderen worden, want Hij is de Vader – en dat kan alleen gebeuren zonder dwang te gebruiken. Het begint ermee, dat de nieuwe schepsels zichzelf moesten herkennen als geschapen wezens; zij moesten dan zelf actief worden. Als wij ons daar proberen in te denken, dan is dat als volgt: een wezen dat geschapen is, wordt wakker en denkt: wat ben ik, waar kom ik vandaan? Dat is het eerste herkennen van zichzelf, dat je een lichaam hebt en dat je iemand bent die kan denken. Maar dan ben je eigenlijk nog niks; dan moet je jezelf ontwikkelen. Om dat te laten gebeuren, is een positieve en een negatieve prikkeling nodig, maar wel met het risico, dat de nieuwe schepsels door deze negatieve prikkels van de juiste en snelste weg afdwalen. De prikkeling is dus een aanbod om juiste of verkeerde dingen te doen.

Jezus legt dat in deel 3 van het GJE uit: „De mens moet altijd strijd voeren en zijn leven moet steeds opnieuw gelegenheid krijgen om zich te sterken en zo zijn voltooiing te bereiken. Want waarom zou men werken, als men toch al voor zijn hele leven meer dan voldoende heeft?! Daarom moet er nood en leed onder de mensen zijn, anders gaat de mens ten onder aan zijn passieve traagheid.“ Zonder deze ontwikkelingsfase zou niemand tot een zelfstandig, vrij denkend en God erkennend wezen worden.

Lucifer – bij Lorber wordt hij ook Satana genoemd – was de eerste geschapen engel en hij moest natuurlijk ook deze ontwikkelingsfase doorlopen. Maar hij heeft zijn vrije wil door de stijgende ongeduld en hoogmoed misbruikt en had niet begrepen, dat God de enige gevende energiebron is – dat is liefde – die er  bestaat. Ben je verstoken van deze aanvoer van steeds nieuwe energie, dan neemt je eigen eerder ontvangen energie – dus liefde – af en dat kan tot een totaal verbruik leiden. Dat zal dan de echte dood betekenen. Als de energie op is, heb je ook geen frequentie meer: dan is alles tot stilstand gekomen. Met andere woorden: een lagere energie brengt een steeds zwakkere frequentie met zich mee, totdat het stilstaat.

Dat ging natuurlijk niet zomaar. Deze ontwikkelingsfase duurde vele miljarden jaren. In de begintijd van Lucifer – zo zal ik hem verder noemen – schiep hij vele geestelijke engelwezens, dat was 1/7 van alle geschapenen. De energie van Lucifer en deze engelen werd zwakker, omdat zij hem als hun God beschouwden. Lucifer had hen helemaal niet verteld dat hij ook een geschapen wezen was. Omdat hij het sterkste geschapen wezen was, achtte hij zich sterk genoeg om zelf voor god te spelen.

Het grootste deel van de geschapen engelwezens bleef op het juiste pad van de ontwikkeling. Wij concentreren ons verder op de afvallige engelen, omdat de meesten van ons daarvan afkomstig zijn.

Voor God maakt het eigenlijk niet zo veel uit, of de juiste weg van de geschapen wezens direct begrepen en gevolgd wordt, omdat zij uiteindelijk toch allemaal tot inzicht zullen komen. Het verschil ligt alleen bij de wezens zelf en daar behoren wij mensen ook toe. De mensen die onjuist leven, hebben een veel langduriger weg te doorstaan, die ook veel moeilijker is om naar het geestelijke rijk in de hemel terug te keren. Dat is met veel ongemak verbonden, omdat zij buiten de orde van God terechtkwamen en daar vanzelfsprekend steeds moeilijke situaties tegenkwamen en nog steeds tegenkomen.

De vrije wil

Wij hebben al gehoord, dat de ontwikkeling van de mens alleen via een vrije wil functioneert. God wilde nooit robots of machines. Dat zou heel gemakkelijk voor Hem zijn geweest. Met almacht kun je alles scheppen, ook mensen die nooit van Hem weggaan en Hem constant liefhebben. Maar dan hebben ze geen eigen opvattingen. De engelen die in het begin geschapen zijn, hebben wel een vrije wil, maar ze hebben erkend dat God alleen het goede is. Ze zijn eigenlijk niets anders dan een verlengstuk van Zijn wil. Ze zouden nooit iets anders kunnen doen dan wat volgens de wil van God is. Het verschil tussen hen en ons is, dat wij, als wij op een dag volmaakt en herboren zijn, nog steeds een vrije wil hebben; dan kunnen wij alles doen wat wij willen. Of we het dan nog willen gebruiken is een andere vraag.

God wilde volwassen zonen en dochters, dus een volwassen Godskind, dat Hem liefheeft en in de toekomst aan de scheppingen kan meewerken. De hemelse Vader heeft echt niets aan Zijn almacht als Hij een kind zou scheppen, dat onder dwang staat. Alleen het opbouwen van een spanningsveld tussen het respecteren en het overtreden van de orde brengt het verlangde doel dichterbij. Onder negatieve prikkels verstaan wij hoogmoed, eigenliefde en heerszucht. De positieve prikkels zijn Godsliefde, naastenliefde en deemoed.

Hierbij mogen wij als troost weten: alles wat God schept, laat Hij nooit verloren gaan. Dus zijn toekomstige kinderen gaan óf de snelle en directe weg, óf een behoorlijk moeizame omweg, die veel langduriger is. 

Lucifers val

De steeds kleiner geworden energie van Lucifer en zijn aanhang moest nu door God opgevangen worden, en dat binnen zijn eigen gegeven orde. De schepping van de materiele wereld was nu noodzakelijk geworden en een feit. Door Einstein weten wij, dat materie ook een vorm van energie is. Met andere woorden: de materiële wereld is de opvangbasis voor de zwakker geworden zielsenergie van de gevallen engelen. Hier in de materiële wereld krijgen de afvalligen een nieuwe kans om hun verkeerde beslissing in te zien en de goddelijke waarheid aan te nemen. Maar hoe kwamen deze wezens op de aarde terecht? Hoe horen wij daarbij? Wat gebeurde, om deze gevallen engelwezens tot mensen op onze aarde te veranderen? In het volgende gedeelte geven we daar een eerste antwoord op. 

Splitsing van de zielen

We weten dat de zielen van Lucifer en zijn aanhang steeds minder liefde hadden en steeds zwakker zijn geworden. ‘Minder liefde’ betekent dat ze boos worden. Als je een diagram tekent, heb je in het midden de nullijn; daarboven is het positief en onderaan is het negatief. Het bovenste gedeelte stelt de liefde voor anderen voor, het gedeelte onder de nullijn is de eigenliefde. Dat alleen als voorbeeld. 

De ziel is een gedeelte van de geest en is drager van onze eigenschappen. Wij weten, dat eigenschappen bij ons mensen heel verschillend kunnen zijn. De vermindering van liefde ging daarom bij de afvallige wezens ook gepaard met een groot verschil van mening. Als wij dat met onze wetenschappelijke kennis tot uitdrukking brengen, dan zien wij dat als volgt: er waren en zijn nog steeds grote explosies in het heelal, die ertoe leiden, dat uit een heel grote ster nieuwe sterren ontstaan. Dat gebeurt allemaal binnen de orde en de wil van God. Wij begrijpen nu iets beter, dat een individuele ster daarom één specifieke eigenschap heeft, omdat wezens van dezelfde soort samen een grotere gemeenschap ontvluchten. Een explosie is eigenlijk geestelijk gezien een vlucht van bepaalde geesten. Maar alles wat wij materieel zien gebeuren, moet daarvoor eerst geestelijk gebeurd zijn. Wij hebben natuurlijk steeds moeite om dat te geloven en te begrijpen, omdat wij dat niet kunnen zien met de materiële ogen.

Dus er vond nu een scheiding van eigenschappen onder de afvalligen plaats. Gelijk denkenden bleven bij elkaar. Maar deze afscheiding was nog niet genoeg. De splitsing moest gebeuren tot in de allerkleinste eenheden. Wij spreken dan van zielenpartikelen. Een partikel is iets heel kleins. Zo klein zijn de zielen onder de wil van God van elkaar gesplitst.

Nu komt een ander gegeven erbij. In een materiële wereld kan nooit een ziel of een onderdeel van een ziel op zich zelf blijven bestaan. Elke ziel zoekt voor zichzelf een omhulsel, een materieel omhulsel. Daaraan kunnen wij zien, dat het grootste deel van de materie afval is en alleen noodzakelijk is om een tijdelijke steun aan een bepaalde ziel te geven. Het leven bevindt zich in de geest en de ziel, en nooit in de materie. 

Opvang van de zielen

Deze omhullende materie houdt de in zeer kleine partikelen verdeelde zielen gevangen, om de kwade eigenschappen tot inzicht te brengen. Neem maar een stuk ijzer, een voorbeeld van een eenvoudig materiaal. Wie een beetje weet van scheikunde, weet dat ijzer een eenvoudige opbouw heeft. Dus de ziel van ijzer is bijzonder klein en nog steeds hardleers en weerbarstig. Dit is te zien aan de regen van vonkjes als je met een slijpsteen het ijzer bewerkt. Dat kenmerkt de nog steeds aanwezige boosheid van de zielenpartikelen.

Het is echt zo, dat alles wat materie is, innerlijk een ziel heeft, ook al is die nog zo eenvoudig. Je ziet dat in een atoom: die staat niet stil, maar protonen, neutronen en elektronen draaien daarin constant om een kern. Dus er zit leven in; wij noemen dat energie. Maar in het begin heb ik al gezegd: energie is leven, en God is de grootste, de hoogste energie. Als wij zeggen: dat is energie, dan kunnen met andere woorden ook zeggen: daarin is leven. 

De zin van de goddelijke orde is, dat alle engelwezens, die afvallig zijn, die dus voor een omweg gekozen hebben, in hun zielen zo gesplitst worden, dat gelijksoortige eigenschappen gevangen genomen worden in bepaalde materiële stoffen. Later, wanneer de “gemoederen” wat rustiger geworden zijn na een langdurige periode, mogen of kunnen zij zich weer met andere zielenpartikelen verenigen, om steeds grotere en completere zieleneenheden te vormen. Op die manier is de terugweg ingeleid. De mens op aarde als eindpunt van deze evolutie, van deze omweg, heeft weer een absoluut complete ziel zoals die in het begin van de schepping was, alleen nog gedeeltelijk in een onzuivere staat. Door ons verstand, geweten en vele informaties hebben wij nu genoeg positieve prikkels om te ontdekken waarom wij op aarde leven en waar onze weg naartoe leidt.

Groei van een ziel

Wij komen nog even terug op wat we zeiden over ijzer. Met de volgende stap in de evolutie van het eenvoudige erts komen wij bij de mineralen terecht. Dat is b.v. zand en alle soorten stenen. Alles wat de aarde bevat, zijn zielenpartikelen of wordt ook zielensubstantie genoemd. Maar die substantie verkeert gedurende een bepaalde tijd in zware of minder zware gerichtstoestanden; daardoor worden de mineralen voor de mens voelbaar als dode, hardere of zachtere materie. De zielen van de mineralen ontwikkelen zich dan verder tot planten. Een plant heeft dan ook al een veel omvangrijker ziel dan een mineraal, en heeft reeds meer uiteenlopende eigenschappen. In het plantenrijk is het gericht al minder sterk en de zielensubstantie bevindt zich al meer in een zekere staat van bevrijding. Maar één ding kan een plant nog niet: weglopen van haar plaats. Zij kan wel vanuit de aarde groeien en door de zonnestralen energie – dat is liefde – opnemen, wat noodzakelijk is voor haar stabiliteit en voor het leven in haar. Zij neemt het voedsel uit de aarde op, wat dan zó in haar veranderd wordt, dat het haar spijs is. Er zijn b.v. heel kleine steentjes bij: die worden nu door de plant gebruikt en veranderd in een hoger zielenleven. 

Wij gaan nu een stap verder en komen bij de dieren terecht. Ook hier bestaan nog wat ruwere soorten, die zelfs aarde en stenen – samen met planten en ander voedsel – eten en verteren. Met andere woorden: de dierenziel neemt een eenvoudige ziel in zich op. Zo bezien bestaat er helemaal geen dood, – ik bedoel het opgegeten worden van een plant of een dier door een ander dier – maar alleen een groeiproces van zielen. Het is misschien voor sommigen nieuw, dat bij een plant of dier eigenlijk geen dood bestaat; bij ons eigenlijk ook niet. Want de ziel is de drager van het leven en een dier of plant heeft een bepaalde tijd nodig om te groeien, om rustiger en zachtmoediger te worden. Dat zien we ook bij dieren. Iedereen die thuis een hond of een kat heeft, kan dat vaststellen; hij ziet dat een dier rustiger wordt. Zelfs een koe op het weiland neemt dingen van de zon in zich op, energie, en heeft tijd nodig om rustiger en zelfstandiger te worden. Dat is natuurlijk niet aan het vlees te zien, dat gebeurt innerlijk in de ziel. Als een dier dan rijp is, mag het ook sterven om zich dan te ontwikkelen tot de mens. Dat wil niet zeggen dat iemand vroeger een hond of een tijger was; daarvoor is één enkele dierenziel niet genoeg. Verschillende zielen worden samengevoegd tot één mens; ook uit de sterren, uit de lucht en de aarde komen er nog veel zielenpartikelen bij om datgene samen te stellen, wat voor de ziel van een mens noodzakelijk is. 

Belangrijk is het om te weten dat de groei als volgt gaat: vroeger hadden we een complete ziel. Maar nu is die opgesplitst en moet weer steeds verder groeien. Zelfs als wij bijv. sla eten, nemen wij daarvan in de ziel op en veranderen de zielendeeltjes van de sla in ons tot een hogerstaand leven.

Er bestaan verschillende dieren, die allemaal door de aard van hun ziel een aangepast lichaam hebben. Denk maar eens aan wormen, wespen, honden, vogels en vissen. Gedeeltelijk zijn planten en dieren nog giftig, wat op een onrijpe ziel duidt. Wij begrijpen dat deze zielen van dieren wel veel omvangrijker geworden zijn, maar toch nog behoorlijk negatieve eigenschappen hebben, die zich in de vorm van hun materieel lichaam manifesteren. Vergelijk eens een worm met een kat of een paard. Wat hier met weinig woorden gezegd is, bevat natuurlijk nog veel details met een diepere achtergrond. Maar daarop kan nu niet worden ingegaan.

De ziel van de mens

Deze groei en evolutie gebeuren niet vanzelf. Vele engelen en natuurgeesten zijn ermee bezig om dat te leiden en te controleren. Je hebt natuurlijk ook engelen die dieren begeleiden en voor de planten moeten zorgen. Elke nieuwe, grotere ziel vraagt steeds meer zorgvuldigheid en liefde. Tot en met de ontwikkeling van het dier is dat nog niet zo moeilijk, omdat een plant en een dier nog geen geest hebben, maar alleen een ziel die door het instinkt geleid wordt. Anders wordt het als de zielen zodanig gegroeid en zacht geworden zijn, dat zij in een aangepaste vorm als mens in een lichaam kunnen worden geboren. 

Nu hebben de zielen weer dezelfde samenstelling als in de oorspronkelijke tijden van het geestelijke rijk. Zij krijgen er wel een nieuwe geest bij en beginnen opnieuw hun testleven met een vrije wil, dit keer op aarde. Die nieuwe geest was noodzakelijk omdat de oorspronkelijke geest besmet was met de gedachten van Lucifer. Daarom heeft sinds Adam, toen een nieuw tijdperk voor de mens begon, ieder mens een nieuwe geschapen geest van God meegekregen om daardoor gemakkelijker de oorspronkelijke schade te boven te kunnen komen. Eerst was het een leven in de geestenwereld, maar nu is het een leven in de materie, die genoeg prikkels en informatie levert om de juiste weg te erkennen of zelfs te herkennen.

Maar niemand kan naar huis terug – dat is de hemel in het geestenrijk – die zijn wil, zijn vrije wil, niet goed gebruikt. De mens moet voor God en de liefde kiezen. Daarom is het ook duidelijk, dat ieder mens zijn weg zelf moet vinden en gaan, en daar terecht komt, waar hij zelf voor gekozen heeft. Jezus heeft verschillende keren gezegd: “volenti non fit iniuria” dat is: „diegene die iets doet wat hij zelf wil, hoeft dan later niet te klagen als het misloopt”. God hoeft daarom ook niemand zalig te spreken of te veroordelen, zoals de kerken meestal doen; dat doet de mens zelf door zijn gekozen weg. Hij komt dáár uit, waar hij zelf naartoe gaat. God geeft uit barmhartigheid veel steun aan ons mensen, om zoveel mogelijk mensen de directe weg te wijzen. Daarom leefde Jezus ook op aarde, om de weg te wijzen over de brug die naar de hemel leidt.

Vooruitblik

Wij mensen leven in ons aardse zijn alsof een geestelijk leven helemaal niet bestaat. Wij bekommeren ons alleen om voetbal, schaatsen, goed eten, promotie in het beroep, vacanties. Het is wel juist, dat ons de herinnering aan ons vroeger geestelijk zijn afgenomen werd, maar ik vind dat goed zo. Als wij alles zouden weten wat vroeger met ons gebeurde, dan zullen wij echt niet de moed kunnen opbrengen om positief in onze nieuwe kans te geloven. Alleen – wij moeten begrijpen, dat het materiële leven maar een hulp is om ons de voordelen van het geestelijke leven gemakkelijker te laten inzien. Mededelingen uit de hemel voor het juiste handelen bestaan meer dan genoeg, maar wij moeten er met onze vrije wil zelf aan beginnen.

Wij hebben nu een beetje van onze evolutie gehoord en begrijpen hoe onze toekomstige weg eruit zal moeten zien. Dat onze weg momenteel niet juist is, kan iedereen op zijn klompen aanvoelen. Zal het dan verwonderlijk zijn, als God op korte termijn ingrijpt om ons weer op het goede pad te brengen?

Tot slot

Ik wil er nog even wat bij vertellen over de ziel. Ik heb een tijd geleden bij stervende mensen gewaakt en daar veel gezien. Daarbij gebeurde het ook, dat ik gezien heb hoe een ziel een stervende man verliet. Als je dat dan zelf ziet, ben je niet meer afhankelijk van wat iemand anders vertelt of van een boek dat je gelezen hebt: dan zie je dan zelf en dan weet je dat het echt zo is. Ik kan alleen nog een keer herhalen, dat het leven in de ziel is en nooit in de materie. 

Bij een andere man bij wie ik gewaakt heb, zag ik opeens in de kamer een vrouw, terwijl ik helemaal alleen was bij deze stervende man. Dat was zijn eerder overleden vrouw, en die zei tegen mij: vannacht om tien voor drie zal hij overlijden. Dat zei zij om ongeveer half één. Precies op de aangegeven tijd overleed hij. Ik heb die vrouw en haar man nooit eerder in mijn leven gezien. Je gaat er ‘s avonds om tien uur naartoe. Je waakt daar en je kent niemand. Als er dan zulke dingen gebeuren, weet je ook dat het leven doorgaat. Iets in jezelf moet dat leven bezitten, en dat zijn de ziel en de geest. Het lichaam is alleen een tijdelijk iets om het ons gemakkelijker te maken om dáárnaar terug te keren waar we eigenlijk vandaan komen.

Misschien zal er nog een vraag komen over wat ik in het begin heb gezegd, nl. dat de meesten van ons afkomstig zijn van afvallige engelwezens, maar niet allemaal. We lezen bij Lorber dat ongeveer 2 procent van boven afkomstig is. Daarmee wordt bedoeld dat het geïncarneerde engelen zijn, of mensen die op andere sterren geleefd hebben: daar is hen geleerd dat als ze een kind van God willen worden, ze alleen op deze aarde moeten incarneren. Zij hebben een veel vastere ziel, omdat op andere sterren meer vanuit de wijsheid dan vanuit de liefde wordt geleefd. Als deze mensen één keer begrepen hebben wat de bedoeling van het leven is, kunnen ze veel sneller daarnaartoe groeien en anderen daarbij helpen.

___________________________________________________________________________

“De opgave en de weg van de mens opaarde”

Lezing voor de Jakob Lorberstichting 

tijdens de Lorberdag op 6 oktober 2001 in Zeist 

1. Een onjuist uitgangpunt

In de vorige Nieuwsbrief had ik geschreven:

„Het is niet juist onze materiële aarde als startpunt te zien, omdat wij dan al direct in een verkeerde richting lopen.“ 

Dat blijkt ook uit wat Jezus heeft gezegd: “Jullie leven wel op de wereld, maar jullie zijn niet van de wereld.“ 

De meeste mensen die op aarde leven, gaan ervan uit dat zij uitsluitend mensen van vlees en bloed zijn en met behulp van het verstand in het leven functioneren. Komt er dan geen beter of hoger inzicht bij, dan kan deze zienswijze ertoe leiden dat bij deze mensen grote onzekerheid en twijfels ontstaan over wat de zin van het leven is en ook over wat sterven inhoudt. Zij vermoeden, dat het leven na de dood gewoon ophoudt.

Deze opvatting kan blijven bestaan onder meer omdat ouders dit zo aan hun kinderen doorgeven. Ook de kerk doet er weinig aan deze opvatting te veranderen. Dat komt omdat er veel onwetendheid over het geestelijke leven bestaat en er daarom ook maar liever niet al te veel over gesproken wordt. 

De liefde, die in God onze Vader is, wordt in de meeste christelijke kerken vooral vanuit het gezichtspunt van het Oude Testament uitgelegd. Maar in het Oude Testament is sprake van een straffende, boze God. 

Het is echter belangrijk om te beseffen, dat de mensen van toen de goden en later dan die ene God, slechts als een rechter en veroordelende God hebben gezien, omdat zij zelf in het negatieve leefden en straffen verwachtten. Dat  negatief georiënteerde bewustzijn van de mensen van toen kon onmogelijk een liefhebbende Vadergod toelaten. Met andere woorden: de mensen maakten zelf   van God een straffende God! Door de geboorte van Jezus kwam daar veran-dering in.

2. Het juiste uitgangspunt

Jezus kwam op aarde, om alle mensen op deze verkeerde zienswijze attent te maken. Liefde – zo leerde Hij – is de basis van het leven. God, de schepper, schiep vanuit zijn liefde de menselijke wezens, maar: Hij schiep geestelijke wezens, want: God is geest en heeft alles als zijn evenbeeld geschapen. Daaruit volgt, dat Hij geestelijke mensen heeft geschapen en dat gebeurde op een moment, dat er nog geen materie bestond. 

Alle geestelijke wezens leefden toen in de geestelijke kosmos. Een materiële aarde en een materiële kosmos zouden er nooit geweest zijn, zouden nooit zijn ontstaan, als niet een gedeelte van deze wezens zich van God zouden hebben afgekeerd  onder leiding van de afvallige engel Satana/Lucifer.  

Wat was daarvan het gevolg? De liefde, het centrum van God, is de hoogste energiefrequentie. Deze energiefrequentie neemt af indien men zich van God afkeert. De energie zakt en zakt tot ze uiteindelijk geheel tot stilstand komt. Dat is de absolute dood! Om dat te verhinderen, schiep God de materie als de onderste springplank. Daartoe behoort onze aarde. 

De hier op aarde levende mens heeft dus een geestelijk lichaam dat met de ziel verbonden is en dat in een materieel, vleselijk lichaam leeft. Dit geestelijke lichaam is een belangrijke deel van onszelf. Het gaat er in ons aardse leven om, ons op die lage energiefrequentie draaiende “ik” naar een hogere energie-frequentie te brengen. 

Anders gezegd: : onze liefde – die nog ontbrekend of weinig aanwezig is – dus  onze liefde voor God, onze Vader, en voor alle medemensen en voor alle andere levende wezens, zullen wij moeten ontwikkelen en sterken om op die manier lichaam en ziel dichter bij de geest te brengen. Dit is het principe van de Geestelijke Wedergeboorte.

De verbinding tussen liefde en energiefrequentie zal nog iets beter uitgelegd moeten worden. Van Mozes weten wij, dat hij gezegd heeft, “geen mens kan God zien en blijven leven.” Waarom is dat zo? God is een onvoorstelbaar hoge energie, die in zijn nabijheid alles verbrand. God wordt daarom ook als een bijzonder intensieve lichtbron waargenomen.

Het centrum van God is liefde. Dus wordt zijn liefde als energie naar alle wezens, naar alles wat bestaat uitgestraald. Als Jezus ons leert, dat wij alleen in liefde naar de hemel kunnen komen, dan betekent dat de noodzakelijkheid van het verhogen van ons actuele behoorlijk lage energiefrequentie.

Als voorbeeld mag dienen, dat engelen in een stralend lichtgewaad optreden. Dat komt door deze veel hogere energiefrequentie, die zij zijn of hebben.

Ook de omstandigheid van de doeken, die Mozes over zijn hoofd moest dragen, als hij van het gesprek met Jehova terugkwam om de mensen niet door zijn stralend aangezicht te verblinden, laat ons deze bijzondere energie van liefde erkennen.   

3. De tegenwoordige, nu bestaande toestand van de ziel

Onze ziel is de drager van onze eigenschappen. Hoewel zij door een lange gevangenschap en wederopbouw langzamerhand tot een in zekere zin  verdraagzaam wezen ontwikkeld is, is duidelijk, dat de menselijke ziel bij haar geboorte op aarde toch echt nog geen zuivere engel zijn kan. Positieve en negatieve eigenschappen zijn beide in gelijke mate in haar aanwezig.

Bezien wij nu de oorsprong van het negatieve: dit zijn hoogmoed en egoïsme. Daaruit komt alles voort wat “kwaad” is, waarmee ik bedoel: het slechte en het negatieve, zoals heerszucht en machtswellust, hang naar geld, eerzucht, hang naar buitenmatige seks, ruzie, roof, moord, etc. (zie: “De Wederkomst van Christus”, bladzijde 13).

Jezus zegt: ”Wie van al deze zonden in één klap bevrijd wil zijn, moet alleen de hoogmoed overwinnen, omdat zij de oorzaak van alle andere zonden is.” 

Er zijn genoeg voorbeelden te bedenken van situaties, die zich in het dagelijkse leven voordoen, b.v. :

Als wij kijken naar de topprestaties in de sport dan zien wij dat het daar om eerzucht draait. Jezus zegt met betrekking daartoe: “iedere handeling, waarin iets van eerzucht valt te bespeuren, zal voortaan zonder zegen blijven.” Dat geldt dus ook voor topsport. En wie van ons kijkt niet eens graag een beetje sport op TV? Leven wij dan niet te erg mee en nemen wij daardoor deze eerzucht niet in onze ziel of ons wezen over? De bedoeling is dat wij onze medemens liefhebben. Hoe kan je echter iemand lief hebben, als je hem met alle middelen bestrijdt?

Een ander voorbeeld. Wij weten allemaal dat Jezus heeft gezegd: “Gij zult niet doden”. Dat betekent niet een ander doden, maar ook niet jezelf doden! Denk eens aan euthanasie. Het heeft er alle schijn van dat bij een dergelijke handeling het even genoemde gebod als het ware in tweevoudige zin overtreden wordt. Immers enerzijds doordat de patiënt zijn eigen dood wenst, en daarnaast ook door de behandelende arts die gevolg geeft aan het verzoek van de patiënt en aldus bewerkstelligt dat de dood van de patiënt intreedt. Zou dat niet als mateloze hoogmoed moeten worden gezien, iets beter en anders te willen weten dan de schepper of beter gezegd dan onze Vader? Wij hebben het leven ons toch niet zelf gegeven maar Hij heeft het ons gegeven. En wordt hier niet ook nog een verkeerde inschatting gemaakt: wij sterven toch eigenlijk helemaal niet, slechts onze vorm van leven wijzigt zich! Het aardse verdriet en de pijn zoals die aan het einde van ons aardse leven aanwezig zijn, nemen wij immers mee naar de nieuwe situatie aan gene zijde. 

Het gebod “Gij zult niet doden” is ook in geestelijke zin belangrijk, omdat alles allereerst geestelijk ontstaat. Daarom, als iemand een medemens van diens geloof aan God en Christus afbrengt, dan is dat geestelijk doden van iemand. Omdat wij juist voor de verbetering van liefde en geloof leven, is geestelijk doden een echte misdaad. (Geistige Sonne, deel II)

Denk eens aan MKZ en BSE. De Nederlandse regering heeft voorgeschreven circa 260 000 dieren te laten doden. Is dat liefde of heeft dat liefde te weg gebracht? Nee, alleen woede. Kan het dan een juiste beslissing geweest zijn?

Of kunnen experimenten aan levende wezens zoals dieren juist zijn om medicijnen en cosmetica voor de mens te krijgen?

Deze voorbeelden geven aan, hoezeer wij op het negatieve in ons aardse, materiele leven, gericht zijn.

Onze hemelse Vader heeft verschillende mogelijkheden om ons wakker te schudden uit onze diepe, materiële slaap.

  1. door zijn liefde in ons hart te leggen
  2. door zijn woord, b.v. door Jakob Lorber, Swedenborg, Mayerhofer, Max  Selt-

mann.

     c.  maar ook door zijn macht, die Hij gebruikt.

De eerste twee alternatieven zijn rustig en vreedzaam, maar de derde is getekend van de goddelijke wil, die niet toelaat, dat zijn kinderen de dood opzoeken.

Jezus zegt ons steeds weer, dat liefde gelijk is aan leven. Verwaarlozen wij de liefde, neemt de kwaliteit van ons leven af. Willen wij leven, dan moeten wij liefhebben! Hoe nu deze geest van liefde is, die ons leven bestemmen zal, zullen wij nu nader bekijken. 

4. Begin van innerlijke groei

In het Grote Evangelie van Johannes staat, vrij weergegeven:

“Het is zo dat op deze aarde al het leven voortdurend aan allerlei vijanden blootgesteld wordt en steeds strijdvaardig moet klaarstaan om zich als zodanig,  te handhaven. Maar deze strijd betreft alleen de materieel gerichte kant van de ziel, die altijd dan het meest te lijden heeft, als haar innerlijke, geestelijke kant zich losmaakt van de materie, en naar een hogere levensfase overgaat.”

Bij Gottfried Mayerhofer lezen wij in preek 36: “Het wereldse moet veracht en gekruisigd worden, als het geestelijke in de mens zal verrijzen.”

Jezus hecht er veel waarde aan, dat wij naar een tedere en vaste gemeenschap met Hem groeien, om al zijn genade en liefde te kunnen ontvangen. Als wij Zijn gemeenschap in ons in stand houden, dan blijft ons steeds, dat wil zeggen ononderbroken, bewust dat Zijn geest in ons aanwezig is.

Hoe kan ik nu weten, wat ik wel en wat ik niet mag doen?

  1. zonder twijfel is de eerste stap in mijzelf God als Vader te erkennen en in hem te geloven;

     b.  met het gewonnen vertrouwen en geloof in God wordt het tijd dat de mens zich zelf gaat beschouwen, zoals Jezus het noemt. Tegenwoordig wordt dat ook meditatie genoemd. Maar zelfbeschouwing is toch een betere term. Het is geen verstandelijk onderzoek, maar dient juist vanuit diepe innerlijke rust plaats te vinden. 

Wij hebben nu geleerd dat onze ziel het belangrijkste element is en daarom datgene is dat veranderd moet worden. Aan de buitenkant van de ziel bevindt zich het vleselijke lichaam, dat op het materiele gericht is en als het ware “naar de ondergang lokt”, terwijl binnen in de ziel de geest aanwezig is, die steun krijgt door de godsvonk, die op min of meer zachtaardige wijze de mens op de liefde attent maakt. Wil de mens aan het luide lawaai van het uiterlijke leven ontsnappen, dan moet hij allereerst inzien, dat het uiterlijke niet van primair belang voor hem is. En juist dat inzicht kan worden bereikt door dagelijkse zelfbeschouwing. De mens ontdekt daardoor zijn gevoelens, zijn diepe wensen, zijn doelstellingen. Daardoor zal men zaken anders gaan zien en andere prioriteiten gaan stellen. Het negatieve dat als zodanig herkend wordt, zal daardoor een steeds minder belangrijke rol gaan spelen. 

Voorbeeld: iemand doet aan een sportcompetitie mee en voelt dat hij zich opwindt en ten aanzien van de tegenstanders boze gevoelens krijgt. Hij zal bij de zelfbeschouwing in zich boosheid en eerzucht vinden, die hij aan de ander probeert over te dragen. Wat moet die persoon doen om deze slechte eigenschappen in zich te veranderen? Het antwoord laat ik aan U over.

Als gevolg van zelfbeschouwing ontstaat inzicht in het onzuivere en vervolgens kan met het zuiveren van de ziel begonnen worden. (zie ook GJE, deel 11)

Daarbij mag je nooit vergeten, dat de hemelse Vader, of plaatsvervangend onze begeleidengelen, altijd met vreugde willen meehelpen om deze opgave te volbrengen. Ook mogen wij in dat verband nooit denken, dat God boos is op ons. Hij is uitsluitend liefde en kan echt niet boos worden. Het gevoel van schuld zit in ons eigen bewustzijn, dus in ons wezen van de ziel. Daar moet het uit! Herkennen wij in God onze vertrouwde en liefhebbende Vader, dan kunnen wij aan Hem ons verkeerd gedrag overgeven zonder een gevoel van schuld te behouden. Wij zijn toch van plan het beter te doen?! Daarom leven wij toch hier op aarde. 

Dat gevoel van schuld kregen wij vaak als kind en ook door de kerk ingeprent. Weg ermee! De hemelse Vader veroordeelt nooit, dat doen wij alleen zelf. Het is niet zijn bedoeling, omdat dat ons van innerlijke groei zou afhouden. 

Als gevolg van de zuivering krijgen wij ruimte in onze ziel. Deze ruimte kan nu door de liefde van de geest ingenomen worden. Nu gebeurt plotseling iets, dat ons zal verwonderen. Wij horen ons geweten, of beter gezegd: wij ervaren de aanwezigheid van onze geest in ons veel duidelijker.

5. Geestelijk bewustzijn

De samenwerking tussen ziel en geest begint. Wij erkennen dat het God is die ons alles ter beschikking stelt, zijn liefde, zijn geduld, zijn wilskracht. Maar wij moeten zelf actief worden en deze krachten aanpakken en gebruiken en toepassen in ons dagelijks leven. Alleen als wij door eigen initiatief deze goddelijke krachten inzetten, kunnen wij zelfstandige godskinderen worden. Wij vragen om zijn hulp, doen ons best en Hij helpt. Wij krijgen overeenkomstig de fase van ontwikkeling waarin wij ons momentaan bevinden, opgaven toegewezen met de bedoeling deze op te lossen waardoor wij dieper inzicht in de liefde krijgen. 

Hulp, die wij van onze hemelse Vader krijgen, kan veelvoudig zijn – b.v. via droombelevenissen, die aansluiten bij de actuele ontwikkelingsfase waarin de  betreffende persoon zich bevindt en deze persoon aanmoedigen de volgende stap in de richting van verdere geestelijke ontwikkeling te zetten. 

Voorbeelden: 

Bij mij is dat tijdens enkele jaren via droombelevenissen gebeurd. Een van de eerste leerstukken was het volgende: 

  • ik kreeg dezelfde droom twee keer achter elkaar met een klein maar belangrijk verschil in het tweede droombelevenis: ik ging op een smal straatje, dat net een bocht naar rechts deed. Aan de binnenkant stonden dichte struiken. Als ik om de bocht kwam, zag ik voor mij een kapelletje. De deur stond open. In die moment stormden twee mannen uit de struiken en schoten op mij. Ik zakte in elkaar en riep om hulp, eerst naar mijn moeder, dan naar mijn broers, maar geen een reageerde. Zo stierf ik. – Nu begon alles nog een keer tot die punt, dat ik door de kogels geraakt werd, da veranderde zich de droom. Ik hoorde een duidelijke stem: “waarom zoek je hulp bij mensen en niet bij Mij?” In een flitsend moment begreep ik, wat daar tegen mij gezegd werd en ik wankelde het kapelletje binnen. Daar keek mij een man met een lang wit gewaad aan, die dat bevestigde, wat ik hoorde. Zo gesterkt ging ik weer het kapelletje naar buiten. – Er is nog uit te leggen, dat het kapelletje je hart is en dat Jezus daarin te vinden is!

     Maar de geestelijke ontwikkeling kan ook inzetten

  • door lezen van de nieuwe openbaring en daardoor het herkennen van de weg en de waarheid;
  • door actieve deelname aan gesprekken over de nieuwe openbaring.

Onze hemelse Vader dringt er bij ons allen op aan, voornamelijk omdat wij ons nu in de eindtijd bevinden, ik noem het overigens liever “overgangstijd”, deze schoonmaak binnen onze ziel zo spoedig mogelijk uit te voeren. Hij wil met ieder mens – nog een keer – met ieder mens in diens innerlijk spreken, hem op zijn weg leiden. 

Daarom heeft onze geest de goddelijke vonk in zich. Als onze ziel bereid is met haar geest samen te werken, wordt daardoor deze goddelijke vonk geactiveerd en  zal ook goddelijke informatie aan ons worden doorgegeven.

Als wij daar echt intensief en serieus mee aan het werk gaan, zullen wij ontdekken, wat de werkelijke betekenis is van “God boven alles lief te hebben en de naaste zoals jezelf.” In ons, dus in ieder mens, leeft God. Heb ik God lief, die in mij leeft, dan moet ik toch ook mijzelf liefhebben, zonder schuldgevoel.

Als dan in mijn innerlijk goddelijke informatie wordt geplaatst, die vervolgens door het verstand in woorden kenbaar gemaakt wordt, dan is dat zowel de Vader die spreekt als ik zelf. Iedereen moet daarbij natuurlijk alert zijn en leren vaststellen of het daadwerkelijk het innerlijke hogere ik is dat, in verbinding met de goddelijke vonk, leiding geeft, danwel of er wellicht sprake is van misleiding. 

Omdat ieder mens een eigen geest met de goddelijke vonk heeft, geldt dit voor ieder mens en kan ieder mens dat ook bij zichzelf vinden en toepassen. 

Gaan wij een stap verder: veronderstel, dat iemand sterk met en overeenkomstig zijn geest leeft, dan gaat zijn eigen energiefrequentie omhoog. Hogere energie betekent meer liefde. Jezus zegt ons door Mayerhofer in preek 24: “Het verzoek aan mij zal jullie verheffen boven alles wereldse. Ik geef graag aan de verzoekende wat hem in geestelijk opzicht goed zal doen.” 

Jezus zegt ook in deel 5 van GJE: “Wie Mijn leer niet volkomen in de daad omzet, maar deze slechts aanhoort en nu en dan bewondert, die krijgt Mijn geest niet, en Mijn hele leer helpt hem dus in feite weinig of niets. Want als hij na het afleggen van zijn lichaam daar uiteindelijk naakt als ziel staat, dan zal hij van Mij en Mijn leer niets meer weten.”

6. Verandering op aarde

Door die door ons aangenomen liefde, die dan op een hoger niveau komt te staan, of anders gezegd, door onze hogere energiefrequentie, beïnvloeden wij ook onze omgeving: de medemens, de dieren, de planten, de aarde. Alles neemt samen met ons een hogere energiefrequentie aan. Dat is het, wat Jezus ons in deze eindtijd, dus in de veranderingstijd van de aarde wil zeggen. Wie niet meedoet en meegroeit, blijft in de lage energie hangen en maakt het zich zelf moeilijk, zo niet onmogelijk om verder te leven. Tenminste komen diegenen op een behoorlijke omweg terecht.

De vredestijd, die snel zal komen, vindt op een hogere energiefrequentie dus op een hoger liefdesniveau plaats. Dat is de verandering, die eerst in ons moet plaatsvinden. Maar wij moeten actief aan deze verandering meedoen. Wij moeten het willen, alleen dan kan van de hemelse Vader hulp gegeven worden. Wij mogen  toch geen robots worden, maar zijn zelfstandige goddelijke kinderen, die overeenkomstig Zijn wil zullen en mogen werkzaam zijn.

Daarom staat ook in de N.O.: eerst komt Jezus individueel terug in het innerlijk van elke mens, maar de mens moet het ook zelf willen. Na het bereiken van deze situatie komt Hij ook zichtbaar, dus in letterlijke zin zichtbaar terug (zie wederom: “de Wederkomst van Christus”).

Van Johannes Widmann wil ik graag iets weergeven. Door hem zegt Jezus:

Wie mij lief heeft, voelt mijn aanwezigheid,

Wie op mijn woord let, ziet Mij, de waarheid,

Wie mijn wil doet, hoort mijn woord van troost en leiding.

En verder:

Als Vader ben ik aanwezig,

Als zoon ben ik zichtbaar,

In de Heilige Geest ben ik hoorbaar.

De individuele, binnen ieder mens afzonderlijke komst van Jezus brengt de mensen in direct contact met Hem. Deze zullen daaruit een grote kracht putten. En dat is geen toekomst, dat gebeurt nu al. In “De Wederkomst van Christus” staat een uitleg van Matth. 24, 30: “dan zal aan de hemel het teken van de mensenzoon verschijnen.” 

“Hemel” betekent hier het door de mens aangenomen goddelijke woord, dat door de geest in ons steeds bevestigd wordt, en “het teken van de mensenzoon” is de liefde en alles wat daaruit volgt. Dus het door ons aangenomen woord leidt tot liefde.

En Hij zei ook: “Ik ben het, die in de geest van Mijn levend woord op de aarde terugkeert, dat Ik in de toekomst in de harten van de mensen zal leggen, die Mij lief hebben.” Dat wil zeggen, dat wij ons moeten openen voor Hem en de aangeboden liefde aannemen.

7. Bestemming van de mens

Kijken wij nog eens naar die laatste zin: “de aangeboden liefde aannemen.” De liefde in God zelf is het rijk van onze hemelse Vader. Nemen wij zijn liefde aan, dan zijn wij al in zijn rijk. Daar moeten wij naartoe groeien. Als we ons voorts herinneren, dat liefde gelijk is aan leven, dan begrijpen wij de zin van Jezus´ woorden heel goed: “Ik ben het leven” en “Ik ben de weg.”

In feite betekent dat, dat wij zijn manier van leven, dat wil zeggen de door Hem voorgeschreven wijze van leven, moeten overnemen en dat kan weer alleen als wij Hem boven alles lief hebben.

Dat “boven alles liefhebben” geeft ons het innerlijke woord, dat ons zijn wil bekend maakt en ons verder leidt naar zijn rijk. Toch zullen verzoekingen of beter gezegd beproevingen, steeds op ons afkomen, maar door zijn aanwezige kracht in ons zijn deze makkelijker te overwinnen. 

Tot slot uit Himmelsgaben I nog een citaat: “Als gezegd wordt, dat alleen mijn rijk gezocht moet worden en dat alle verdere dingen vrij gegeven worden, bedenk dan dat Mijn rijk pure liefde is. Diegene die Mij zoekt door de liefde en in de liefde, die heeft ook Mijn rijk samen met Mij gevonden. Wie Mij zo gevonden heeft, die heeft Mij in de geest en in de waarheid gevonden. Dat is Mijn rijk.”

Tekst van de vragen en de beantwoording ervan na de pauze.

De eerste vraag die hier bij mij op tafel ligt, gaat over het ‘Onze Vader’:

“Leidt ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade”. Wat wordt daarmee bedoeld?

Antwoord: Deze zin hangt samen met waar we het in de lezing zonet over hadden, nl. met “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Dat is allemaal geestelijk bedoeld. Wij zijn van oorsprong geschapen geesten en naar die geestelijke wereld moeten we weer terugkeren. Het ‘Onze Vader’ zegt ons waar we vandaan komen en waar we naar toe moeten gaan en wat nu op aarde met ons gebeurt. Daarom bidden wij om het dagelijks brood. Het dagelijks brood zijn de opgaven die wij krijgen en die wij aan kunnen, waar wij aan groeien om voor onze ziel een steeds hoger niveau in de liefde te bereiken. Dan vragen wij ook direct om het volgende: “Leidt ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade”. Daarmee vragen we: maak de opgave niet te zwaar voor ons. Als wij een opgave hebben, dan is dat steeds iets wat met het kwaad te maken heeft. Een opgave bestaat steeds uit het herkennen van goed en kwaad. Dus dat is het dagelijkse brood. Wij vragen wel: maak de opgave niet te zwaar zodat wij het aan kunnen. Het moet steeds haalbaar voor ons zijn en dat wordt daarmee bedoeld. Dat lijkt me daarover voldoende. 

De tweede vraag hier is: Waaromspreekt u steeds over God de Vader?

Antwoord: Meestal staat ook in de boeken van de Nieuwe Openbaring ‘Vader’ en niet ‘Moeder’. Maar er wordt duidelijk uitgelegd dat God natuurlijk een wezen is dat allebei bevat, zowel de ‘Vader’ als de ‘Moeder’. Zelfs de eerstgeschapen engelen, de aartsengelen – ik noem er: Gabriël, Michaël, Rafaël – hebben allemaal beide gevoelsuitingen in zich. Ze kunnen zich als man, maar ook als vrouw op aarde laten zien. Dus zij hebben ook beide geslachten in zich. En we zien dat later bij Adam het vrouwelijke gedeelte uit de complete mens Adam naar buiten werd gehaald en werd verzelfstandigd. Dus een compleet mens bevat in geestelijke zin beide geslachten.

God is dus zowel moeder als vader. Ik wil daar niet dieper op in gaan, omdat dit weer met de zeven eigenschappen van God samenhangt. Er zijn eigenschappen die meer vrouwelijk zijn, zoals barmhartigheid en geduld, en eigenschappen die meer mannelijk zijn zoals wilskracht en ernst. Daar komen nog de liefde, de wijsheid en de orde bij. Dat zijn ze alle zeven. Moederlijke eigenschappen en vaderlijke eigenschappen zijn bij de mens opgesplitst. 

Dan gaan we naar de derde vraag. Dat is, denk ik, een vraag die voor iedereen interessant is. Deze luidt: “Wat is eigenlijk het verschil tussen ziel en geest?”

Antwoord: Daar zullen velen onder jullie vast wel iets van weten, maar misschien niet iedereen. Daarom gaan wij even terug naar de geschapen mens als geestelijk wezen. Als we zeggen “De mens is als geest geschapen”, dan is het vanzelfsprekend dat ziel en geest een eenheid vormen. Vele miljarden jaren geleden, tijdens de schepping, had de ziel precies zo’n hoge frequentie als de geest. Het was dus een eenheid. Pas toen Satana – geleid door haar eigen wil, gestuurd door haar hoogmoed – dacht dat ze zelf een eigen god kon zijn, werd de ziel van de geest gesplitst en is daarmee in haar energie gedaald. De eigenschappen die in de ziel aanwezig zijn, kregen daardoor ook een lagere energiefrequentie. 

Wij weten dat de mens een drievoudig lichaam heeft. Ten eerste het stoffelijke lichaam, dat uiterlijk is en dat wij als mensen nodig hebben om hier op aarde te leven, ten tweede de ziel, die er precies zo uitziet als het uiterlijke lichaam maar compleet binnenin de mens leeft, en ten derde de geest die zich in het hart van de ziel bevindt. Als wij overlijden, hebben wij dat uiterlijke lichaam niet meer nodig, maar de ziel – de drager van de eigenschappen – verlaat ons lichaam samen met de geest. En zoals de eigenschappen van de ziel zijn – de gevoelens en haar wil – gaat ze aan de andere kant naar een bepaalde richting; ófwel in de richting van de hel, ófwel in de richting van de hemel, óf in een richting daartussenin om nog een verdere opleiding te volgen. Daar zijn geest en ziel bij elkaar. Maar de ziel moet herkennen wat de geest wil. De geest heeft dus nog steeds een veel hogere energiefrequentie dan de ziel. Als in de Bijbel en natuurlijk ook in de boeken van Jakob Lorber over de geestelijke wedergeboorte gesproken wordt, dan wil dat zeggen dat de ziel de hogere frequentie van de geest aangenomen heeft. Of, anders uitgedrukt: de ziel moet inzien dat het leven voortkomt uit de liefde, die uit de geest afkomstig is. Men moet de liefde in zich opnemen. Als je liefde aanneemt, dan neem je juist de hogere energie aan. Dat is hetzelfde. 

Dus de ziel is belangrijk: zij heeft dezelfde vorm als het uiterlijke lichaam. Sommigen weten het misschien al, maar ik heb een keer ’s nachts gewaakt bij een stervende man, en opeens zag ik hoe de ziel ter hoogte van het hart naar buiten kwam. Als de ziel naar buiten komt, is zij eerder wit dan grijs: het is als rook. Het komt naar buiten en is dan zonder vorm. Maar als het het lichaam eenmaal verlaten heeft, neemt het weer de gewone vorm aan, te vergelijken met die van het stoffelijke lichaam. De ziel heeft dus een energiefrequentie die zich tussen die van het stoffelijke lichaam en die van het geestelijke lichaam in bevindt. Vaak wordt het ook vergeleken met zonnestralen. Een zonnestraal kun je zelf niet zien; die kun je alleen maar zien als hij ergens op schijnt. Je ziet de stofdeeltjes in de lucht, maar de zonnestraal zelf zie je niet. Dat is ongeveer de energiehoogte van de ziel. 

De vierde vraag, die voor mij ligt – het kon ook niet anders – gaat over de tijd van nu, over de aanslagen in New York en over de eindtijd, of dat iets met elkaar te maken heeft. 

Antwoord: Dat heeft zeker iets met elkaar te maken. U herinnert zich nog dat ik gezegd heb: “God kan ook met Zijn macht de mensen aanspreken”. Ik wil nu niet zeggen dat God deze aanslagen in New York veroorzaakt heeft om de mensen bewuster te maken van Hem. Er staat duidelijk in de Nieuwe Openbaring dat het negatieve, het kwade, in deze tijd sterk de kop opsteekt. En God gebruikt en verandert het kwade om met het kwade daarna de goede weg te bewandelen. Dat bedoelde ik zonet met mijn woorden. M.a.w.: de stemming onder de mensen is door de schrik, die ze allemaal hebben opgelopen, over de hele aarde zó sterk omgeslagen dat ze zich opeens afvragen: “Moet ik, als bij ons in de buurt zoiets gebeurt, niet liever mijn eigen leven veranderen? Wat moet ik doen om met mijn vrienden of met mijn familie of gewoon op mijn werk op een aangename manier met andere mensen om te gaan?” Gisteravond hoorde ik nog op de televisie dat ze in Amerika een enquête gehouden hebben op 14 of 15 september dit jaar. De voorkeur voor alles wat met trouwen samenhangt – ik bedoel niet samenwonen, maar trouwen – is daar opeens gestegen van 50% naar 74%. Het gaat hier om mensen die liever met elkaar willen trouwen dan alleen maar samenwonen. Ze willen dus ook een bevestiging dat ze bij elkaar horen. Ook bij andere dingen is een verandering opgetreden: ze stellen meer prijs op de omgang met andere mensen. Dat is wat ik bedoel: onze hemelse Vader gebruikt deze gebeurtenissen. De druk die opeens op de mensen wordt gelegd – of, beter gezegd: de schrik – gebruikt Hij om te zeggen: kijk, zo kan het gaan, je kunt opeens dood zijn en nu heb je nog de tijd om op een beter niveau te komen. Overal zijn boeken te krijgen, zoals hier en in Amerika, waar dat hogere ik en de liefde in beschreven worden, en hoe je dat kunt bereiken. Dus onze tijd van verandering is duidelijk zichtbaar. Een groot aantal mensen heeft in hun hart het gevoel dat zij innerlijk toegesproken worden: dat is de tijd van de individuele wederkomst van Jezus. Die is nu gaande; wij zijn nu op weg daarnaar toe. 

In “De wederkomst van Christus” worden drie dagen duisternis voorspeld. In de boeken van Lorber, maar ook in die van Mayerhofer, staat daar veel over te lezen. Zelfs de Bijbelboeken Ezechiël, Daniël en ook Jesaja spreken er al over en daar wordt gezegd “Minder dan tweeduizend jaar na het leven van Jezus is de wederkomst”. Dus als je een beetje gaat rekenen, kom je ongeveer op het jaar 2020 uit. We staan nu dicht bij het einde van de tweeduizend jaar, maar we kunnen en mogen het tijdstip niet voorspellen. We moeten in onszelf het contact met de liefde, met Jezus en met onze beschermengelen steeds sterker zoeken en daar ook naar luisteren. Dan is ook dit belangrijk: we kunnen en moeten ook niet bang zijn voor wat buiten onze directe omgeving gebeurt. Als wij ons innerlijk voorbereiden, dan hebben wij de kracht en het vertrouwen in onze Vader, wat er in de buitenwereld ook gebeurt. Wij moeten nooit vergeten dat Hij onze Vader is: Hij wil steeds dat Zijn kinderen het beste bereiken en dus Zijn kinderen worden en dan de opgaven, die op hen wachten, ook eens kunnen vervullen. Alleen de vrije wil bij ons blijft bestaan. Zonder onze vrije wil kunnen we dat niet bereiken. Je kunt nooit een vrij kind van God zijn als je nog steeds moet worden gezegd wat je moet doen. Ik heb voorbeelden genoemd van topsport; je kunt ook verslaafd zijn aan iets. Deze dingen moet je gewoon in jezelf oplossen. Je kunt wel iets aan iemand anders voorstellen, maar diegene moet het zelf willen aannemen. Dat is de vrije wil en dat is wel moeilijk, maar het kán. 

Dat is het einde van de schriftelijke vragen. Heeft iemand nog iets mondeling te vragen?

Mondelinge vraag: We hebben gelezen in het boekje van Mayerhofer dat de goddelijke vonk zich niet alleen bevindt bij de menselijke ziel, maar ook in de materie, want hier staat bijvoorbeeld “Daarom weg met jullie beperkte menselijke denkbeelden. De wereld is zoals Ik jullie beschrijf, en wel dagelijks onthul en verklaar ik jullie het ene scheppingsgeheim na het andere.” Dan staat hier: “De geest bij de mens is precies dezelfde als bij de kleinste steen, alleen heeft hij daar te maken met de meer geordende structuur, die zijn eigenlijke invloedssfeer niet zo tegenwerkt, maar zelf geschapen is om al zijn aspiraties te volgen. Er is dus niet alleen een goddelijke vonk van mijn ik, die Ik alleen aan de mens gegeven zou hebben, maar er bestaat in alles een alleen maar goddelijke vonk en daarbij alleen maar een zich meer aan het geestelijke aanpassend lichaam, dat helemaal afgestemd is”. Maar nu lees ik in de laatste rondzendbrief (Nieuwsbrief), ik geloof op blz. 6, “De oermensen van deze aarde zoals de Neanderthalers en andere prehistorische stammen worden in de Nieuwe Openbaring pre-Adamieten genoemd. Deze pre-Adamieten bezaten volgens de Nieuwe Openbaring weliswaar een ziel, maar ze missen de goddelijke vonk”. Dat vind ik nu een beetje onbegrijpelijk, want als een klein stukje steen al de goddelijke vonk heeft, waarom dan niet iemand die al leeft?“

Antwoord: Dat was natuurlijk een goede vraag, nietwaar. We moeten een beetje onderscheiden welke woorden er vaak gebruikt worden. Bij Lorber wordt vaak het woord ‘geest’ genoemd en daar wordt soms ook de ziel mee bedoeld, omdat de ziel eigenlijk ook een gedeelte van de geest is en dat weer zal worden. Bij ons mensen is in het hart van de geest de goddelijke vonk ingesloten. Vanaf Adam hebben de mensen een nieuwe geest gekregen. Deze nieuwe geest staat in verbinding met de oorspronkelijk gevallen geest en de gevallen ziel. Deze nieuwe geest vanaf Adam – daarom spreken wij van Adamieten, wij zijn Adamieten – is door God gegeven, opdat de mens een betere basis heeft om zich te ontwikkelen. En omdat dat eigenlijk in de periode tussen het leven van Adam en dat van Jezus niet goed gelukt is – de mensen zijn door hun vrije wil steeds weer teruggevallen  – heeft Jezus een leven op aarde geleid en heeft Hij alle basiszonden op zich genomen. Hij heeft laten zien hoe de mens zou moeten leven. Maar ons blijft het leven nog steeds niet bespaard; Hij heeft niet alle zonden van ons individueel weggenomen. We moeten onszelf, onze ziel, veranderen. Daarom heeft Hij na de opstanding die goddelijke verlossende vonk aan ons gegeven, aan ieder mens, om gemakkelijker de geestelijke wedergeboorte te bereiken. 

Wat de dieren betreft, waarover u net voorgelezen heeft: daarmee wordt eigenlijk een geestelijke vonk bedoeld. Nu kun je zeggen ‘God is geest’ en dan kun je daar een woordspel van maken, maar dat is het niet. Door de val van Satana maakten alle gevallen schepsels een lange reis. Ze zijn in vele kleine zielendeeltjes opgesplitst en zijn daarna weer samengevoegd. Ze worden opgevoed via het rijk van de stenen, dat is het mineraalrijk en daarna het rijk van de planten. Dan komen vervolgens de verschillende vormen van de dieren; daarna komt pas de mens. Dus in elk van deze levende wezens, zelfs in een steen, zit een ziel en omdat dat niveau van de mineraalwereld nog zo laag is, moet ook de ziel, omdat die nog behoorlijk boos is, bij wijze van spreken in een gevangenis zitten. Een steen kan zich niet bewegen en toch zit daar leven in. Als je de atomen bekijkt, zie je gewoon ook de draaiende protonen en elektronen; dus het is niet iets wat dood is. 

Als die ontwikkeling verder gaat in het rijk van de planten, dan zie je dat planten andere vormen kunnen aannemen; dat zijn er veel meer dan in het mineralenrijk. Maar een plant staat stil; die kan niet weglopen. Dan komen de dieren, die wél weg kunnen lopen. De ziel is hier al een stuk groter en heeft een instinct meegekregen. Dat instinct is eigenlijk niets anders dan een hogere informatie, die op de ziel inwerkt en een leeuw of een koe zo mooi zijn kleintjes laat verzorgen. 

Vervolgens spreken we van de mensen die voor de tijd van Adam geleefd hebben. Zijn dat geen mensen? Ik wil nu woordelijk nemen wat in de vierde band van het GJE staat. Als de Soedanezen op bezoek zijn bij Jezus, wordt uitgelegd dat de vòòr-Adamieten eigenlijk hoogstaande dieren zijn. Zij hadden de vorm van een mens, maar hadden nog geen nieuwe geest. Zij waren veel beperkter; zij konden géén nieuwe dingen ontwikkelen. Zij moesten in alles onderwezen worden. Zij stonden op het niveau van de mens uit de steentijd. Daarvan weten we dat zij op een veel lager niveau stonden dan de mensen die sinds Adam geboren zijn. Sinds Adam bezitten de mensen zelfs een ongeschapen godsvonk. Daarna ontvingen wij door de overwinning van Jezus nog de pinkstergeest, omdat hij door God pas gegeven kon worden, toen Jezus door zijn dood en opstanding de verbinding naar de hemel hersteld had. 

Vraag: Hoe vindt de overgang plaats van een waardeloze steen naar mineraal?

Antwoord: Eigenlijk is alles wat hier op aarde bestaat in de materie, wat leven bezit, niet waardeloos. Maar het is wél zo, dat ons lichaam ook in meerdere of mindere mate waardeloos wordt als wij hier sterven; dat hebben we dan niet meer nodig. En een gedeelte ervan, waarin zielendeeltjes zitten, komt vrij door de ontbinding en gaat dan met de ziel mee, omdat het bij ons hoort. Maar als je naar een steen kijkt, dan zie je dat de ziel van een steen ook door materie omsloten is, die waardeloos is. Die hoort alleen als gevangenis bij het levende gedeelte van de steen, zoals dat ook bij ons het geval is.

Vraag: Maar verandert een steen in een mineraal?

Antwoord: Een steen is een mineraal.

Neem maar eens als voorbeeld een plant: die wordt opgegeten door een koe. En dan zeg je: de koe heeft die plant omgebracht, zo kun je dat uitdrukken. Maar dat is eigenlijk niets anders dan een verandering van de ziel van deze plant. We kijken hier steeds van buitenaf naar, maar dat is verkeerd. Je moet het steeds van binnenuit bekijken. Binnenin ons bestaat het leven uit de geest en de ziel. De plant heeft ook een ziel; dat stukje ziel wordt niet opgegeten of vernietigd door de koe, maar de ziel van de koe neemt het stukje ziel van de plant in zich op. Deze verbinden zich met de zielendeeltjes van de koe. Er zijn natuurlijk ook engelen en andere geestelijke wezens die dat verzorgen en daaraan werken. Deze zijn het, die de ziel van de plant in verbinding brengen met de zielendeeltjes van de koe. Dus het leven is alleen veranderd van vorm, maar het leven bestond daarvoor ook al. Het leven wordt in een steeds hogere vorm gebracht. 

Vraag: Maar de steen is toch iets waar helemaal geen leven in zit?

Antwoord: Dat moet u als ziel bekijken, niet als materie. Een ziel is leven. 

Vraag: Ontwikkelt alles zich van steen en mineraal naar plant, dier en mens?

Antwoord: Dat is echt zo. Daarom zegt Jezus ook vaak dat wij de heren over de aarde zijn. Maar daar wordt niet mee bedoeld dat wij alles kort en klein moeten slaan. Daar wordt juist mee bedoeld dat de mens de liefde overal naartoe moet laten stromen, zelfs naar de steen en naar de aarde en naar de planten natuurlijk. Bij dieren is het al veel gemakkelijker. 

Als wij innerlijk veranderen, onszelf op een hoger niveau brengen, dan verandert automatisch ook onze hele omgeving. Het is de bedoeling om naar de vredestijd toe te gaan die op ons wacht. Daarom moet alles op een hoger niveau gebracht worden. Tijdens de lezing heb ik gezegd: wij moeten meedoen. En als we in deze tijd van verandering niet meedoen, dan blijft er voor de Schepper of voor de Vader niets anders over dan ons langs een heel grote omweg te sturen om daar in vrijheid, maar misschien met een beetje meer dwang, te leren dat ‘als je wilt leven, dan moet je ook liefhebben’. 

Opmerking: Ik heb een stuk gelezen, waarin staat wat u nu zegt. Het is eigenlijk een soort spreuk, en die is:

‘God slaapt in de steen,

God droomt in de plant,

God openbaart zich in het dier en

God wordt wakker in de mens’.

Antwoord: Ik denk dat dit voor zichzelf spreekt. Dat is echt zo. Dat is dat alsmaar groeiende leven. In de steen, dus in het mineraal, is het leven nog sterk gevangen; daaruit mag het nog niet vrijgelaten worden. De plant staat nog wel op een bepaalde plaats, maar het krijgt meer vrijheid om te leven. Het kan zich uitbreiden; een boom krijgt de meest uiteenlopende vormen. Een dier kan ook lopen. Maar uiteindelijk krijgt het leven in de mens de hoogste vorm die er bestaat. Dat is logisch, omdat wij naar het voorbeeld van God geschapen zijn. Daarom is dat juist. 

Vraag: Ik ken iemand die in staat is om de aura te zien van mensen en van dingen, de uitstraling. Is dat de uitstraling van de ziel?

Antwoord: Ja, de ziel heeft een uitstraling. De aura is een uitstraling. Je hebt verschillende lagen van een aura. Bij Lorber wordt dat de buitenste levenssfeer genoemd. Je kunt aan de kleuren van de aura zien hoe die mens geschapen is, bv. als je een rode bal hebt in de buurt van de buik, dan drukt dat veel woede uit, dat is een negatieve eigenschap. Je kunt al het positieve en negatieve herkennen. Om je hoofd heen zie je vooral de kleuren wit, geel, blauw of groen. 

Opmerking: Ik wou toch een opmerking maken over de eindtijd. Ik hoor vaak dat gesuggereerd wordt dat de eindtijd een soort dwangmatig gegeven zou zijn, maar Jezus zegt Zelf – ik weet niet precies waar – dat die eindtijd er misschien wel zit aan te komen, maar die hoeft helemaal niet op een bepaald tijdstip plaats te vinden. Afhankelijk van de ontwikkeling van de mensheid – of het aantal individuen dat de Godheid aanneemt – zal deze in meerdere of mindere mate plaats vinden. Daarmee beïnvloed je dus het tijdstip of de wijze waarop die eindtijd zich voltrekt. Het is dus niet een vaststaand gegeven dat we nu met z’n allen fatalistisch hoeven te ondergaan. Het hoeft helemaal niet. Er wordt gezegd: “Jullie hebben in eigen hand wanneer of hoe dat zal plaats vinden.” 

Antwoord: Dat is natuurlijk juist. We hebben veel in eigen hand. Maar het is toch begrensd wat we in eigen hand hebben, omdat we alleen invloed op onszelf hebben. Alles wat daarmee te maken heeft, groeit in elke mens. We weten immers dat de grote meerderheid van de mensen meer aan de negatieve kant zit dan aan de positieve. Toch kunnen wij zegenen en veel liefde sturen, ook naar de terroristen bijvoorbeeld; bij hen kunnen wij dat negatieve toch een beetje verminderen. Hóe veel, dat zullen we nu in dit leven hier op aarde zeker niet weten. Maar het is belangrijk te weten, dat heel erg veel daarmee kan worden veranderd: bv. doordat iets in mindere mate later gebeurt of dat het sneller komt. Als voorbeeld hiervan kunnen we ook twee of drie profeten in het Oude Testament noemen. Zij kregen voorspellingen van God die ze door moesten geven. Zij hebben die ook doorgegeven, maar waren later boos dat het niet zo gebeurd is als ze voorspeld hadden. Maar God legt het aan hen als volgt. uit: ‘de mensheid heeft zich in de tussentijd veranderd, en dat is toch goed. Jouw werk was het om die voorspelling te doen en als de mensen daarvan hevig schrikken, dan veranderen ze zichzelf.’ Dat kan steeds gebeuren. Daarom zei ik ook tijdens de lezing: “Wij moeten ons alleen op ons eigen innerlijk ‘ik’ richten.” Wat we met anderen bespreken, is belangrijk, maar de ander kan ook alleen in zichzelf veranderen, ook al spreek je duizend of honderdduizend woorden tegen hem. Alleen als hij het in zich opneemt, verandert hij. En wij kunnen dat alleen doen in deze tijd. Wij mogen aannemen dat Jezus persoonlijk is teruggekomen en bij iedereen in het hart wil spreken en leiding  geven. Dat is wat wij nu kunnen doen; de rest gebeurt vanzelf. 

Vraag: Ik wil even wat vragen aan u, nl. of de geestelijke wedergeboorte overeenkomt met de ‘jongste dag’ die genoemd wordt, en kunt u wat vertellen over de ‘jongste dag’.

Antwoord: Ja, dat is een belangrijke vraag. Eigenlijk zijn het er twee. Het tweede gedeelte – de jongste dag – is heel gemakkelijk uit te leggen. Vandaag is nl. onze jongste dag, omdat gisteren niet meer is; dat is verleden tijd. Morgen is toekomst. Daarom zegt Jezus ook: “De jongste dag is die dag, waarop jullie hier sterven en aan de andere kant aankomen.” Dus de jongste dag is een individuele dag voor iedereen, en niet zoals dat vaak begrepen wordt, dat er een algemene jongste dag bestaat. Iedereen die aan de andere kant aankomt, begint daar met zijn jongste dag. Vandaar gaat de mens verder. Je krijgt er ook met andere dingen te maken, bv. met de ontvangstengelen. Ik heb vorig jaar december daarover gesproken. Naar aanleiding van deze lezing is een klein boekje verschenen, dat heet “Het leven na de dood”. Daarin wordt ook op deze vragen ingegaan. 

De tweede vraag was over de geestelijke wedergeboorte. Wij zijn als geest geschapen, als geest geboren in het geestenrijk. Toen hoorden de ziel en de geest nog bij elkaar. Later zijn ziel en geest toch min of meer gesplitst. Wij moeten de negatieve dingen van de ziel in het goede veranderen. Hebben we dat gedaan, dan is de ziel weer één met de eigen geest. Dat wordt de geestelijke wedergeboorte genoemd. Dus de geest wordt weer geboren in de ziel; je kunt ook zeggen dat ze weer met elkaar getrouwd zijn. 

Vraag: Bestaan er tweelingzielen en wat wordt hiermee bedoeld?

Antwoord: Als wij aan de andere kant aankomen, dan zijn wij als vrouw, die hier op aarde leefde, of als man niet compleet. Wij moeten weer – wat onze eigenschappen betreft – compleet worden. Bij de vrouw hoort een man, en bij een man hoort een vrouw. Ik spreek nu over de geestelijke eigenschappen, niet over de lichamelijke. Aan de andere kant heb je jouw tweelingziel. Nu wordt er in veel verschillende boeken beschreven dat je op aarde al je tweelingziel kunt vinden. Is mijn eigen vrouw of man mijn tweelingziel met wie ik aan de andere kant verder zal leven? Dat is zeker niet steeds het geval; ik zou eerder zeggen dat dit in de minderheid van de gevallen zo is, omdat je in jouw aardse leven moet groeien door het dagelijkse brood. Soms moet je daar geen combinerende pool bij hebben, een combinerende tweelingziel, maar vaak een tegengestelde partner om je aan te sporen, om je sneller en beter te laten groeien. Maar dat zegt niet dat je jouw aardse man of  vrouw niet moet liefhebben.

Opmerking: Die meneer vraagt over een steen. Ik heb een steen in mijn zak. Iedere keer als ik die steen aanraak of in mijn zak heb, gaat er een atoom van af. In het Johannes Evangelie staat ook: tijd is niet belangrijk. Ik zal die steen dus niet helemaal klein zien; misschien wel mijn kinderen of kleinkinderen. Dat heeft te maken met tijd en met reïncarnatie. Als ze gereïncarneerd worden, zeg maar van steen naar plant naar dier, dan worden wij op een gegeven moment ook weer gereïncarneerd. Dat proces blijft niet stilstaan, zowel in de steen-plant-dier-mens, maar ook weer in de mens. Er wordt ook gezegd: onze kinderen zullen de aarde beërven. Dat wil zeggen dat onze geest of onze ziel weer herboren worden in onze kinderen of kleinkinderen. Dat is mijn idee daarover.

Antwoord: Omdat zonet dat woord tijd gevallen is, herinner ik mij iets wat misschien toch interessant is. Hier op aarde leven we in de tijd. Steeds weer wordt uitgelegd dat aan gene zijde geen tijd bestaat. Hoe kunnen we dat nu begrijpen? Dat is eigenlijk heel erg moeilijk, maar ik heb opeens toch een idee gekregen om het uit te leggen. Als ik mijn arm horizontaal houd, dan bevindt zich hier vooraan de hand: dat is de verleden tijd, hier de pols, dat is het nu, en achteraan mijn arm: dat is de toekomst. En dan gaan we van de verleden tijd die kant uit, in die richting (van de elleboog). Maar als ik nu mijn arm verticaal houd, dan is de richting gelijk gebleven. Opeens zijn de verleden tijd, het nu en de toekomst op dezelfde hoogte gekomen. Dat is dan de toestand aan gene zijde. Daarom kunnen we ook begrijpen waarom aan gene zijde toekomst, de verleden tijd en het nu voorspeld kunnen worden omdat alles tegelijkertijd gebeurt. 

*  *  *  *  *  *  *

“Het levensdoel van de mens”

Tekst van de lezing in december 2002  

voor Vereniging “Parabool” in Terborg (Gld.) 

  1. Een onjuiste zienswijze

Het doel van het leven is voor veel mensen verschillend. Wij kunnen onze bestemming erin zien, de winkel of het bedrijf van onze vader over te nemen. Anderen hebben een bepaald talent als kunstenaar en zien daarin hun levenstaak Weer anderen laten zich gewoon drijven, omdat ze te lui zijn om constant een doel te achtervolgen. Maar allen hebben één ding gemeen bij deze zienswijze: zij streven naar een materieel doel van deze aarde. Zij of wij gaan ervan uit, dat het leven op aarde begint en daar ook afgesloten wordt. Is dat zo of bestaat er een betere zienswijze? Laten wij dat stap voor stap gaan bekijken.

Vele mensen, die op aarde leven, gaan ervan uit – zoals gezegd – dat zij uitsluitend mensen van vlees en bloed zijn en met behulp van het verstand in het leven functioneren. Zij doen wat de dag hun brengt, volgen hun wensen en lusten, maar worden nooit verzadigd en blijven daardoor ontevreden. Materiële en vleselijke wensen en lusten kun je echter nooit verzadigen. Als er dan geen beter of hoger inzicht bij komt, dan kan hun zienswijze ertoe leiden dat bij deze mensen grote onzekerheid en twijfels ontstaan over de zin van het leven en natuurlijk ook over de vraag wat sterven inhoudt. Zij vermoeden en hopen dat een leven na de dood niet bestaat. Anders zouden zij zich genoodzaakt zien hun huidige leven te veranderen. En wie wil dat!

Deze twijfel aan een leven na de dood zal in het algemeen blijven bestaan, ondermeer doordat ouders hun opvattingen aan hun kinderen doorgeven. Ook de kerken doen er te weinig aan om de ware zin van het leven te openbaren. Dat komt doordat er veel onzekerheid en onwetendheid bestaat over het geestelijke leven en men er daarom ook liever niet al te veel over spreekt. 

God, onze schepper, wordt in de meeste christelijke kerken vooral bezien vanuit het gezichtspunt van het Oude Testament. Maar in het Oude Testament is sprake van een straffende, boze God. Dat veroorzaakt veel angst onder de gelovigen die naar de kerk gaan.

Veel mensen kennen de wetten van de eeuwigheid niet meer en gehoorzamen ze daarom ook niet. Niemand leidt een zuiver leven; daarmee wordt bedoeld: zonder te zondigen tegen de tien geboden, die de wetten van de hemelse orde weerspiegelen. Het is echter belangrijk om te beseffen dat ook nu nog veel mensen God slechts als een rechter en veroordelende Heer zien, omdat zij het zo gehoord hebben en omdat zij zelf een negatief leven leiden en straffen verwachten. Het negatief georiënteerde bewustzijn van de mensen kan onmogelijk een liefhebbende Vadergod toelaten. Met andere woorden: zulke mensen maken zelf van God een straffende God! Deze opvatting is in sterke mate op het Oude Testament gebaseerd. Door de geboorte en het leven van Jezus kwam daar echter een belangrijke verandering in. Jammer genoeg wordt Zijn liefdevolle leer door veel predikanten niet genoeg geprezen.

2. Het juiste uitgangspunt

Jezus kwam op aarde om alle mensen op deze verkeerde zienswijze attent te maken. Liefde – zo leerde hij – is de basis van het leven. God, de schepper, schiep vanuit zijn liefde de menselijke wezens, maar: Hij schiep geestelijke wezens. Want God is geest en heeft allen als zijn evenbeeld geschapen. Daaruit volgt, dat Hij geestelijke mensen – dus mensen met een geestelijk lichaam – heeft geschapen en dat gebeurde op een moment, dat er nog geen materie bestond.

Alle geestelijke wezens leefden toen in de geestelijke kosmos. Een materiële aarde en een materiële kosmos zouden er nooit geweest zijn, zouden ook nooit zijn ontstaan, als niet een gedeelte van deze wezens zich van God zou hebben afgekeerd onder leiding van de afvallige engel Lucifer. De reden voor deze afkeer van God was de hoogmoed van Lucifer. Hij waande zich sterk genoeg om zonder God te kunnen leven, sterker nog: hij hield zich zelf voor een God. Maar iedereen die zich van de bron van het leven, van de ware bron van energie, afkeert, verbruikt de aan hem gegeven en nog aanwezige energie, maar krijgt er geen nieuwe meer bij. Dat leidt tot uitputting. Wat is daarvan het gevolg? Het totale verbruik van alle energie leidt onherroepelijk tot de echte dood. De liefde in het centrum van God is de al genoemde enige hoogste bron van energie, die alles in leven houdt. 

Al deze afvallige engelen – en dat waren 1/7 van allen, dus circa 14% – moesten nu op een andere, moeilijke weg teruggebracht worden naar de oorsprong, naar de hemel, omdat God niets laat sterven wat Hij ooit geschapen heeft. Daarvoor schiep God de materie als de onderste energie-springplank voor de afvalligen. Daar behoren ook de mensen toe. Onze aarde is een deel van deze materiële wereld. Het voorbeeld van de “Verloren zoon” geeft de werkelijkheid duidelijk aan.

Nu erkennen wij opeens, dat er nog een hoger doel zou kunnen bestaan. Zoals de van huis weggelopen zoon in zijn nood in de varkensstal een nieuwe richting in zijn leven besloot in te slaan. Hij wilde weer terug naar zijn oorspronkelijk woonhuis, naar zijn vader en broer. Geldt dat niet ook voor ons allen? Laten wij verder gaan  met ons onderzoek:

De hier op aarde levende mens heeft dus een geestelijk lichaam, dat met de ziel verbonden is en samen met haar in een materieel, vleselijk lichaam leeft. Het centrum van de mens is eigenlijk de ziel. Daar gaat zijn wil vanuit. Zijn hersenen worden door de ziel gebruikt om beslissingen te nemen. Zijn materiële lichaam is noodzakelijk om het contact met de buitenwereld te onderhouden. Het geeft dan ook zijn wensen en lusten aan zijn ziel door. 

Aan de binnenzijde van de ziel is de geest of het geestelijke lichaam, – deze heeft natuurlijk niets met het verstand te maken – die wederom de ware hemelse mededelingen aan zijn ziel doorgeeft. De ziel luistert naar beide kanten om dan te beslissen wat haar beter uitkomt. Het is dan ook gemakkelijk te begrijpen, dat materieel gezinde mensen liever niet naar de geest luisteren en die zelfs doodzwijgen.

Ons geestelijk lichaam is een belangrijk deel van onszelf, zoniet het belangrijkste deel. Het gaat er in ons leven om, onze lage energie op een hoger peil te brengen. Anders gezegd: onze liefde – dat is de energie, die nog ontbreekt of waarvan er maar weinig in onze ziel aanwezig is, dus onze liefde voor God, onze hemelse Vader, voor alle medemensen en voor alle dieren en wezens – zullen wij moeten ontwikkelen en sterken om op die manier lichaam en ziel dichter bij de geest te brengen. Wij herinneren ons, dat wij allereerst als geesten zijn geschapen, daarna zijn weggelopen en nu vanuit het aardse leven terug mogen gaan naar een puur geestelijk leven. Dat is ook het principe van de geestelijke wedergeboorte.

De verbinding tussen liefde en energie zal nog iets beter uitgelegd moeten worden. Van Mozes weten wij, dat hij gezegd heeft, “geen mens kan God zien en blijven leven.” Waarom is dat zo? God is een onvoorstelbaar hoge energie, die in zijn nabijheid alles verbrandt. God wordt daarom ook als een bijzonder intensieve lichtbron waargenomen.

Het centrum van God is liefde. Dus wordt zijn liefde als energie naar alle wezens, naar alles wat bestaat, uitgestraald. Als Jezus ons leert dat wij alleen in liefde naar de hemel kunnen komen, dan betekent dat, dat we onze huidige, behoorlijk lage energie moeten verhogen door zoveel mogelijk liefde van God aan te nemen en deze ook aan onze medemensen door te geven. Hoe meer liefde ik aan anderen geef, des te meer liefde verzamelt zich in mijzelf.

Als voorbeeld moge dienen, dat engelen vaak in een stralend lichtgewaad verschijnen. Dat komt doordat zij een veel hogere energie hebben dan wij.

Ook het feit dat Mozes doeken over zijn hoofd moest dragen toen hij van het gesprek met Jehova terugkwam, om de mensen niet door zijn stralend aangezicht te verblinden, is een teken van deze bijzondere energie van liefde. 

3. De tegenwoordige toestand van de ziel

Wij hadden erover gesproken, dat de energie van de afvallige engelen afnam. Dat kwam door hun hoogmoed. Hun zielen – en natuurlijk ook onze zielen – waren en zijn de dragers van onze eigenschappen, zoals deze hoogmoed. Alle afvalligen krijgen de kans om naar huis, naar de hemel, terug te keren door een aards leven als mens. Voordat de zielen weer “bruikbaar” of geschikt waren voor het incarneren in een mens, waren zij in zeer kleine partikelen gesplitst en gevangen genomen om hun negatieve, boze aard weer tot rust te brengen. Dat duurde enkele miljoen jaren. Hoewel de zielen zich door deze lange gevangenschap en wederopbouw langzamerhand tot een in zekere zin verdraagzaam wezen hebben ontwikkeld, is het duidelijk, dat de menselijke ziel bij haar geboorte op aarde toch nog beslist geen zuivere engel kan zijn. Positieve en negatieve eigenschappen zijn beide in gelijke mate in haar aanwezig. 

Laten wij nu de oorsprong van het negatieve bezien: dit zijn hoogmoed en egoïsme. Daaruit komt alles voort wat “kwaad” is, waarmee ik het slechte, het negatieve bedoel, zoals heerszucht en machtswellust, belustheid op geld, eerzucht, de zucht naar buitensporige seks, strijd, roof, moord etc. (zie: “De wederkomst van Christus, bladzijde 13).

Jezus zegt: “ Wie van deze zonden in één klap bevrijd wil zijn, moet alleen de hoogmoed overwinnen, omdat zij de oorzaak van alle zonden is.”

Er zijn genoeg voorbeelden te bedenken van situaties, die zich in het dagelijkse leven voordoen, b.v.:

Als wij kijken naar de topprestaties in de sport, dan zien wij dat het daar om eerzucht draait. Jezus zegt met betrekking daartoe: “iedere handeling, waarin iets van eerzucht valt te bespeuren, zal voortaan zonder zegen blijven.” Dat geldt dus ook voor topsport. En wie van ons kijkt niet graag eens naar een beetje sport op TV? Leven wij dan niet ook té zeer mee en nemen wij daardoor deze eerzucht in onze ziel en ons wezen over? De bedoeling is, dat wij onze medemens liefhebben. Hoe kun je echter iemand lief hebben, als je hem met alle middelen bestrijdt?

Een ander voorbeeld: wij weten allemaal, dat Jezus heeft gezegd: “ Gij zult niet doden!” Dat betekent niet alleen een ander doden, maar ook niet jezelf doden! Denk eens aan euthanasie. Heeft het er niet alle schijn van, dat bij een dergelijke handeling het zojuist genoemde gebod als het ware in tweevoudige zin overtreden wordt? Immers enerzijds doordat de patiënt zijn eigen dood wenst en daarnaast ook door de behandelende arts, die gevolg geeft aan het verzoek van de patiënt en aldus bewerkstelligt, dat de dood van de patiënt intreedt. Zou dat niet als mateloze hoogmoed moeten worden gezien, iets beter en anders te willen weten dan de schepper of beter gezegd dan onze hemelse Vader? Wij hebben het leven ons toch niet zelf gegeven, maar Hij heeft het ons gegeven! 

En wordt hier ook nog niet een verkeerde inschatting gemaakt? Wij sterven toch eigenlijk helemaal niet, slechts onze bestaansvorm wijzigt zich. Het aardse verdriet en de pijn, zoals die aan het einde van ons aardse leven aanwezig zijn, nemen wij immers mee naar de nieuwe situatie aan gene zijde! Daarbij komt dan nog het verdriet over de verkeerde wijze van handelen door de zelfdoding.

Het gebod “Gij zult niet doden” is ook in geestelijke zin belangrijk, omdat alles allereerst geestelijk ontstaat. Als iemand een medemens van diens geloof aan God en Christus afbrengt, is dat daarom het geestelijk doden van iemand. Omdat wij juist voor het versterken van liefde en geloof moeten leven, is geestelijk doden een echte misdaad. (Geestelijke Zon, deel II). En deze misdaad valt ook onder “Gij zult niet doden”.

En nog een ander voorbeeld: Denk eens aan de dieren. 

– Kunnen experimenten met levende dieren juist zijn om cosmetica en medicijnen voor de mens te testen? 

– Vergeet ook niet hoeveel koeien, schapen en varkens onnodig gedood werden vanwege de MKZ en de BSE. Aan de ene kant gebeurde het uit hoogmoed: het is maar een dier! En aan de andere kant is het de vraag: wie heeft deze ziekten veroorzaakt? Dat waren toch weer wij mensen uit geldzucht.

– Het dier in het algemeen wordt volgens de meeste wetten niet eens als een levend wezen bekeken maar alleen als een dode zaak, om de genoemde experimenten te kunnen uitvoeren.

Deze voorbeelden maken ons erop attent, hoe sterk wij mensen ons in de hoogmoed bewegen en alleen ons eigen voordeel zoeken. 

Wij hebben nu al een goede vooruitgang gemaakt in ons onderzoek. We zien welke foutieve instelling wij vaak hebben, maar ook hoe wij het geestelijke doel kunnen benaderen. Laten wij luisteren naar wat ons uit de hemel gezegd wordt:

In deel III van het GJE wordt ons door de engel Raphael uitgelegd hoe wij moeten omgaan met de medemens en de natuur. Hij zegt dat het beste middel de naastenliefde is. Maar deze – en dat is belangrijk – kan alleen functioneren als zij samengaat met zachtmoedigheid, deemoed en geduld. Zonder deze drie eigenschappen bestaat er geen liefde. Iedereen, die zijn naastenliefde op een hoger peil wil brengen, moet deze drie eigenschappen aanpakken en verbeteren.

Onze hemelse Vader heeft verschillende mogelijkheden om ons wakker te schudden uit onze diepe, materiële slaap:

  1. door zijn liefde in ons hart te leggen.
  2. door zijn woord, gegeven b.v. door de bijbel, en opnieuw door Jakob Lorber, Swedenborg en anderen.
  3. Maar ook door zijn macht, die Hij gebruikt.

De eerste twee alternatieven zijn rustig en vreedzaam, maar vragen wel onze vrijwillige activiteit. De derde is getekend door de goddelijke wil, die niet toelaat dat zijn kinderen de geestelijke dood opzoeken. Als voorbeeld kan hier dienen, dat mensen ziek worden of een ongeluk krijgen, wel te verstaan door eigen schuld. De beschermengel helpt niet om dat te voorkomen, maar wel om de mens bewust in nood te brengen. Vaak begint de mens in zo’n noodtoestand een beetje dieper na te denken en in zijn hart te voelen waarom hij in deze toestand terecht gekomen is en wat hij nu kan doen om in de toekomst daarvan af te zijn.

Jezus zegt ons steeds weer, dat liefde gelijk is aan leven. Verwaarlozen wij de liefde, dan neemt de kwaliteit van ons leven af. Willen wij leven, dan moeten wij liefhebben! Hoe nu deze geest van liefde is, die ons leven bepalen zal, zullen wij nu nader bekijken.

4. Begin van innerlijke groei

In het GJE staat, vrij vertaald:

“Het is zo, dat op deze aarde al het leven voortdurend aan allerlei vijanden blootgesteld wordt en steeds strijdvaardig moet klaarstaan om zich zodanig te handhaven. Maar deze strijd voor de overwinning betreft alleen de materieel gerichte kant van de ziel, die altijd dan het meest te lijden heeft, als haar innerlijke, geestelijke kant zich losmaakt van de materie en naar een hogere levensfase overgaat.”

Bij Mayerhofer lezen wij in preek 36: “ Het wereldse moet veracht en gekruisigd worden als het geestelijke in de mens zal verrijzen.”

Maar wij hoeven niet alles zelf te doen. Jezus hecht er veel waarde aan, dat wij naar een tedere en vaste gemeenschap met Hem zullen toegroeien, om al zijn genade en liefde te kunnen ontvangen. Als wij de gemeenschap met God in ons in stand houden, dan blijven wij er ons voortdurend van bewust dat Zijn geest in ons aanwezig is.

Hoe kan ik nu weten wat ik wel en wat ik niet mag doen?

  1. Zonder twijfel is de eerste stap in mijzelf God als Vader te erkennen en in Hem te geloven.
  2. Met het verkregen vertrouwen en geloof in God – die ik nu als mijn Vader beschouw – is de tijd gekomen, dat de mens zichzelf gaat beschouwen, zoals Jezus het noemt. 

Tegenwoordig wordt dat ook meditatie genoemd. Maar zelfbeschouwing is toch een toepasselijker benaming. Het is geen verstandelijk onderzoek, maar men ondergaat de zelfbeschouwing als een gevoel vanuit het hart en zij dient juist vanuit diepe innerlijke rust plaats te vinden.

Wij hebben nu geleerd, dat onze ziel als het denkende ik het belangrijkste deel van ons is en daarom datgene is, wat veranderd moet worden. Aan de buitenkant van de ziel bevindt zich het stoffelijke lichaam, dat op het materiële gebeuren gericht is en als het ware “naar de ondergang” lokt. Bij het woord “ondergang” denken wij aan de lage energie van de materie. 

Binnen in de ziel is de geest aanwezig, die steun krijgt van de godsvonk, die op een zachtaardige wijze de mens op de hoge energie van de liefde attent maakt. Wil de mens aan het luide lawaai van het uiterlijke leven ontsnappen, dan moet hij allereerst inzien dat het uiterlijke niet van primair belang voor hem is. En juist dat inzicht kan worden bereikt door dagelijkse zelfbeschouwing. De mens ontdekt daardoor zijn gevoelens, zijn diepe wezen, zijn doelstellingen. Daardoor zal men beginnen het leefmilieu anders te beschouwen en andere prioriteiten te stellen. Het negatieve, dat als zodanig herkend wordt, zal daardoor een steeds minder belangrijke rol gaan spelen.

Voorbeeld: iemand doet aan een sportcompetitie mee en voelt, dat hij zich opwindt en ten opzichte van de tegenstander boze gevoelens krijgt. Hij zal bij een zelfbeschouwing in zichzelf boosheid en eerzucht vinden, die hij op de ander probeert over te dragen. Wat moet die persoon doen om deze slechte eigenschappen in zich te veranderen? Allereerst moet hij erover nadenken of hij zichzelf überhaupt veranderen wil. Wil hij dat, dan komt hij snel tot het inzicht, dat hij elke soort van agressieve sport moet opgeven. Dus hij begint zijn leven aan te passen aan het geestelijke zijn. Maar deze aanpassing gaat niet zomaar, zij duurt voort tot aan de overgang naar het hiernamaals.

Als gevolg van de zelfbeschouwing ontstaat dus inzicht in het onzuivere en vervolgens kan met het zuiveren van de ziel begonnen worden. Daarbij mag je nooit vergeten, dat de hemelse Vader en plaatsvervangend onze beschermengelen altijd met vreugde willen meehelpen om deze opgave te volbrengen. Ook mogen wij in dat verband nooit denken, dat God boos is op ons. Hij is uitsluitend liefde en kan echt niet boos worden. Het gevoel van schuld zit in ons eigen bewustzijn, dus in ons wezen van de ziel. Daar moet het uit! Als wij in God onze vertrouwde en liefhebbende Vader herkennen, dan kunnen wij ons verkeerde gedrag aan Hem overgeven zonder een gevoel van schuld te behouden. Wij zijn toch van plan het beter te doen?! Daarom leven wij toch hier op aarde?!

Als gevolg van deze zuivering komt er ruimte vrij in onze ziel. Deze ruimte kan nu door de liefde van de geest ingenomen worden. Nu gebeurt plotseling iets, dat ons zal verwonderen. Wij horen ons geweten, of beter gezegd: wij ervaren de aanwezigheid van onze geest in ons veel duidelijker.

5. Geestelijk bewustzijn

De samenwerking tussen ziel en geest begint. Ik wil er nog eens aan herinneren, dat al onze handelingen vanuit de ziel gestart worden. Zij beslist of zij haar materiële wensen en lusten, óf de gevoelens vanuit de geest gebruikt. Het verstand dient hiervoor als haar hulpmiddel. Wij erkennen, dat God het is, die ons alles ter beschikking stelt: zijn liefde, zijn geduld, zijn wilskracht. Maar wij moeten zelf actief worden en deze krachten aanpakken, gebruiken en toepassen in ons dagelijks leven. Alleen als wij door eigen initiatief deze goddelijke krachten inzetten, kunnen wij zelfstandige godskinderen worden. Wij vragen om Zijn hulp, doen ons best en Hij helpt. Overeenkomstig de fase van ontwikkeling, waarin wij ons momenteel bevinden, krijgen wij opgaven aangereikt met de bedoeling om deze op te lossen, waardoor wij een dieper inzicht in het ware leven krijgen. Denk maar aan het gebed: “Onze Vader”. Wij bidden “geef ons ons dagelijks brood” en “leidt ons niet in verzoeking”. Dat brood is geestelijk bedoeld: het zijn de genoemde opgaven, die noodzakelijk zijn voor onze groei. Gelijktijdig vragen wij, dat deze opgaven niet te moeilijk zijn – leidt ons niet in verzoeking. 

De hulp, die wij van onze hemelse Vader krijgen, kan op verschillende manieren worden gegeven – b.v. via droombelevenissen, die aansluiten bij de actuele ontwikkelingsfase waarin de betreffende persoon zich bevindt; zij moedigen deze persoon aan om de volgende stap te zetten in de richting van verdere geestelijke ontwikkeling. 

Voorbeelden:

Bij mij is dat gedurende enkele jaren via droombeelden gebeurd. Een van de eerste lessen was het volgende:

  • Ik kreeg dezelfde droom twee keer achter elkaar met een klein maar belangrijk verschil in de tweede droombelevenis. Ik liep in een smal straatje, dat net een bocht naar links maakte. Aan de binnenkant stonden dichte struiken. Toen ik om de bocht kwam, zag ik vóór mij een kapelletje. De deur stond open. Op dat moment stormden twee mannen uit de struiken tevoorschijn en schoten op mij. Ik zakte in elkaar en riep om hulp, eerst naar mijn moeder, toen naar mijn broers, maar geen een reageerde. Zo stierf ik. – Nu begon alles nog een keer tot aan het punt, waarop ik door de kogels geraakt werd; toen veranderde de droom. Ik hoorde een duidelijke stem: “Waarom zoek je hulp bij mensen en niet bij Mij?” In een flits begreep ik, wat daar tegen mij gezegd werd en wie het was, die dat zei – namelijk Jezus; daarop wankelde ik het kapelletje binnen. Daar keek mij een man met een lang wit gewaad aan, die bevestigde wat ik hoorde. Zo gesterkt ging ik weer het kapelletje uit. Hij heeft mij hulp gegeven en ik hoefde niet te sterven zoals in de eerste droom. – Er moet nog worden uitgelegd, dat het kapelletje het hart is en dat Jezus daarin te vinden is. 
  • Maar de geestelijke ontwikkeling kan ook anders beginnen, b.v. door het lezen van de Nieuwe Openbaring en het daardoor herkennen van de ware weg.
  • Door zelfbeschouwing met als winst, zichzelf te herkennen.

Onze hemelse Vader dringt er bij ons allen op aan, met name nu wij ons in de eindtijd bevinden – ik noem dat liever de overgangstijd – om deze schoonmaak binnen onze ziel zo spoedig mogelijk uit te voeren. Hij wil met ieder mens in zijn innerlijk spreken, hem op zijn weg leiden.

Daarom heeft onze geest in zich de – al genoemde – goddelijke vonk. Als onze ziel is begonnen om met haar geest samen te werken, wordt daardoor deze goddelijke vonk geactiveerd en geeft zij de noodzakelijke goddelijke mededelingen aan de mens door.

Als wij daar echt intensief en serieus mee aan het werk gaan, zullen wij ontdekken wat de werkelijke betekenis is van “God boven alles lief te hebben en de naaste zoals jezelf!” Wij gaan er steeds vanuit dat wij met ons verstand moeten leren, maar het voelen uit liefde gebeurt in je hart en wel op een hoger niveau dan het verstand ons kan geven. In ons, dus in iedere mens, leeft God. Als ik God liefheb, die in mij leeft, dan mag ik toch ook mijzelf liefhebben en dat zonder schuldgevoelens. En als ik iets wil uitdelen aan een ander, dan moet ik toch eerst zelf daarvan wat hebben.

Als in mijn innerlijk een goddelijke mededeling wordt gegeven, die vervolgens door het verstand in woorden kenbaar wordt gemaakt, dan is dat zowel de hemelse Vader die spreekt, als ik zelf. Omdat ieder mens een eigen geest met de goddelijke vonk heeft, geldt dit voor ieder mens en kan ieder mens dat ook bij zichzelf vinden en toepassen. 

Iedereen moet daarbij natuurlijk alert zijn en leren vaststellen of het daadwerkelijk het innerlijke hogere ik is dat leiding geeft, dan wel of er wellicht sprake is van misleiding.

Wij gaan nu een stap verder. Veronderstel, dat iemand met en overeenkomstig zijn geest leeft, dan gaat zijn energie omhoog. Hogere energie betekent meer liefde. Jezus zegt bij Mayerhofer:  “Het verzoek aan mij zal jullie verheffen boven al het wereldse. Ik geef graag aan de vragende wat hem in geestelijk opzicht goed zal doen.”

Verder horen wij van Hem: “Wie Mijn leer niet volkomen in de daad omzet, maar deze slechts aanhoort en nu en dan bewondert, die krijgt Mijn geest niet en Mijn hele leer helpt hem dus in feite weinig of niets. Want als hij na het afleggen van zijn lichaam daar uiteindelijk naakt als ziel staat, dan zal hij van Mij en Mijn leer niets meer weten.”

Ook hier erkennen wij, dat een overledene, die zich in zijn aardse leven niet veel om geestelijke dingen heeft bekommerd, zonder licht en liefde in het hiernamaals aankomt en zo letterlijk in het donker staat, omdat zijn aardse kennis hem daar niet helpt.

6. Verandering op aarde

De door ons aangenomen liefde komt dan op een steeds hoger niveau te staan. Anders gezegd: als onze energie wordt verhoogd, beïnvloeden wij ook onze omgeving in positieve zin: de medemens, de dieren, de planten, de aarde. Velen van ons hebben deze ervaring al meegemaakt met een plantje in de woonkamer of in de tuin, dat het opeens bijzonder mooi bloeide als wij er meer aandacht aan  schonken. Alles neemt samen met ons een hogere energie aan. Dat is het, wat Jezus ons in deze eindtijd, dus in de tijd van verandering van de aarde, wil zeggen. Wie niet meedoet en meegroeit, blijft in de lage energie hangen en maakt het zichzelf moeilijk, zo niet onmogelijk om verder te leven. Diegenen komen minstens op een behoorlijke omweg terecht. Die omweg betekent verdere levens op andere planeten met minder vrijheid en meer noodsituaties. 

Hier aangekomen in onze tekst, moeten wij ons afvragen of wij überhaupt een andere mogelijkheid hebben dan het geestelijke levensdoel aan te nemen? Toch kan iedereen dat alleen voor zichzelf beantwoorden en beslissen.

De vredestijd, die snel zal komen, vindt op een hogere energiefrequentie, dus op een hoger liefdesniveau plaats. Dat is de verandering die zal aanbreken. Maar eerst zal zij in ons plaatsvinden en zij zal ons de mogelijkheid geven om erbij te zijn in het vrederijk. Ons wordt gevraagd om actief aan deze verandering mee te werken. Wij moeten het willen, alleen dán kan door de hemelse Vader hulp gegeven worden. Wij zijn immers geen robots, maar mogen zelfstandige goddelijke kinderen worden, die werkzaam zullen en mogen zijn overeenkomstig Zijn wil.

Daarom staat ook in de N.O.: Eerst komt Jezus individueel terug in het innerlijk van ieder mens. Nadat wij Hem innerlijk hebben aangenomen, komt Hij ook zichtbaar, dus in letterlijke zin zichtbaar terug.

Van Johannes Widmann wil ik graag iets weergeven. Door hem zegt Jezus:

Wie mij liefheeft, voelt mijn aanwezigheid.

Wie op Mijn woord let, ziet Mij, de waarheid.

Wie Mijn wil doet, hoort Mijn woord van troost en leiding.

En verder:

Als Vader ben ik aanwezig.

Als Zoon ben ik zichtbaar.

In de Heilige Geest ben ik hoorbaar.

De individuele, binnen de mens plaatsvindende komst van Jezus brengt de mensen in direct contact met hem. Deze mensen zullen daaruit een grote kracht putten. En dat is geen toekomst, dat gebeurt nu al. In “De wederkomst van Christus” staat een uitleg over Matth: 24,30: “dan zal aan de hemel het teken van de mensenzoon verschijnen.” “Hemel” betekent hier het door de mens aangenomen goddelijke woord, dat door de geest in ons steeds bevestigd wordt en “het teken van de mensenzoon” is de liefde en alles wat daaruit volgt. Dus het door ons aangenomen woord leidt tot liefde.

En Jezus zei ook: ”Ik ben het, die op de aarde terugkeert in de geest van Mijn levend woord, dat ik in de toekomst in de harten van die mensen zal leggen, die Mij liefhebben.” Wij mogen en zullen ons openen voor Hem en de aangeboden liefde aannemen.

7. Bestemming van de mens

Kijken wij nog eens naar die laatste zin: “ de aangeboden liefde aannemen.” De liefde in God is het rijk van onze hemelse Vader. Nemen wij zijn liefde aan, dan zijn wij al in zijn rijk. Daar moeten wij naartoe groeien. Als wij ons voorts herinneren, dat liefde gelijk is aan leven, dan begrijpen wij de zin van Jezus´ woorden heel goed: “Ik ben het leven” en “Ik ben de weg.”

In feite betekent dat, dat wij zijn manier van leven, zijn voorgeschreven wijze van leven moeten overnemen en dat kan weer alleen als wij Hem boven alles liefhebben. Dat is de weg om naar ons doel te komen. 

Dat “boven alles liefhebben” geeft ons het innerlijke woord, dat ons zijn wil bekend maakt en ons verder leidt naar zijn rijk. Natuurlijk zullen verzoekingen en beproevingen steeds op ons af blijven komen, maar door zijn aanwezige kracht in ons zijn deze makkelijker te overwinnen.

Tot slot uit de “Himmelsgaben” nog een citaat: “Als gezegd wordt, dat alleen Mijn

Rijk gezocht moet worden en dat alle verdere dingen vrij gelaten worden, bedenk, 

dat Mijn rijk pure liefde is. Diegene die Mij door de liefde zoekt, die heeft ook 

Mijn rijk samen met Mij gevonden.”

En in de “Natürliche Sonne” lezen wij:

“Mensen, die op deze aarde de zuivere liefde tot Mij gevonden hebben en van daaruit al het wereldse en materiële hebben afgelegd en alleen nog Mij willen – diegenen hebben voor zichzelf de langdurige weg tot vervolmaking in het hiernamaals bijzonder verkort. Zij zijn Mijn ware broeders en zusters en komen direct in de hoogste hemel, waar Ikzelf woon.”

“De brug naar de hemel”

Tekst van de lezing op 13 maart 2002

voor de Lorber Werkgroep 

Op een koude, sterrenrijke woensdagavond medio maart vonden ca. 40 mensen de weg naar de Karmel om er een lezing over Pasen aan te horen van Günther Holderer met als titel “De brug naar de hemel”. Deze lezing ging vnl. over de betekenis van de menswording van Jezus op aarde en over de gevolgen van Zijn opstanding voor de individuele mens. 

De onderstaande tekst van de lezing werd ons door Günther welwillend ter beschikking gesteld. Deze tekst heb ik aangevuld met passages die op de lezing wel zijn uitgesproken, maar niet in het oorspronkelijke manuscript voorkwamen. In het tweede deel van dit verslag komen de meest markante vragen aan bod die ná de pauze zijn gesteld.                                                                                                                                                 

  1. De toestand van de mens

Waarom zouden wij een brug naar de hemel nodig hebben?

Waarom staan wij meestal aan de verkeerde kant van de brug?

Waarom kunnen wij niet blijven waar wij zijn?

Wat is eigenlijk het verschil tussen de beide kanten?

Dat zijn een aantal vragen.

De antwoorden daarop heeft Jezus ons gegeven. 

Daarom zullen wij nu beginnen met het nader bekijken van de antwoorden op onze vragen.

Als eerste voorbeeld nemen wij het verhaal over: “de verloren zoon”. Dat is kenmerkend voor de hele geschiedenis van vanavond, “De brug naar de hemel”. De vader is God. De éne zoon staat voor alle engelen, die in de hemel gebleven zijn en de andere zoon staat voor Lucifer met alle afvallige engelen. Ver verwijderd van God, o.a. op onze aarde, komen deze in nood, omdat de erfenis – de liefde die door de vader meegegeven werd – verbruikt is. Daarom wil hij weer naar de hemel – de brug – toe. 

Wij staan als lichamelijk mens aan de kant van de materie en zijn op weg naar de geestelijke wereld, het liefst naar de hemel. Wij zullen niet alleen geloven, maar ook begrijpen dat 2000 jaar geleden tijdens Pasen de brug van de materie naar de hemel door Jezus gebouwd werd.

Maar eerst willen wij twee stappen teruggaan en bekijken wat oorspronkelijk gebeurde en deze situatie in de materie liet ontstaan. 

God is liefde en heeft ons mensen vanuit deze liefde geschapen. Zijn doel was en is nog steeds, dat wij zijn kinderen zullen zijn, Godskinderen dus, en Hij onze goddelijke vader. Omdat God geest is en wij naar zijn evenbeeld zijn geschapen, zijn ook wij geesten of wij kunnen ook zeggen: engelen, althans, wij zijn engelen geweest. De oorspronkelijk geestelijke situatie veranderde met de val van Sadhana-Lucifer.

Een samenwerking tussen een vader en een kind kan alleen dan zinvol zijn, als het kind vrij mag denken en handelen. Maar wij mensen als toekomstige goddelijke kinderen moeten leren die vrijheid op de juiste manier te gebruiken en daarvoor is wel een opvoeding nodig. Als het kind plotseling niet meer wil leren en wegloopt van huis, dan maakt dit het voor de vader erg moeilijk het zojuist genoemde doel te bereiken. Dat weglopen van huis is onder leiding van de eerste engel Satana-Lucifer echt gebeurd. Een groot aantal geestelijke wezens scheidde zich af van God. Zij vergaten echter, dat de voeding om te kunnen leven alleen van God komt. Zonder voedsel – en dat is de liefde – kan niemand leven! De afvalligen snelden hun ondergang tegemoet. Hun hoge geestelijke licht- en liefdesenergie werd steeds zwakker. 

God, de vader, heeft al zijn kinderen lief, niet alleen diegenen die begrepen hadden dat zij hun leven dienden in te richten overeenkomstig de leer van God, waardoor zij in de geestelijke wereld, de hemel, een gelukkig leven vol met prachtige gebeurtenissen konden leiden, maar hij heeft ook degenen lief, die dat niét deden, de afvalligen. Het was nu belangrijk om aan alle afvalligen de mogelijkheid te geven om in vrijheid tot het inzicht en de overtuiging te komen dat zij verkeerd hadden gehandeld. En deze gelegenheid tot inzicht hebben zij gekregen – dat zijn wij mensen op aarde. Aan de aanvoerder van de afvalligen, Lucifer, moest nu bewezen worden dat het voor een materieel – nog afvallig – mens, die tevens voorzien is van ziel en geest, mogelijk is alle vergankelijke verleidingen te overwinnen die tot de geestelijke dood voeren. Alleen daardoor kon Lucifer ervan overtuigd worden, dat zijn medeafvalligen de weg over de brug terug zullen vinden en hij uiteindelijk absoluut eenzaam zal achterblijven, oog in oog met de eeuwige dood.

  1. De opgave van Jezus

Het zal nu niet moeilijk te begrijpen zijn, dat de mens Jezus voor een buitengewoon zware opgave stond. Het lag nu aan Hem dat aan Lucifer te bewijzen en de weg over de brug voor de afvalligen te bouwen. Om dat nog eens duidelijk te maken: het rijk van Lucifer bestond juist uit zijn mede-afvalligen. Als diegenen teruggaan naar de hemel, blijft Lucifer alleen achter zonder een rijk. 

Het materiele lichaam van Jezus en zijn ziel moesten precies zo zijn als bij ieder ander mens. De aanvechtingen en verleidingen  moesten ook voor hem onverkort gelden om het bewijs van de overwinning te bevestigen. De innerlijke geest van Jezus was de goddelijke geest zelf. Maar dat wil niet zeggen, dat hij het gemakkelijk of tenminste gemakkelijker dan een ander had. Zijn ziel bepaalde wat hij wilde doen, precies zoals bij ons. Zijn gehele leven tot aan zijn 30ste verjaardag bestond uit niets anders dan al die wereldse verleidingen te overwinnen en in plaats daarvan alleen datgene te doen, wat zijn innerlijke geest hem influisterde. 

Denken wij eens aan onszelf: wij hebben niet alleen een geest maar ook de godsvonk in ons, die wij door de daadwerkelijke overwinning van Jezus – door zijn lijden aan het kruis en de opstanding – gekregen hebben. Deze vonk is een ongeschapen deel van de goddelijke geest zelf. Wie van ons durft nu te zeggen, dat hij steeds of tenminste voor het merendeel zo handelt als de goddelijke vonk het ons voorhoudt? Ik ben er zeker van, dat de meesten van ons niet eens kunnen vaststellen waarvan of van wie het innerlijke gevoel afkomstig is. Dit  alleen maar om aan te geven hoe moeilijk de opgave van Jezus was.

Intussen waren zijn drie leerjaren bijna voorbij. De geest van God in hem heeft ons mensen – en niet alleen zijn discipelen in de tijd van toen – bijzonder veel geleerd. Uitvoerig kregen wij Zijn leer door Jakob Lorber in de “Nieuwe Openbaring”, waarin onder andere staat 

  • dat God geen wezen is dat ergens ver weg leeft, maar wel in onszelf. 
  • Verder ook, dat ons aardse, materiele leven alleen tijdelijk is om na de lichamelijke dood in een eeuwig leven van ons geestelijk lichaam over te gaan. 
  • Tenslotte hoe wij dit aardse leven vorm moeten geven in de wetenschap, dat Hij ons de weg gewezen heeft.
  1. Gethsemane

De mens Jezus, die wist wat hem te wachten stond, ging na het avondmaal samen met zijn discipelen naar de tuin Gethsemane. Drie van hen vergezelden hem om hem steun te geven. Zij zouden samen met hem bidden. Het laatste en moeilijkste gedeelte van de opgave wachtte Jezus nu en in verband daarmee verwijderde zich de goddelijke geest uit Hem. De mens Jezus moest dit alleen voleindigen, om zodoende een volledige overwinning over Lucifer te behalen! Vandaar ook het menselijke zoeken om steun van zijn discipelen te krijgen. Dezen deden ook hun best, alleen zij herkenden nog niet de ware zin van zijn opgave. Zij vielen in slaap en voor Jezus werd het daardoor duidelijk, dat hij zijn werk helemaal alleen moest volbrengen. Hij keerde naar zijn eenzame gebedsplaats terug. Daar wachtte – voor Jezus onzichtbaar – de bedrieger, om te zien hoe de beslissing zou uitvallen. Jezus vocht in zichzelf. Hij hoorde in zich: “Je kunt het doen, je zult het doen, maar je hoeft het niet te doen!” Zijn ziel trilde in de hoogste inspanning tot zij zichzelf had overwonnen om het offer voor alle mensen te brengen. “Vader, als het mogelijk is, dan moge deze kelk aan mij voorbijgaan, zoniet, dan zal ik hem leegdrinken.” De beslissing was gevallen. Het drama dat nu zou volgen, was niet meer te stoppen.

Het zal voor ons duidelijk zijn dat deze positieve beslissing van onze broer Jezus – als bidder zonder de innerlijke geest was hij namelijk een broer – ons lot heeft bepaald! Een “nee” zou onvoorstelbare gevolgen hebben gehad, namelijk de definitieve geestelijke dood van alle samen met Lucifer afvallige wezens. Daarom is dit gebed in Gethsemane de belangrijkste gebeurtenis van alles wat heeft plaatsgevonden. 

De zonde tegen de Heilige Geest moest een genoegdoening ervaren en deze zonde was door Satana-Lucifer en zijn aanhang begaan. Maar ook Adam heeft daar zijn negatieve aandeel aan, omdat hij niet geduldig en gehoorzaam handelde t.o.v. het éne gebod, dat hij kreeg. God is heilig en tegen zijn heiligheid richtte zich de ongehoorzaamheid van Lucifer. Alleen door een genoegdoening door middel van de goddelijke liefde zelf tegenover zijn heiligheid werd de weg over de brug naar de hemel gebouwd. En deze goddelijke liefde vertegenwoordigde Jezus.

Ik heb eens een vergelijking gelezen: een engel staat voor de poort van Gethsemane. Alle mensen komen gedurende hun leven tenminste eenmaal daar langs. Vele lopen gewoon voorbij, anderen blijven staan en nemen een slokje uit de kelk van de engel om hun medeleven te tonen, maar slechts zeer weinigen gaan Gethsemane binnen, omdat zij tevoren van de engel de volgende woorden hadden gehoord: “Wie binnen gaat, moet lijden zoals de meester, omdat een knecht hetzelfde moet ondergaan als de meester.” 

  1. Veroordeling

De liefde, door middel waarvan Jezus zijn wonderbaarlijke genezingen deed en nog meer zijn leer van de Gods- en naastenliefde, lokte de woede van de hogepriester en de tempeldienaren uit. Zij zagen hun macht in gevaar komen. Van hen had men toch bij uitstek mogen verwachten, dat ze met enthousiasme al hun steun aan Jezus als de verwachtte Messias zouden geven. Maar voor de zoveelste keer had de hang naar macht in de tempel de overhand gehad. Door de Romeinse  bezetting mocht Israël niet zelf vonnissen wijzen en ten uitvoer leggen. Daarom vroeg de Hoge Raad van de tempel aan de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus, of hij het doodsvonnis over Jezus wilde uitspreken en ten uitvoer leggen. Deze man – Pontius Pilatus – zag duidelijk, dat een onschuldige veroordeeld zou worden. Uit de “Himmelsgaben” (van Jakob Lorber) weten wij dat Tullia, de vrouw van Pilatus, een droomgezicht had, waarin ze Jezus boven de wolken van de hemel zag zweven met vele engelen die hem toejuichten: “Heil onze grote God!” Deze droom was ook Pontius Pilatus bekend. Maar toch willigde hij het verzoek van de Hoge Raad in, omdat hij door de boosaardigheid van de hogepriester daartoe gedwongen werd. Nadien, nog voor de Hemelvaart van Jezus,  bezocht Pontius Pilatus in Bethanië Lazarus en ontmoette daar ook Maria en de discipelen. Hij werd een aanhanger van de leer van Jezus. Maria verzekerde hem: “Jezus heeft jou uit zijn diepe liefde vergeven!”

Wij mogen bij dit alles niet vergeten, dat de schepper van het heelal zonder meer in staat zou zijn geweest om de mens Jezus uit deze penibele situatie te redden, als dat volgens zijn bedoeling en plan zou zijn geweest. 

Het aspect van de goddelijke macht lag ook ten grondslag aan het verraad van Judas Iskariot. Hij was ervan overtuigd dat Jezus koning van Israël moest worden. Door Jezus gevangen te laten nemen wilde hij proberen Jezus te dwingen om te bewijzen dat hij – Jezus – in elke situatie de machtigste was. Tot zijn verbazing en teleurstelling verdedigde Jezus zich niet. Maar Judas had niet begrepen dat het Jezus om iets anders ging, dat veel belangrijker was dan voor een korte tijd koning van Israël te zijn, namelijk alle mensen van hun ondergang te redden.

5. Kruisiging

De in de bijbel door de evangelisten Lucas en Marcus genoemde hoofdman, die het doodsvonnis moest uitvoeren, was woedend op het aanwezige Joodse volk  Voordat hij niet  anders meer kon dan het doodsvonnis uit te voeren, vroeg hij alle aanwezigen of er dan niet één was die iets in het voordeel van Jezus wilde  zeggen. Hij drong er op aan, dat er één iets zou zeggen wat genoeg zou zijn om het vonnis niet uit te voeren. Niemand echter meldde zich.

Aan het kruis heeft Jezus de ons bekende zeven woorden gesproken. Hierop zullen wij nu ten dele ingaan. 

  • “Mijn God, mijn God, waarom heeft U mij verlaten?”

Van het gebed in Gethsemane weten wij, dat de goddelijke geest bij deze opgave niet in de mens Jezus aanwezig mocht zijn. Zijn ziel leed pijn uit liefde voor zijn broeders en zusters, de mensen, die hij zag verdrinken. Verder was er ook nog zijn lichaam, dat vastgespijkerd aan het kruis hing en van pijn brandde. Jezus riep God niet aan, omdat hij lichamelijk pijn leed, integendeel: hij wilde de mensen tot het inzicht brengen dat steun en hulp alleen bij God te vinden is. Dat is nu juist, wat de mens niet erkent. Hij vraagt overal om hulp, alleen niet bij diegene die alles geschapen heeft en niet alleen onze Vader wil zijn, maar dat ook daadwerkelijk is. 

  • “Maria, zie je zoon” en tegen Johannes: “Johannes, zie je moeder.”

Johannes had natuurlijk zijn eigen ouders. Deze uitspraak door Jezus betekende geestelijk gezien iets anders: Maria staat voor de erbarmende liefde vanuit God, menselijk gezien is het de moederliefde. Johannes staat voor alle mensenkinderen. Wij kunnen hier weer zoals in de voorgaande uitspraak zien, dat Jezus erop wijst dat alleen God ons echte en blijvende steun en hulp kan geven. Deze woorden zijn zeker ook één van de redenen, waarom in de katholieke kerk Maria als de moeder van alle mensen gezien wordt.

  • “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.”

Als iemand zich nu afvraagt, waarom Jezus “geest” zegt en niet “ziel”, dan is het antwoord, dat beide woorden in dit geval hetzelfde betekenen. Jezus wist, dat hij zijn opdracht uitgevoerd had en dat hij als mensenzoon verheerlijkt zou  worden door de goddelijke geest.

Denk aan de wedergeboorte: dat is dat de geest helemaal door de ziel wordt opgenomen en een eenheid daarmee vormt.

  • “Het is volbracht.”

Ook hier denken wij misschien iets te snel, dat Hij blij was van al de pijn te zijn bevrijd. Maar dat is het niet. Hij doelt op het volbrengen van zijn opdracht om Lucifer te bewijzen dat de verlorenen wezens weer terug naar de hemel kunnen gaan. In de praktijk betekent dit, dat voor alle mensen op aarde de weg voorbereid is om nu vanuit de lage materiele energie van onze aarde naar de hoge licht- en liefdesenergie op te stijgen. Zoals gezegd zal Lucifer nu al zijn door hem geschapen kinderen verliezen. De tijd die dat in beslag neemt – duizend jaar of misschien wel een miljoen jaar – maakt helemaal niets; het gebeurt tóch.

Vanaf het moment, waarop hij zijn materiele lichaam verliet, werd de Jezus-ziel definitief één met de Godsgeest. God is voor ons nu altijd in de Jezus-ziel zichtbaar. Aangekomen in de geestelijke wereld – en dat gebeurde nog op Goede Vrijdag – heeft Hij zich allereerst in alle gebieden van het hiernamaals laten zien als zichtbare vader. 

Wij zijn nu van deze erfzonde bevrijd, die ons in de gevangenschap van het kwade vasthield. De wens van God om alle geschapen mensen in een Vader-kind-verhouding te brengen, was werkelijkheid geworden. Dat wij op aarde levende mensen aan zijn offerweg, die zulke verstrekkende gevolgen voor ons had, geen aandacht schenken, is alleen van tijdelijke aard. De noodzakelijke ingrepen om die situatie te veranderen zullen binnenkort plaatsvinden. Hierover later meer.

  1. Opstanding

Het eerste dat op de opstanding wees, was het lege graf. Het graf was leeg, hoewel het door een reusachtige rots afgesloten was en ook nog eens door Romeinse soldaten werd bewaakt. Door de totale overgave van Jezus was niet alleen zijn ziel helemaal met de geest verbonden, maar zelfs zijn lichaam was door zijn geduldig ondergaan van marteling en kruisiging geheiligd. Dat was de reden, waarom ook zijn lichaam zich als een zichtbare lichtstraal in geest veranderde. Zó transformeerde zich zijn materieel zijn in een puur geestelijk zijn. Voor ons mensen was er opeens een zichtbare goddelijke Vader in Jezus. Voor dat tijdstip gold wat Mozes had gezegd: “Niemand kan God zien en blijven leven.” Dat is veranderd door de opstanding van Jezus. Hij is met de goddelijke geest tot een vaste eenheid verbonden en is onze hemelse Vader!

Nadat Maria Magdalena op haar weg naar het graf Jezus ontmoette, verscheen Jezus kort daarna ook in Bethanië, de woonplaats van Lazarus, aan zijn discipelen en verschillende vrienden. Onder andere was daar ook de Romeinse hoofdman van Golgotha aanwezig. Kenmerkend zijn de woorden van Jezus tegen Maria Magdalena, die wij bij Max Seltmann vinden: “Zolang het verlangen om mij te zien nog groter is dan het verlangen om mijn liefdesleer aan te nemen, zal jouw verlangen onbevredigd blijven. Je moet mij niet met je  armen willen omhelzen, maar met je hart!” Dat geldt ook voor ons. Wij zullen Jezus pas daadwerkelijk kunnen omhelzen, als wij hem eerst met ons hart hebben aangegrepen. 

  1. Jezus’ zege voor ons

Wat waren de gevolgen van Jezus’ daad voor ons? Hij zelf heeft ons in de “Himmelsgaben” van Jakob Lorber in het hoofdstuk “Verlossing” iets meegedeeld en dat heeft betrekking op zijn leven, kruisiging en opstanding: 

Het eerste wat gebeurde was de verzoening van de onaantastbare heiligheid van de Godheid door de eeuwige liefde. Deze eeuwige liefde werd mens om haar eigen schepsels voor de eeuwige dood te redden. Geen engel of ander geestelijk schepsel zou deze opgave hebben kunnen uitvoeren dan alleen de goddelijke liefde door Jezus, omdat de eerstgeschapen engel Satana-Lucifer van een grote macht was voorzien. Het enige wat machtiger was dan deze engel, was de liefde uit God. Adam, die aanvankelijk deze opgave moest volbrengen en in verband daarmee in de eerste plaats een opgave in gehoorzaamheid kreeg, was te zwak gebleken. Daarmee was de laatste mogelijkheid vervallen. De liefde van God moest de handeling zelf volbrengen.

Het tweede was, dat de gehele hel werd onderworpen aan de liefde van God. Daarvoor was de hel aan de heiligheid van God onderworpen en deze zou het niet toegestaan hebben dat ook maar één schepsel zich tegen Haar zou keren. Zijn liefde heeft toen aan de heiligheid gevraagd om de schepselen te mogen redden en deze tot eigen kinderen om te vormen. De heiligheid heeft toestemming gegeven en de liefde heeft deze geweldige daad volbracht. Ik weet dat dat voor sommigen moeilijk is. Ze zeggen misschien: God is toch God? Hoe kan hij met zichzelf in conflict zijn door soms van heiligheid en soms van liefde te spreken? Daarom wil ik ter verduidelijking een voorbeeld geven. 

Nemen we als voorbeeld een moeder met een aantal kinderen: één kind wordt ziek en zij had zich eigenlijk voorgenomen om te gaan sporten. Nu komt de innerlijke strijd te voorschijn: wint de zorg voor het kind of de liefde voor de sport? 

Het kan ook nog anders uitgelegd worden omdat Jezus ook vaak gezegd heeft: “Wie God ziet, ziet Hem als Schepper”, maar voor de Schepper ben je dan zelf een schepsel. De afstand tussen Schepper en schepsel is zo groot, dat je als schepsel nooit contact kunt krijgen met de Schepper. Als je van de Heer spreekt, zijn de anderen, de schepselen, knechten. Laten we als voorbeeld een boerderij nemen: daar heeft men verschillende knechten aan het werk. Dan zegt de heer ook niet al te veel; hij zegt alleen wat de knecht moet doen, maar er is toch een afstand tussen heer en knecht. 

De beste toestand is echter, dat God de Vader is. Jezus zegt steeds tegen ons: jullie kunnen alleen met God omgaan als jullie Hem als Vader zien; dan zijn jullie zijn kinderen en jullie zullen ook God’s kinderen worden. Daarom is het ook de liefde die ons met God verbindt. God heeft verder natuurlijk ook eigenschappen. In de “Himmelsgaben” of een ander Lorberboek heet het “De oorlog Jehova’s”. Daarin worden de zeven eigenschappen van God beschreven die met elkaar in evenwicht moeten blijven. Hij zegt: als er alleen maar liefde bestaat, kan men geestelijk niet vooruit komen, omdat de liefde alles naar zich toe trekt. Er moet ook wijsheid aan te pas komen om de liefde op een verstandige manier te gebruiken. Verder zijn nodig ernst en geduld. Al deze eigenschappen bevinden zich ook in de Godheid. 

Het derde was, dat de poorten van de hemel werden geopend en dit gebeurde door de verzoening van de heiligheid Gods. Daardoor zien wij, dat wij precies zo geduldig, zachtmoedig en in onze wil onderdanig in de wereld moeten leven om het kindschap te bereiken, als Jezus het aan ons mensen heeft laten zien. In onze harten leeft de opgestane Jezus en Hij geeft ons de beste aanwijzingen. Alleen moeten wij zelf deze aanwijzingen ook daadwerkelijk uitvoeren en in de praktijk brengen! De hectiek van de wereld moet voor ons minder belangrijk worden, omdat zij niet het ware leven is. Het echte en ware leven voelen wij alleen in ons hart.

  1. Gevolgen voor de mens

Na de Hemelvaart heeft Jezus met Pinksteren aan zijn discipelen en vrienden de Heilige Geest gezonden. Ook alle mensen, die vanaf dit moment geboren zijn, hebben de pinkstergeest ontvangen, die brengt de mensen dichter bij God. Het inleggen van deze hoge energiegeest in het hart van de mens werd mogelijk door de verlossing, die Jezus teweegbracht. Hij werkt samen met de godsgeest, die de mensen sinds Adam hebben. Hij zit ingesloten in het innerlijk van onze geest. Pas als de mens zich met zijn ziel naar zijn eigen geest toekeert, kan deze heilige goddelijke vonk worden bevrijd uit zijn omhulsel, de geest en ziel sterken en de mens verder ontwikkelen. De vonk vormt de directe verbinding met Jezus, ja deze is Jezus zelf in ons hart. Wij hoeven niet meer te bidden of Jezus wil komen. Hij is altijd in ons aanwezig. Wij zijn nog vaak blind en merken het niet en nemen de door hem aangeboden hulp niet aan. Laten we echter niet vergeten, dat wij een vrije wil hebben en de hemelse vader ons daarom nooit zal dwingen. Als wij iets doms doen, dan is dat onze eigen domheid en dragen wij ook zelf de gevolgen. Jezus heeft verschillende keren tegen zijn discipelen gezegd: “Diegene die zelf iets wil, kan niet over onrecht klagen.” Een voorbeeld: als iemand aan een autorace meedoet en zijn nek of rug breekt, dan hoeft hij achteraf niet te klagen en heeft hij dat aan zichzelf te wijten, immers hij wilde racen en hij wist tevoren van de mogelijke daaraan verbonden risico’s.

Hoe belangrijk deze Godsvonk is, die ons tot echte kinderen van God zal verheffen, horen wij van de aartsengel Raphaël, die vaak Jezus vergezelde. Hij heeft gezegd: “De geest en nog meer deze eigenlijke liefdesvlam uit het hart van God, waar door jullie tot kinderen Gods kunnen worden, krijgen jullie mensen van deze aarde vanaf nu en jullie zijn onuitsprekelijk bevoordeeld boven ons engelen, die nog dezelfde weg als jullie hebben te gaan om gelijk aan jullie te worden.”

  1. 2000 jaar later

Na deze wonderbare wegbereiding door Jezus zouden wij mensen in de afgelopen 2000 jaren eigenlijk genoeg tijd moeten hebben gehad om ons eigen te maken en na te volgen wat Jezus ons heeft aangegeven. Maar niets is minder waar, integendeel. Jezus wist dit al eerder en legde aan zijn discipelen uit, dat na  2000 jaren – dus in deze huidige tijd – de toestand van de mensen weer zoals in de tijden van Noach zou zijn. En dat is ook precies zo uitgekomen. Laten wij eens kijken naar de volgende gegevens:

Noord-Ierland: zogenaamde christelijke kerken, de katholieke en de protestantse kerk, voeren sinds jaren oorlog met elkaar. Erkennen deze christenen niet, dat Jezus liefde voor iedereen is en niet alleen voor één kerk?

  1. Israël: dit volk oefent de naastenliefde, die ook in het Oude Testament beschreven werd, beslist niet uit, maar vecht tegen Palestina oog om oog en tand om tand. Waar blijft daar de wijsheid?
  2. USA: de regering van dit land wilde in eerste instantie Bin Laden en zijn terroristen vangen en straffen. Maar zij heeft duizenden onschuldige Afghanen gedood. Zijn deze mensen minder waard dan de Amerikaanse slachtoffers van New York en Washington? Was deze reactie uit naastenliefde geboren of was het een machtsdemonstratie?
  3. Vele ouders brengen hun kinderen op erg jonge leeftijd naar de kinderopvang, zodat de moeder met haar beroep door kan gaan. Waar blijft dan de christelijke opvoeding, als de moeder moegestreden thuis komt en ook nog het huiswerk op de ouders wacht? Is dat liefde voor het kind en voor de hemelse vader of pure eigenliefde? Wie zijn kinderen echt lief heeft, zorgt er toch voor, dat zij zodanig opgevoed worden dat zij later niet in de materiele wereld verdwalen. Kinderen wachten in de eerste plaats op liefde en dat is aandacht, verzorging, vertrouwen en acceptatie schenken. Dat kan alleen in de familie en niet in een crèche gegeven worden.
  4. Man en vrouw willen niet meer trouwen, maar alleen samenwonen. Is dat geen egoïsme? Gaat het er niet alleen maar om de volgende dag te kunnen weglopen, als ik de partner niet meer wil? 
  5. Drugs worden met medeweten van de regering het land binnengebracht en overal verkocht en dat meestal zonder straffen. Een hoogleraar uit Amsterdam dringt op de vrije import van drugs aan. Zulke mensen moeten de jeugd het goede voorbeeld geven. Bevordert dat niet het verval van de jeugd?
  6. Het Internet en ook de televisie brengen de mensen door gewelddadige spelletjes, door pornografie en door het overhalen tot het doen van allerlei aankopen tot verleiding. Is het dan verwonderlijk, dat een totaal verval van waarden en normen vanuit het christelijke goed het resultaat is?

Deze lijst kan zonder moeite met honderd of meer voorbeelden uitgebreid worden. God, onze schepper en hemelse vader heeft veel geduld met ons. Maar hij heeft precies zo veel liefde en wijsheid als geduld. Daarmee bedoel ik, dat deze wijsheid opeens een ernstige, strenge Vader laat zien. Hij heeft ons door Jezus gezegd, dat een verandering van de aarde noodzakelijk wordt, als binnen 2000 jaren de mensen zich niet verbeteren en hun ondergang tegemoet gaan. En deze verandering staat nu voor ons, voor de deur. Niemand die Jezus lief heeft, hoeft daarvan te schrikken of daarvoor angst te hebben! Wij moeten de komende verandering van ons aardse leven opsplitsen in een materieel en in een geestelijk gedeelte. De materiele verandering veroorzaken wij zelf door ons handelen binnen of buiten de goddelijke orde en de geestelijke verandering is een cadeau van God aan zijn mensen, om het hen gemakkelijker te maken zich tot God’s kinderen te ontwikkelen.

God’s liefde wil haar mensen op aarde, die haar kinderen zullen worden, naar het leven leiden en niet in een afgrond laten sterven. Maar diegenen, die absoluut niet willen luisteren, zullen zonder twijfel een moeilijke toekomst tegemoet gaan. Jezus zegt: “Mijn Vader heeft vele woningen.” Deze zijn niet alleen in de hemel te vinden, maar ook op vele materiele sterren en planeten. Zij worden gebruikt als leerschool voor de mensen, die willen volharden in hun afvalligheid. Ook dat is liefde, verbonden met wijsheid.

Laten wij terugkeren naar Raphaël, die gezegd heeft dat alle engelen nog de weg van ons en van Jezus op aarde moeten gaan, als zij ook God’s kinderen willen worden. Horen wij dat niet graag, omdat wij mogen constateren, dat wij het hoogste wat er bestaat, namelijk als een kind van God in de hemel bij de Vader te zijn, voor ogen hebben? De weg daar naartoe is echt niet ver. Jezus heeft ons de weg naar de brug en over de brug gewezen. Maar de beslissing om die weg te gaan en vervolgens die weg ook daadwerkelijk te bewandelen, kan hij niet voor ons nemen, dat moeten wij zelf doen! Ons gehele doen en laten moet zich op de ontwikkeling van de ziel richten, in het bewustzijn dat het ware leven in de geest aanwezig is. Want dat is het doel in ons aardse leven. Als wij aan de andere kant van de brug aangekomen zijn en moeten constateren, dat ons aardse leven voor niets was, zal dat een schokkende ervaring zijn. Zonder liefde zijn betekend in het hiernamaals zonder licht zijn! Daarna wacht op diegenen een lange en moeizame omweg om eventueel toch nog naar de hemel te komen. 

Laten wij vertrouwen op Jezus en onze ziel met Hem verbinden, omdat dat van de mens is, wat de mens in zich draagt en ook in het hiernamaals zijn eigendom blijft.

Enkele vragen die na de pauze werden gesteld.

Vraag:Ik vroeg mij af of wij allemaal gevallen engelen zijn.

Antwoord: U moet het zich zo voorstellen dat in het begin eerst de aartsengelen geschapen zijn. Daar hoort ook Satana oftewel Lucifer bij: zij was de eerstgeschapen engel. De andere engelen die daarbij horen zijn Rafaël, Michaël, Gabriël enz. Maar die ene, Satana, was te ongeduldig; ze voelde in zichzelf te veel kracht en macht. Daarom dacht ze dat ze hetzelfde kon doen als God zelf. Maar zij vergat dat zij een schepsel is en niet de Schepper. Zij mocht engelen in het leven roepen; dat heeft zij gedaan, die kracht had ze om dat uit God te doen. Maar geleidelijk aan heeft zij deze wezens niet meer gezegd dat zij niet God was, maar iemand anders God de Schepper was. En als je je zo zelfstandig maakt van God, dan betekent dat, dat je nooit meer op dezelfde hoge lichtfrequentie en energiefrequentie kunt blijven, omdat God de hoogste energiefrequentie is die bestaat. Als je de liefde wegneemt, val je van de hoge energie naar een lagere energie – en dat zijn de afvallige engelen. Die zouden ook steeds dieper gevallen zijn, als God niet zou hebben gezegd: “Ik heb hen geschapen en als zij doodlopen, dan gaat eigenlijk iets van mijzelf dood, en dat kan toch niet. Wat Ik geschapen heb is leven uit mijzelf en Ik moet die afvalligen weer opvangen.” Dat gebeurt door de materie: de materie is het onderste energieniveau waarin ze blijven. En van daaraf kunnen ze weer terugkeren naar de hoge energie. De hoogste energie is in de hemel te vinden. 

Vraag: Maar ik dacht dat de vraag was: zijn wij allemaal gevallen engelen?

Antwoord: Een mens heeft een drievoudig lichaam: een geest, een ziel en een materiëel lichaam. Alles wat ziel is en materieel lichaam, is van beneden afkomstig. Je kunt ook zeggen: dat is van de afvalligen afkomstig. De geest was vroeger ook een geschapen geest, maar sinds Adam heeft ieder mens die op aarde leeft een nieuwe geest gekregen om het gemakkelijker te maken om de terugweg weer te vinden. 

Nu zijn hier op aarde niet alleen mensen die afstammen van de afvalligen: tussen de 1 en 2 procent van de mensen op aarde zijn nl. van boven afkomstig. Dat betekent: afkomstig van engelen die op aarde zijn geïncarneerd. Als zij op aarde incarneren, daalt hun geest af. Als zij nu in een materiëel mens moeten leven en willen meehelpen om de anderen, de afvalligen, de weg gemakkelijker te maken en om daarbij uitleg te geven, dan krijgen zij ook gewoon een afvallig materiëel lichaam en ziel. Die ziel is half goed en half slecht. Zij kan zich naar beide kanten ontwikkelen. Ook Jezus had een gewoon lichaam en een gewone ziel.

Mensen die hier op aarde leven, kunnen dus een geest van boven hebben, een heel sterke geest, maar toch kunnen zij zich niet herinneren dat ze van boven afkomstig zijn, maar ze hebben wel een ander gevoel, ze zijn sterk en als zij iets van geestelijke afkomst horen, dan vangen zij dat in heel grote duidelijkheid op in hun dagelijks bewustzijn. Ze reageren dan ook meer hemels dan anderen. 

Er wordt ook nog gesproken over mensen die op een ster geleefd hebben. Alleen als ze hier op aarde een leven gaan leiden, kunnen ze kinderen van God worden. Op alle andere zonnestelsels en op andere planeten ben je een kind van de engelen. Als zo iemand op aarde wil incarneren om ook een kind van God te worden, dan is hij met een veel sterkere wil uitgerust dan iemand die via de natuurzielen-ontwikkeling aan het aardse leven begint. Zulke mensen hebben veel meer wijsheid en een veel sterkere wil, omdat op andere planeten niet zo’n leven heerst als bij ons. Meestal leven deze wezens in wijsheid, d.w.z. dat als iemand heel erg wijs is, dan weet hij precies hoe een huis er uit moet zien, in welke hoek een stoel moet staan, in welke hoek het bed moet worden neergezet enz. Alle mensen beschouwen dat als de hoogste wijsheid. Daarom leven ze allemaal op dezelfde manier. Voor ons zou het verschrikkelijk zijn als alles er op precies dezelfde manier uit ziet, maar zij voelen zich daar prettig bij. Daarom is het voor hen ook heel erg moeilijk en misschien één op het miljoen of zelfs nog minder van hen, neemt de beslissing om tóch op aarde te incarneren. Ze zijn daar ook op voorbereid als ze dat willen doen, en ze weten dat het leven op aarde heel anders is en niet te vergelijken is met een leven in een ander zonnestelsel. 

In “Die Geistige Sonne” wordt veel gesproken over de vraag wat het verschil is tussen deze mensen en ons als zij en wij aankomen in het hiernamaals. Daarin staat te lezen dat een prior van een katholiek klooster samen met Jezus in de bovenste hemel komt – dat is de stad Jeruzalem met twaalf gouden, met diamanten bezette torens – en daar komen een miljoen mensen hen tegenmoet. Ze roepen en zwaaien allemaal en zijn blij. De prior denkt natuurlijk dat ze dat doen vanwege Jezus; hem kennen ze immers niet. Dan wordt hem uitgelegd, dat deze mensen allemaal op hem wachten. Hij zegt dan: “Hoe bestaat dat, ik heb hen nooit eerder gezien, ze kunnen mij ook niet kennen.” Maar dan wordt tegen hem gezegd: “Je moet je dat zó voorstellen, dat jullie allemaal samen één mens vormen. Jij bent het hoofd en de anderen vormen de ledematen en de organen. Dat wil zeggen: van ieder zonnestelsel zijn hier twee of drie mensen. Als daar iets te regelen valt, dan ga jij met deze mensen daar naartoe en jullie regelen dat. Dat hele miljoen geesten hier werkt voor jou.”. 

Vraag: U had het in het eerste deel van de lezing over het feit dat deze ontwikkelingsperiode op zijn eind loopt en dat er dus waarschijnlijk een grote zuivering komt, zowel geestelijk als materieel. Dus komt er ook een nieuwe toestand op deze aarde. Zal er dan in die nieuwe toestand ook weer de verscheidenheid van godsdiensten zijn, of komt er dan één overtuiging vanuit het christendom?

Antwoord: Het hoogste leven is natuurlijk via Christus, omdat God het leven is en een ander leven bestaat niet buiten God. Dat is de basis. En wat de toekomst betreft wordt er ook steeds in de Bijbel over een nieuwe aarde gesproken. Als we ons voorstellen hoe vroeger het paradijs was en hoe de toekomstige nieuwe aarde zal zijn, dan zien we, dat de mensen weer veel innerlijker zullen gaan leven en dat ze weer helderziend en helderhorend worden, dat ze weer verbinding met het hiernamaals hebben. Ze kunnen in contact komen met de overledenen, ze kunnen spreken met engelen, ze kunnen aan hen vragen hoe de toestanden daar zijn en hoe ze zich nu het best kunnen voorbereiden op het hiernamaals. Wat zijn de 80 jaren op aarde in vergelijking met de eeuwigheid? Dat stelt toch niets voor. Daarom is de verandering die komt een materiële én een geestelijke verandering. 

De geestelijke verandering mondt uit in het duizendjarige vrederijk. Dat heeft natuurlijk niets met duizend jaar te maken, dat zal veel langer blijven bestaan – om zoveel mogelijk mensen op deze helderziende basis gemakkelijker te laten toegroeien naar de hemel. De vrije beslissing, die wel blijft bestaan, heeft dan een hogere basis, omdat de mensen contact hebben met het hiernamaals. Als ze weten hoe het er daar uitziet, zullen ze zich daar ook beter op kunnen voorbereiden dan nu. De materiele verandering wordt natuurlijk noodzakelijk en dat is makkelijk te begrijpen als je de verschrikkelijke toestanden op aarde bekijkt. Zij wordt door God toegelaten voor een zuivering, maar zij wordt door de mensen zelf veroorzaakt. 

We zien op veel plaatsen in het werk van Lorber en ook van Mayerhofer dat die verandering heel ingrijpend wordt. Er wordt steeds over drie dagen duisternis gesproken, waarbij iedereen in zijn eigen huis moet blijven en niet nieuwsgierig naar buiten moet kijken. In deze korte periode van drie dagen komt er een heel sterke verandering op aarde. Er wordt zelfs over gesproken dat in die tijd tussen eenderde en de helft van alle mensen om het leven komt. Als wij zeggen ‘om het leven komen’, dan wordt daar alleen mee bedoeld dat het hier op aarde in materiële zin gebeurt. Niemand gaat echt dood. Diegenen, die niets van God willen weten, komen ongetwijfeld op een andere leerschool, b.v. op een andere planeet. 

Daarbij wordt uitgelegd dat zelfs de andere planeten van ons zonnestelsel, Mars, Venus, Jupiter, Saturnus enz. allemaal een bepaalde eigenschap vertegenwoordigen. Mensen die hier niet goed terecht zijn gekomen in het leven, moeten vaak een leven op al die andere planeten doormaken tot ze alle eigenschappen hebben verworven en geestelijk steviger geworden zijn, om dan misschien toch nog een kans te krijgen om nog een keer op aarde te leven om daardoor God’s kind te kunnen worden. Maar een gedeelte krijgt die kans niet meer; zij zullen in een ander zonnestelsel leven en zijn dan – ik zeg het tussen aanhalingstekens – ‘gedegradeerd’ tot kinderen van engelen.

Vraag: Dat is dus voor eeuwig?

Antwoord: Maar in het Lorberwerk staat datgene wat Jezus gezegd heeft, nl. dat de eindtoestand is dat alle wezens zullen worden veranderd in kinderen van God en de daar ook de kans toe krijgen. Maar het is niet te zeggen wanneer en hoe. Als we kijken naar onze schepping, dan is dat ook niet de enige schepping. Als de zeven scheppingsdagen ten einde zijn, komt er weer een week met nieuwe scheppingen. Hoe dat verloopt en welke rol wij daarin spelen, dat is niet te zeggen. Ik vermoed dat vóórdat zo’n nieuwe scheppingsweek weer begint, dat dan misschien alle wezens die hierbij (tot déze scheppingsweek) behoren, tot kinderen van God zijn omgevormd. 

Vraag: Betekent dat, dat op de nieuwe aarde de mensen veel regelmatiger de geestelijke wedergeboorte zullen bereiken vóór hun lichamelijke dood dan nu het geval is en een veel liefdevollere levenswijze zullen volgen?

Antwoord: In het duizendjarige rijk, in de nieuwe tijd van de aarde, zal het zeker veel gemakkelijker en sneller mogelijk zijn om de wedergeboorte te bereiken. Dat is ook de bedoeling van de verandering in een nieuwe aarde: het eigenlijke doel is immers om de nog half afvallige ziel met een complete geest te verenigen, om weer een volledige eenheid van geest en ziel in een hoge energie te vormen. Dat is de wedergeboorte en dat zal veel sneller plaats vinden op de nieuwe aarde, dus in het vrederijk.  

Vraag: Er worden heel veel wijze jonge kinderen geboren, die de aarde met veel wijsheid bevolken. Waar komen die vandaan? Wie zijn dat? Ik bedoel daarmee de nieuwetijdskinderen.

Antwoord: Niets gebeurt toevallig. Hoe een mens er aan de buitenkant, dus lichamelijk uit ziet, is niet van belang. Maar de geest die in de mens leeft, die is wél van belang. Dat wordt van boven, door God samen met de engelen die hem dienen, allemaal geregeld en bestuurd. Er leven nu al beslist veel zeer sterke wezens, zeg maar: krachtige engelen, die in her vrederijk hun broers en zusters zullen leiden. Allen die nog zwak zijn en niets van God willen weten, krijgen een andere opgave. Zij zullen zeker weggenomen worden van de aarde, maar dat komt dan voort uit de wijsheid, het geduld en de liefde van God. Maar dat is een heel andere, zeker veel moeilijker weg en die moet gevolgd worden omdat de mensen hier gewoon niet willen luisteren. Als ze niet willen, moeten ze deze andere weg volgen, waar ze dan op den duur toch inzicht krijgen, maar dan met een beetje dwang. 

Opmerking: Wie zoekt zal vinden en waar geklopt wordt, wordt open gedaan.

Antwoord: Dat is waar. Wij moeten zelf op zoek gaan. Wij moeten eerst luisteren, wij moeten boeken lezen en dan moeten we beschouwen wat we in onszelf horen. We moeten eerst met onszelf in gesprek gaan en onszelf afvragen: wat leeft in mij en hoe leef ik eigenlijk. Is dat te combineren met wat ik nu allemaal gehoord heb? Vervolgens moeten we veranderingen in het eigen leven aanbrengen. Door deze stappen te doen, breng je ook al liefde voor God tot uiting, als je zo begint te veranderen. Dat zijn stappen, waarbij Jezus met jou spreekt of waarbij Hij je iets direct meedeelt. Het is erg belangrijk dat het vertrouwen in Hem nog meer groeit, dat het vast wordt, dat je niet in de eerste de beste moeilijke situatie uitglijdt en zegt van: nu wordt het toch te moeilijk, ik ga maar weer mijn eigen weg. Dat leidt zoals bij Satana-Lucifer tot de ondergang. Maar als een mens dan ingezien heeft wat de bron is van het leven, dan moet hij zich afvragen: wil ik werkelijk leven, of zijn die tachtig jaren, die ik hier ben, mij wel genoeg, wat natuurlijk niet waar is, omdat je verder leeft. Anders wordt het iets gemakkelijker, want dan zeg je: ik wil leven, ik wil ook meemaken wat in het hiernamaals op me wacht. 

“Het leven na de dood”

Tekst van de lezing in Hoogeveen op 20 december 2000 voor de Lorber Werkgroep 

Inleiding

De mens begint zijn leven in deze wereld op aarde zonder kennis. Langzaam begint hij zich ervan bewust te worden dat hij leeft en hij leert zijn omgeving kennen. Hij is nog sterk afhankelijk van zijn ouders. Zij zijn het die hem in een bepaalde levensrichting sturen en het is een begaafdheid wat deze jongeling beweegt om een speciaal beroep of hobby uit te oefenen. Langzamerhand komen dan ook de gedachten van “Waar kom ik eigenlijk vandaan?” – “Waarom leef ik hier op aarde en niet op een ster?” – “Bestaat er iets waar ik na dit aardse leven naartoe ga?”. 

Antwoorden op deze toch zó belangrijke vragen krijg je soms. Maar ze zijn zo verschillend, dat je zelf echt op zoek moet gaan, wil je een weg vinden die jezelf tot tevredenheid stemt. In deze tekst zal op zulke vragen een antwoord gegeven worden, nl. dat het leven waarachtig verder gaat en niet alleen dat, maar ook hoe het er daarna in het hiernamaals uitziet.

In gesprekken hoor je vaak: “Er is nog niemand terug gekomen, daarom kan ook niemand weten of er iets bestaat en hoe het er daar uitziet!” Het klopt wel, dat ons vleselijk lichaam slijt en daarom de dag komt waarop het niet meer te gebruiken is. Als de dood hem dan overvalt, kan hij ook niet meer terugkeren in dit aardse leven. Hij heeft niets om zich aan zijn vrienden materieel te manifesteren. 

Anders is het als je er achter komt dat je een materieel en een geestelijk leven hebt. Het materiele leven is alleen voor het tijdelijke aardse leven bestemd, terwijl het geestelijke leven al eerder bestond en na het materiële leven voortduurt.

Geestelijk kun je wel informatie hierover doorgeven. Maar wie is daarop getraind? Omdat wij dit talent zo goed als nooit gebruiken, vermoeden wij dat er geen verbinding bestaat. Gelukkig zijn er nog genoeg mensen die juist deze gave bezitten en ons meer inlichtingen kunnen geven over de zin van het aardse leven, dat een innige verbinding heeft met het leven na de dood.

Het leven na de dood

Het onderwerp van vanavond is het leven na de dood. Je zou ook kunnen zeggen: het leven na het leven. Dat klinkt al heel anders. De meeste mensen op aarde denken: de dood is echt iets wat afsluit. Maar dat is het eigenlijk niet, als we dat heel goed bekijken. Om te begrijpen wat leven en wat dood is, zullen we eerst die twee woorden wat nader gaan beschouwen. 

Leven.

Uit de Bijbel en het werk van Jakob Lorber weten we natuurlijk dat het leven van God komt; God Zelf is het leven. Hij is ook de liefde. En als we dan verder nog beseffen dat bij de evangelist Johannes staat “God is geest”, dan zien wij dat wij als geesten geschapen zijn, omdat wij naar het voorbeeld van God geschapen zijn. Dus wij moeten eigenlijk geesten zijn, en dat zijn wij ook. 

Ieder mens heeft een onsterfelijk geestelijk lichaam. Dat lichaam is verbonden met de ziel; dat is niet hetzelfde. De ziel bevindt zich binnenin de mens. Aan de buitenkant bevindt zich datgene wat we hier allemaal kunnen zien, nl. een arm en de buik: dat is het materiële lichaam. Het is hier op de materiële aarde ook noodzakelijk dat we die hebben. Maar innerlijk hebben we een zielenlichaam en een geestelijk lichaam: die werken ook samen. Dus de geest en de ziel zijn onsterfelijk: die kunnen niet doodgaan, omdat een stuk van God Zelf zou afsterven als dat zou kunnen, en dat is volstrekt onmogelijk. Alles wat God schept, blijft voor alle eeuwigheid bestaan. En dit geestelijke lichaam en de ziel zijn van een heel hoge energie, met een hoge frequentie. Daarom kunnen we ook normaliter deze lichamen niet zien. Ieder mens die op aarde leeft – de meerderheid tenminste – ziet wel eens een ziel. Dat zijn momenten waarop hij op een hogere frequentie iets waarneemt wat echt bestaat.

Dood

We zien nu dat de mens een drievoudig lichaam heeft: het materiële lichaam, de ziel en de geest. Wat is nu de opgave van de mens hier op aarde? De opgave van de mens hier op aarde is om de geestelijke wedergeboorte te bereiken: dat is de complete overeenstemming van de ziel met zijn geest. Meer dan 90 tot 95 procent van de mensen bereiken dat niet op aarde, maar je hebt dat wel nodig om naar de hemel te gaan. Als het leven hier op aarde eindigt, wil dat alleen zeggen: het materiele lichaam dat we hier noodzakelijkerwijs hebben, wordt daarna niet meer gebruikt. Daarom wordt dat lichaam afgelegd. Dat lichaam sterft gewoon af, maar de mens zelf blijft in leven.

In de kerk – als kind heb ik dat ook zo gehoord – wordt geleerd dat de jongste dag de dag van het gericht is, maar wat is dat, de jongste dag? De jongste dag is die, waarop de mens overlijdt, dat wil zeggen van de aarde naar het hiernamaals gaat. Dat is de jongste dag. Je kunt het vergelijken met vandaag. Vandaag is voor ons allemaal de jongste dag die we beleven; morgen bestaat nog niet en gisteren is al weer een voorbije dag. Dus vandaag is de jongste dag. En als dan in de Bijbel staat “de jongste dag waarop we gewekt worden”, dan is dat gewoon het individuele moment waarop wij ons vleselijk lichaam verlaten zodat dit afsterft en wij aan de andere kant, in het hiernamaals, aankomen. Dat is de jongste dag. 

Hier op aarde moeten wij naar de wedergeboorte toe werken. Hoe kunnen we dat doen? Kijk, de ziel is – bij wijze van spreken – het centrum van de mens. Aan de ene kant, aan de buitenkant, heb je het materiële lichaam dat materiële prikkels krijgt: dat is één aspect van de natuur. Verder heb je ook de begeerte naar geld, naar macht, naar seks, naar alles wat je je maar voor kunt stellen, b.v. om te tennissen, om voetbal te spelen, om te zingen. Al deze dingen zijn uiterlijke dingen, maar ze zijn tijdelijk, omdat wij hier op aarde alleen een korte tijd meemaken. 

Aan de andere kant ontvangt onze ziel, die zich in het centrum bevindt, inzichten van haar geestelijk lichaam. Vergeet niet dat God geest is, en ons geestelijk lichaam is onsterfelijk. Die verschaft ons innerlijk, gevoelsmatig, of soms ook met woorden die in het verstand gelegd worden, inzichten die op het hogere niveau juist zijn en niet overeenstemmen met het materiële niveau. Dat is wat de geest aan onze ziel doorgeeft. De ziel kan nu steeds beslissingen nemen: doe ik dingen op grond van wat ik uiterlijk zie, waar ik eigenlijk zin in heb, of handel ik op grond van wat ik van binnen hoor. En als ik erover nadenk, dan vind ik deze inzichten van mijn geest ook juist en eigenlijk beter dan wat ik zelf wil doen. Als ik bv. naar een voetbalwedstrijd kijk, kan ik me een jaar later niet eens meer het resultaat herinneren. Dan zien we dat we ons met tijdelijke dingen bezig houden die niet erg van belang zijn. Maar wat de geest ons doorgeeft, is onsterfelijk, en dat is het wat onze wedergeboorte, de geestelijke wedergeboorte, zo belangrijk maakt. En het is van groot belang, dat onze ziel de inzichten van onze geest in zich opneemt. Als we deze kennis in ons opnemen, worden we geestelijk; dat is de geestelijke wedergeboorte, de basis voor de hemel. 

Wij weten nu wat meer over de dood: de materiële dood is nl. niets anders dan het afleggen van het materiële lichaam dat niet langer noodzakelijk is, dat we niet meer nodig hebben. Wat wij ‘dood’ noemen is dus alleen een materiële dood. 

Er bestaat natuurlijk ook een geestelijke dood, maar die moet heel anders worden opgevat. Omdat God Zelf Geest is en onsterfelijk, heeft Hij natuurlijk ook onsterfelijke wezens en mensen geschapen. Wat Hij in begin geschapen heeft, was niet materie, dat was geest. De geest moet natuurlijk niet verward worden met verstand: de geest bevindt zich in ons hart. Over de geestelijke dood staan ook bij Lorber mededelingen: als daar later nog een vraag over wordt gesteld, zal ik daar dieper op ingaan. Maar wat belangrijk is, is dat een algemene geestelijke dood niet bestaat. Dat neemt natuurlijk veel last van ons weg, tenminste van veel mensen die een beetje bang zijn voor de dood. Als zij dat beseffen, staat voor hen vast: ik leef verder.

Het hiernamaals

En daarmee zijn we nu aanbeland bij het eigenlijke onderwerp van vandaag, het hiernamaals. Wat gebeurt er als wij hier overlijden? Waar gaan we dan naartoe? Hier op aarde worden wij steeds door engelen beschermd. Wij noemen hen ‘beschermengelen’. Zeker is, dat verschillende mensen engelen gezien hebben; ik zelf behoor daar ook toe. Wij hebben dus hier op aarde beschermengelen – iedereen heeft méér dan één. Zij beschermen ons, ze geven ons ook aanwijzingen om op de juiste weg te blijven, maar deze beschermengelen hebben het heel erg moeilijk met ons omdat zij de mens de vrijheid moeten gunnen om zelf beslissingen te nemen. Zij mogen niet zeggen: “Dat mag jij niet doen,” of “Jij moet dat doen!” Dat kan niet. Een kind van God is een kind met een vrije wil en geen robot.

Als de beschermengelen hun werk gedaan hebben – dat wil zeggen: als de dag van de materiële dood nadert – verschijnen andere engelen ten tonele. Dat zijn de zogenaamde doodsengelen. Dat klinkt een beetje eng en je denkt misschien: daar moet ik bang voor zijn. Het zijn echter gewone engelen evenals de beschermengelen, alleen hebben ze een andere taak. Zij hebben de taak een mens die hier aan het einde  van zijn leven gekomen is, te begeleiden naar de andere kant om hem daar over te dragen aan de volgende groep engelen die daar weer met ons verder werkt. De doodsengelen leiden ons door de mistbank: die mistbank is de overgang van het materiële leven naar het hiernamaals, het geestelijke leven. We zullen later nog wat dieper ingaan op de vraag wat daar precies gebeurt. Ik wil eerst nog iets vertellen wat ik zelf heb meegemaakt. 

Enkele jaren geleden heb ik veel gedaan aan stervensbegeleiding. ’s Nachts waakte ik bij mensen – meestal oudere mensen – die op sterven lagen. Daar zit je dan de hele nacht en dan komen allerlei gedachten in je op, of je ziet bepaalde dingen. Eens waakte ik bij een oudere dame van 84 jaar oud, die op sterven lag. Ik was die nacht bij haar geweest. ’s Morgens om 8 uur ging ik weer naar huis om even een beetje te rusten – misschien twee uur lang – en toen kreeg ik opeens een droomgezicht: ik zag dat ik op straat liep in de richting van een groot gebouw met een ijzeren deur. Daar ging ik naar toe en deed de deur open. Terwijl ik de deur open deed, keek ik om en zag dat een klein oud vrouwtje achter mij aan liep. Ik ging toen door de deur naar binnen en dacht: waarom wil die vrouw hier ook naar binnen? Maar terwijl ik dat dacht, legde iemand mij van achteren een arm om de schouder, iemand die links naast mij stond. Ik draaide mijn hoofd om: het was een engel, een doodsengel. Ik schrok omdat hij in het zwart gekleed was, maar hij was heel vriendelijk en lachte en zei: “Nu heb jij jouw werk gedaan, nu ben ik aan de beurt.” Hij liet de deur open staan; de vrouw kwam binnen en daarna merkte ik dat het de vrouw was bij wie ik ’s nachts nog had gewaakt. De volgende dag is ze overleden. Kijk, als je zelf zulke dingen meemaakt, hoef je niet meer met een beetje onzekerheid in iets te geloven: je hebt het zelf gezien! 

Dat geldt ook voor gesprekken die ik in andere nachten met mijn beschermengel had tijdens het waken. Dat zijn dingen waar je – bij wijze van spreken – vrolijk van wordt. Je weet dat dit relatief korte leven hier op aarde een tijdelijke noodzaak is, maar daarna ga je weer naar de plaats toe waar je eigenlijk begonnen bent met je echte leven. En het is belangrijk om die zekerheid te hebben.

Het tussenrijk

Waar belandt de mens nadat hij gestorven is? De mensen die hier overlijden, komen in een tussenrijk terecht. In dat tussenrijk zijn veel engelen werkzaam die de mensen, die door de mistbank komen, opvangen. Maar voordat de mensen daar in het tussenrijk geestelijk ontwaken, krijgen ze allereerst van een andere groep engelen, waar zij door de doodsengelen worden overgedragen, een “controlebeurt”. Deze engelen laten iedereen zijn leven nog een keer zien, waarbij zij alles doorlopen wat ze zelf, met eigen gedachten en eigen gevoelens, meegemaakt hebben, maar dan ook uit het perspectief van hun ‘tegenstanders’ en de gevoelens die deze hadden. Dan zie je dat je vaak andere mensen pijn hebt gedaan; je ondergaat ook de gevoelens van die anderen. En opeens kom je tot de ontdekking dat het lichaam weg is: je kunt geen glimlach meer opzetten om je gevoelens te verhullen. De ziel is eigenlijk het lichaam van de geest en weerspiegelt exact je gevoelens. De mens die daar aankomt, is ‘naakt’ en iedereen kan zien wat voor karaktereigenschappen hij heeft, wat voor gevoelens bij hem zijn. Alles ligt open en bloot aan de buitenkant. Wat die ontvangstengelen ook nog moeten doen, is het op tijd informeren van de al overledenen familieleden die bij de dood van hun zoon, dochter of broer aanwezig willen zijn. Zij worden opgehaald uit het gebied waarin ze zich op dat moment in het hiernamaals bevinden en mogen erbij zijn bij het sterven. 

Misschien hebben andere mensen die hier zijn ook al eens meegemaakt, dat iemand die overlijdt – ikzelf heb het vaker gezien  – opeens begint te spreken met mensen die al 5 of 10 jaar geleden zijn overleden. En dan zie je dat ze in een toestand terecht komen waarin het hart nog wel klopt, maar waarin ze ook al contact hebben met de andere kant. Als ze weer ontwaken en zeggen: “Ik heb dorst, mijn mond is zo droog”, dan is dat even weer weg. Maar als ze wat hebben gedronken, zien ze opeens weer iemand aan de andere kant. Dat is natuurlijk ook heel erg afhankelijk van de vraag hoe die mens is: als dat een gewoon mens is – en daarmee bedoel ik iemand die ook een beetje liefde uitstraalt – dan komen vriendelijke familieleden naar de stervende toe, ook al gebeurt dat niet altijd op het moment van het sterven. Bij het bewust wakker worden in het geestenrijk is het soms belangrijker dat iemand daar bij is; dat is dan na het passeren van de mistbank, nadat de ontvangstengelen de mensen hebben laten zien hoe ze hun aardse leven hebben geleid. Ze herkennen zichzelf, en dan worden ze ook – zo kun je dat omschrijven – ‘aangekleed’. Een mens met een bepaalde karaktereigenschap krijgt ook een bepaald kleed, zodat iedereen direct ziet: die hoort bij deze of gene groep. Dat is de innerlijke staat van liefde die een mens weerspiegelt. Deze innerlijke staat van liefde kan een positieve liefde zijn, die naar God, de Vader, de hemelse Vader gericht is, maar het kan ook een negatieve liefde zijn of tewel eigenliefde, waarbij de mens alles zelf wil hebben en zich steeds een beetje krampachtig op de voorgrond wil dringen: dat kun je aan de andere kant niet meer met een glimlach verhullen. Daar is het duidelijk zichtbaar: iedereen wéét hoe hij is, zijn liefde staat op de voorgrond. Maar vóórdat we daar nog wat dieper op ingaan, wil ik eerst nog even uitleggen hoe bij Jakob Lorber het hiernamaals wordt beschreven. 

De verticale structuur van de geestenwereld

Je kunt alles horizontaal indelen, maar ook verticaal. En vanavond is het, dacht ik, misschien gemakkelijker dat verticaal uit te leggen. Dus beginnen wij helemaal bovenaan. Boven in de verticale structuur zijn de hemelen. Er wordt steeds van drie hemelen gesproken. De laagste hemel is de hemel van de wijsheid, je kunt ook zeggen: de hemel van het geloof. Dus als iemand vooral gelovig is, dan is dat de hemel waar hij naartoe zal gaan. Daarboven bevindt zich de liefde-wijsheidshemel. Nu zien we het woord liefde er al bij, en er wordt ons steeds weer uitgelegd dat de wijsheid uit de liefde voortkomt. Daaruit blijkt dat wijsheid lager staat dan liefde. God is leven, God is liefde. Dus de wijsheid is van God, maar liefde komt uit het centrum van God. 

De hoogste hemel is de liefdeshemel en het centrum van deze hemel is de geestelijke stad Jeruzalem. Dus als in de Bijbel van Jeruzalem gesproken wordt, dan betekent het niet dat de hemel naar Israël komt: die geestelijke stad Jeruzalem is het centrum van de liefdeshemel.  

Daaronder, onder de hemelen, is het tussenrijk dat ik net genoemd heb. Alle mensen die overlijden gaan eerst naar het tussenrijk, maar ook daar onderscheiden we drie gebieden. Het hoogste gebied is het paradijs. Dat kennen we van de kruisiging, toen Jezus tegen de ene moordenaar zei: “Vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn”. Dus daar zien we dat Hij niet gezegd heeft “in de hemel”. Het paradijs is het hoogste gebied van het tussenrijk. Dat is bij wijze van spreken de poort naar de hemel. Daar groeien wij naartoe. De mensen die hier overlijden, komen in het middelste gebied van het tussenrijk aan. Afhankelijk van de liefde van de mens beslist hij daar zelfstandig waar hij naar toe wil. Dat is logisch: iemand die alleen – ik noem het maar een beetje drastisch – van seks houdt, die gaat nooit in een kerkkoor: daar zal hij het zeker niet mooi vinden. Zo is dat natuurlijk ook aan gene zijde: iemand die liefde voor iets voelt, wil daar naartoe. Daar vindt hij het leuk en mooi. Maar het aankomstgebied is het middelste gebied van het tussenrijk, en dat geldt voor iedereen. 

Eén stapje daaronder bevindt zich het onderste gebied van het tussenrijk, de poort naar de hel of de hellen. Dat onderste gedeelte van het tussenrijk is ook het gebied waar onze materiële aarde zich bevindt. Als mensen overlijden, willen ze heel vaak niet geloven dat ze overleden zijn: ze willen liever verder leven op aarde. Zulke mensen gaan direct naar de omgeving van de materiële aarde en blijven voorlopig daar. 

De hel bestaat uit drie geledingen. De eerste hel wordt bijzonder goed beschreven in “Die geistige Sonne” (De geestelijke zon) door de evangelist Marcus, die ook één van de boeken geschreven heeft van het Nieuwe Testament. Hij leidt ons rond en laat ons daar de hellen zien. Hij beschrijft de begeerte naar geld, de begeerte naar seks en ook de zucht naar macht. Maar als we nog verder naar beneden gaan, naar de tweede hel en de derde hel, dan komt daar nog haat bij en boosheid, en in de derde en onderste hel komen wij pure machtsverschijnselen tegen, dat is boosheid mét macht. De zucht naar macht is het allerslechtste wat er bestaat. Dat is ook verstandelijk te begrijpen, omdat God, als de mens Jezus op aarde, de deemoed is en geleefd heeft. Hij heeft gezegd: “Ik als de Heer ben jullie eerste dienaar; ik help jullie in alles verder”. Hij zei niet: de eerste koning, maar: de eerste dienaar. En daaruit komt ook voort “Heb God lief boven alles en je naaste zoals jezelf”. In de hel vind je het tegenovergestelde: iedereen wil daar de baas zijn.

Het kinderrijk

Verder moeten we nog iets zeggen over het kinderrijk. Dat thema wordt in het tweede deel van “Die geistige Sonne” van Jakob Lorber behandeld. Alle kinderen die op aarde overlijden – en daar rekent men ook de kinderen toe die nog ongeboren zijn – komen in het zogenaamde kinderrijk terecht. Het kinderrijk bevindt zich ter hoogte van het paradijs, dus dicht bij de poort naar de hemel, maar het behoort nog tot het tussenrijk. Ruimtelijk gezien is dat het geestelijke gedeelte van onze zon. 

Dat kinderrijk ziet er als volgt uit: alle overleden kinderen gaan daarnaar toe en komen dan in een leerschool, die geleid wordt door engelen en door mensen die al lange tijd overleden zijn en een hoog niveau bereikt hebben, dus die al vergeestelijkt zijn. Dat zijn de leraren van deze kinderen. Daar krijgen ze enerzijds veel te horen over de liefde van God en de situatie in het hiernamaals, maar anderzijds worden ze ook vertrouwd gemaakt met de aarde, omdat ze immers van de aarde afkomstig zijn. 

Hoe ze daar les krijgen wordt in dit boek goed beschreven; ze doorlopen verschillende klassen. Dat gaat in het geestelijke rijk natuurlijk veel sneller omdat we daar geen traag, fysiek lichaam hebben. Bij aardse geschiedenis hebben ze er bv. een globe bij, en die globe is levensecht: het water stroomt erover heen en je ziet zelfs kleine dorpjes. Als je wat wilt zien, bv. als je Hoogeveen wilt bekijken, dan wordt dat uitvergroot zichtbaar, zodat de leraar dat tot in alle details kan beschrijven. Op die manier is het natuurlijk veel gemakkelijker om iets te leren dan zoals wij dat moeten doen en de kinderen groeien daar op die manier snel op. Daarbij doorlopen ze ook de leerschool van de Tien Geboden, of als je wilt de Twaalf Geboden – ook de liefde voor God en de naastenliefde horen erbij. 

Als ze die leerschool doorlopen hebben, komen ze in het paradijs terecht en moeten het geleerde in de praktijk brengen. Ze worden nl. als ontvangstengelen voor de mensen ingezet. Wanneer ze daar ervaring mee hebben opgedaan, worden ze beschermengelen. Dat is natuurlijk een heel moeizame taak: je wilt iemand wat leren en kent de juiste weg, maar die mens heeft ook zijn vrije wil op aarde. Je mag hem dus niet al te luid en duidelijk ingeven wat hij moet doen. Deze kinderen – beschermengelen – worden op die manier in geduld geoefend. En dat is één van de belangrijkste eigenschappen die er bestaan. 

De aankomst in het tussenrijk

Graag wil ik nog even terugkomen op onze aankomst in het tussenrijk. We moeten bedenken dat er, gerekend naar de aardse bevolking van vandaag, ongeveer tussen de 11 en 12 duizend mensen per uur overlijden. Je kunt je voorstellen wat voor een organisatie er nodig is om al die mensen op te vangen. Iedereen moet zijn leven bekijken in aanwezigheid van engelen. Die kunnen geen fouten maken omdat ze natuurlijk alles geestelijk zien. De mens die van hier naar het tussenrijk gaat, is qua karakter natuurlijk nog dezelfde als hij hier op zijn sterfdag was. Als hij tien minuten aan de andere kant is, kan hij natuurlijk niet veranderd zijn; hij denkt precies zoals hij hier vóór zijn einde dacht. Zoals hij zich hier op zijn hiernamaals heeft voorbereid, zo komt hij aan de andere kant natuurlijk ook aan. Dat wordt hem voorgehouden door de engelen die hem ontvangen. Daar krijgt hij ook de kleding die zijn eigenschappen weerspiegelen. Men leidt hem naar de plaats waar hij helemaal wakker wordt, ik bedoel daarmee: waar hij zich bewust wordt van zichzelf. En nu komt de mens tot het inzicht dat hij nog steeds leeft.

In “Bisschop Martinus” (een boek van Jakob Lorber) worden de belevenissen beschreven van monniken, die van de katholieke kerk gehoord hebben hoe het er in het hiernamaals en in de hemel uitziet. Eén van hen zegt: “Ik ben een monnik van een klooster, ik kom natuurlijk in de hemel.” En dan mag hij ook zogenaamd in een hemel komen, maar hij zal direct zien dat dat een hemel is naar zijn eigen voorstellingen en dat is zeker niet de juiste hemel. Hij wil daar ook weg en zegt: “Daar voel ik me niet prettig.“ Daaruit zie je weer, dat je toe wilt naar de plaats die overeenstemt met jouw liefde. Dat geldt natuurlijk ook voor mensen die hier bv. handelaar zijn in drugs of in vrouwen, of in wat dan ook. Die willen aan de andere kant ook zo verder leven omdat ze niet anders kunnen en omdat ze zo geweest zijn. Als ze aankomen, gaan ze vanzelf in de richting van het vagevuur, naar het onderste gedeelte van het tussenrijk, de poort van de hel. Anderen lopen direct naar de hel toe omdat ze het daar prettig vinden. Niemand wordt veroordeeld om daar naartoe te gaan: dat is de eigen keuze, afhankelijk van de instelling waarmee men van de aarde komt. Als je je hier met liefde op het geestelijke voorbereidt, dan kom je ook met liefde en met licht aan. Iemand die met weinig liefde of zonder liefde aankomt, komt letterlijk in de duisternis terecht. Als ik zeg ‘zonder liefde’, dan bedoel ik niet het egoïsme: dat is een negatieve liefde, dat is geen echte liefde. Wanneer je geen licht hebt, kom je in een donkere omgeving terecht. 

Hoe de goddelijke orde binnenin de mens werkt

Om toe te lichten hoe de mens het hiernamaals beleeft, citeer ik een uitspraak uit het Nieuwe Testament: ”De mens draagt de hemel en de hel in zich”. Wat betekent dat? De goddelijke orde is een geestelijke orde. Het echte leven is geestelijk, niets is materieel. De goddelijke orde werkt innerlijk in de mens. Zijn gedachten als gevolg van zijn karaktereigenschappen brengen bij de mens een omgeving tevoorschijn. Zolang hij nog op de aarde leeft, bevindt deze geestelijke omgeving zich innerlijk in de mens en is dus voor onze ogen niet zichtbaar. Een heel volmaakt mens die straks naar de hemel kan, komt door zijn liefdevolle innerlijke karaktereigenschappen zichtbaar in een ware, echt bestaande omgeving terecht. Iemand die meer het aardse leven met zich meeneemt naar het tussenrijk aan de andere kant, vormt een sfeer om zich heen die niet werkelijk is. Hij vormt een schijnsfeer in overeenstemming met zijn gevoelens en gedachten. Dat is een sfeer die hij zelf gevormd heeft, omdat je geestelijk alles kunt scheppen wat je wilt. Als je volmaakt bent, zul je alles volmaakt scheppen. Als je niet volmaakt bent, kun je je omgeving alleen gedeeltelijk correct vormen. Niet volmaakte sferen zijn tijdelijke sferen, die met de groei van de mens veranderen en steeds echter worden.

In onszelf is nog de Godsvonk. Die krijgt ieder mens die nu op aarde leeft sinds Jezus’ opstanding en Hemelvaart. De Godsvonk is liefdesvuur, zo kun je dat ook omschrijven. Mensen die aan de andere kant aankomen, hebben zeker nog één of meer karaktereigenschappen die verbeterd moeten worden, die gezuiverd moeten worden. Dat wordt ‘doven’ genoemd of ‘uitbranden’, en dat wordt veroorzaakt door deze Godsvonk, dus het vuur van liefde dat in een mens brandt. Dit vuur brandt de negatieve eigenschappen van de mens weg. Iemand, die zich in het onderste deel van het tussenrijk of in de hel bevindt, kan opeens tot het besef komen: “O jee, wat heb ik toen gedaan, daarvoor moet ik toch om vergeving vragen? Zoals ik nu moet toegeven, moet dat anders worden, maar hoe kan ik dat veranderen”? Deze verandering is het uitbranden, het doven van deze nog niet zuivere eigenschappen in ons. Dat wordt veroorzaakt door de Godsvonk, het liefdesvuur van God. Ook iemand die naar de hel gaat, heeft deze vonk, maar die heeft hem zo diep weggestopt, dat het licht, dat vuur, niet kan doorschijnen. En als hij uiteindelijk dan toch denkt: `nu vind ik het hier niet meer prettig´, dan is dat een beetje dat lichtje dat tevoorschijn komt en hem vraagt: `ga ergens anders heen´. Dan komt de vrije beslissing van de mens. Nu kan hij ook direct hulp krijgen van engelen die onzichtbaar bij alle mensen zijn, zelfs in de hel, en daar op de beslissing van de mens wachten. Alles wat de mens doet moet nl. op vrijwillige basis gebeuren, of eigenlijk moeten we zeggen: mág gebeuren. Daarom wordt ons hier op aarde ook niet veel als fout aangerekend. Het is een steeds meer kennis verzamelen en uiteindelijk daaruit tot inzichten komen. 

In het hiernamaals – dat is iets heel belangrijks – bestaat geen tijd meer: alleen wíj hier hebben een horloge om. In het hiernamaals heb je geen tijd; daar heb je alleen taken die je moet verrichten. Als de eerste taak gedaan is, komt de volgende en dan de derde en de vierde, en zo ga je steeds stap voor stap vooruit. Je ontwikkelt je dus steeds verder. Daarom kun je ook nooit definitief in de hel blijven. Een gevangenis heeft zijn gevangenen ook niet voor altijd: een gevangenis blijft staan, maar de gevangene gaat er weer uit. Zo is het ook bij mensen die in de hel zijn: die komen op een dag weer naar buiten. Ze moeten echter wél inzicht krijgen en dan begint het ‘uitbranden’. 

Nu wil ik toch een paar voorbeelden geven die heel interessant zijn. Als eerste iets wat een kennis, een mevrouw die 80 jaar is, mij verteld heeft. In oktober, 2 maanden geleden, had ze een droomvisioen. Haar moeder was 40 jaar geleden overleden en dat was echt geen lieve vrouw voor deze dochter: ze was echt boosaardig. Wat gebeurde er nu in dat visioen? Alles speelde zich af in het onderste gedeelte van het vagevuur, het onderste gedeelte van het tussenrijk. Ze zag een grote ruimte waarin zich veel mensen bevonden en alles – het plafond, de muren en de grond – bestond uit spiegels; deze mensen zagen zichzelf allemaal met de eigenschappen die ze nog moesten veranderen. Ze konden kijken waar ze maar wilden, maar overal zagen ze zichzelf ‘naakt’: hun karaktereigenschappen werden onverhuld door de spiegels weerkaatst. En we weten dat in het hiernamaals  – en dat geldt in bijzondere mate voor de hel – het uiterlijk van een mens ook beestachtige vormen kan aannemen. Als een mens daar beestachtig reageert, dan kan dat ook letterlijk zichtbaar worden. Die vrouw heeft haar moeder daar gezien. Alle mensen waren verschrikkelijk aan het klagen en schreeuwen, en ze wisten niet hoe ze daar beter moesten worden. Ze konden er ook niet uitkomen, er was geen deur in deze zaal. 

De werkende liefdesvonk probeert echter bij deze mensen te doven wat ze meemaken: deze eigenschappen moeten gezuiverd worden en dat is natuurlijk pijnlijk. Hier op aarde kunnen we, als iemand wat tegen ons zegt, binnen drie minuten een heel andere opvatting gaan huldigen en zeggen: “Ja, dat is juist wat je zegt, dat begrijp ik en daar wil ik me ook in de toekomst aan houden”. Maar daar ben je naakt, daar heb je dat vleselijke lichaam niet meer. Het trage lichaam dat we hier hebben en dat soms verschrikkelijk stoort, is heel goed om je opvatting en je inzichten op een heel snelle manier te veranderen. En de moeder van die vrouw vroeg toen nog, nadat zij haar dochter had gezien: “Kindje, was het zo erg wat ik je heb aangedaan?” Je ziet dat de mensen leren inzien hoe ze zich op aarde hebben gedragen. Ze maken een toestand mee die heel erg is, maar het is de liefde die hen leidt en ze gaan daardoor stapje voor stapje naar de hemel. 

Zelfdoding

Een ander thema dat hier bij hoort, is zelfdoding. Wat is eigenlijk zelfdoding? Dat is bang zijn voor pijn, maar eigenlijk is dat geen liefde voor het leven hebben. Als je echte liefde voor het leven hebt en begrijpt wat liefde is, dan wil je blijven leven. Je beseft dan immers dat het leven doorgaat aan de andere kant en dat je alleen het buitenste lichaam aflegt dat wel noodzakelijk is om heel snel inzichten te krijgen. Je sterft toch niet; je leeft verder. En de gevoelens die je aan het einde van je leven hebt, heb je 5 minuten na de dood ook nog. Dus de mensen die voor zelfdoding zijn en dat misschien ook nog met de hulp van een arts laten doen, nemen een verkeerde beslissing! Zij hebben na hun overgang in het hiernamaals ook nog geen liefde voor het leven. Ze weten misschien niet eens dat het echte, eeuwige leven een geestelijk leven is. Wat betekent dat? Ze komen in de duisternis terecht en belanden in het vagevuur. Ze moeten veel meer lijden dan in het voorbeeld dat ik net genoemd heb. Ze lijden veel sterker onder hun zelfdoding, omdat ze niet dood zijn maar verder leven en nu inzien wat ze verkeerd hebben gedaan. 

Mijzelf werd ook een keer gevraagd of ik aan een man, bij wie ik ’s nachts waakte, euthanasiepilletjes wilde geven; zijn vrouw was bang dat hij aan longkanker zou sterven en daarbij verschrikkelijk veel pijn zou lijden. Ze hadden al de spullen van de arts gekregen, en ik zou euthanasie toedienen. Ik heb toen gezegd: dat doen we niet, hij zal gewoon aan een hartstilstand overlijden; hij sterft zonder pijn. En dat is toen ook gebeurd. Die mevrouw heeft me er ook voor bedankt dat het zo goed afliep. Bang zijn, dat betekent geen vertrouwen in het leven hebben, geen liefde hebben, de hemelse Vader niet kennen.

De geestelijke ontwikkeling in het hiernamaals: een voorbeeld uit het Lorberwerk

Een heel ander voorbeeld dat bij Lorber te lezen staat, heeft betrekking op een echtpaar waarvan de man vier jaar later overlijdt dan zijn vrouw. Toen ze nog samen leefden, was de vrouw een beetje hebberig. Ze waren ook rijk: zij was de baas, zij zei wat er moest gebeuren. In dit geval speelden de lust en de zucht naar macht een sterke rol. Denk aan datgene wat ik over de hel gezegd heb. Toen die vrouw overleden was, leefde die man nog vier jaar alleen hier op aarde. Hij vond opeens veel meer liefde voor Jezus. Hij begreep dat het leven iets anders van je vraagt dan wat hij tot dan toe gedaan had en veranderde zichzelf. Nadat hij overleden was, ging hij uit liefde voor zijn vrouw op zoek naar haar en natuurlijk vond hij haar toen ook; waar de liefde van iemand naar uitgaat, daar komt hij in het begin natuurlijk ook terecht. Hij wordt naar zijn vrouw toe gebracht. Zij zat in een heel donkere sfeer met zo goed als geen licht. Het enige wat er groeide waren mosplantjes, er was helemaal geen water. Zij vond haar man omdat hij een klein lichtje had: zijn liefde voor Jezus was te zien. Maar deze vrouw begon meteen op een toon van: ik leef hier al vier jaar, je hoeft me helemaal niets te zeggen over hoe het er hier aan toegaat, want jij bent nog maar net aangekomen. Jij met je Jezus en zo, die bestaat helemaal niet. Ik heb al met zoveel mensen gesproken; kom maar met mij mee. 

Uiteindelijk komen ze bij een grote rivier terecht waar ze met een boot naar de andere kant gaan. Dat is de overgang van het vagevuur, van het onderste gedeelte van het tussenrijk, naar de eerste hel. Daar aangekomen maken ze dingen mee waar de man niet goed van wordt. En opeens voelt hij dat zijn liefde voor Jezus sterker is dan de liefde voor zijn vrouw. Hij schreeuwt uit het diepst van zijn hart om hulp, hij kan niet meer. En dan krijgt hij ook hulp in de vorm van engelen die hem meenemen. Maar de vrouw wil helemaal niet mee. Ze zegt tegen hem: hier is het toch prettig, hier is toch licht – in de vorm van een vuurgloed, een helse vuurgloed – en zij blijft daar dan ook. De man komt weer op de geestelijke weg en belandt natuurlijk eerst in een eenvoudige omgeving. Hij kan niet direct naar de hemel, maar hij wordt wel verder geleid. 

Het middelste gedeelte van het tussenrijk

We gaan nu een ander gedeelte van het tussenrijk bekijken. Ons wordt steeds weer bevestigd, ook door Jakob Lorber, dat de mensen in een omgeving terecht komen die overeenstemt met hun leven. Als iemand in het middelste gedeelte daarvan aankomt met een stuk oprechte liefde voor God, voor de hemelse Vader, voor Jezus, dan kan hij in een mooie omgeving belanden met heuvels, met bos en met kleine huisjes, waar ook andere mensen langs komen. Dat andere mensen langs komen, is heel erg belangrijk: meestal zijn dat wat armere mensen die op zoek zijn naar een tehuis of die op zoek zijn naar iets anders: ze weten nog niet waar ze naartoe willen. Dat zijn natuurlijk ook overledenen, die een beroep doen op je naastenliefde. Je kunt je daar oefenen in de liefde voor de ander. Hoe sterker jouw liefde zich ontwikkelt, des te beter wordt je eigen omgeving die uit jouw eigen hart wordt gevormd. Dat is de leerschool die je in het tussenrijk, in het paradijs, meemaakt, totdat je opeens voor de poort staat die je naar de hemel brengt. 

Er is een voorbeeld gegeven door Max Seltmann van een jonge vrouw, Hanna heet zij, die na haar overlijden eerst bij haar ouders terecht komt. Daarna belandt ze in een sanatorium, een ziekenhuis. De mensen die daar aankomen zijn uiterlijk ziek, maar in werkelijkheid zijn ze nog ziek in hun ziel. Op deze plaatsen bevinden zich ook mensen die al eerder overleden zijn. Zij willen de nieuwelingen helpen omdat ze naastenliefde hebben. Als zusters en als broeders, als tuinier of in welke gedaante dan ook oefenen ze de naastenliefde, totdat zij zelf zó sterk zijn dat ze hogere opgaven krijgen. Het is vanzelfsprekend, dat ook de zieken na een bepaalde tijd het sanatorium verlaten. Dat is dus de groei naar de wedergeboorte die de mensen hier nog niet hadden bereikt, maar daar zijn voltooiing vindt. Men bereikt dit door alles wat van de geest, van God komt, in de eigen ziel op te nemen, om dan naar de uiteindelijke plaats – de hemel – te kunnen gaan. 

De hel

Over de hel wil ik niet zo veel meer vertellen. Er zijn verschrikkelijke dingen over beschreven door Jakob Lorber; die kan iedereen zelf wel lezen. Daar treedt met name het beeld van macht, van de begeerte naar geld, op de voorgrond. In “Die Geistige Sonne” wordt het voorbeeld gegeven van een dikke man op een troon die slangenarmen heeft; handlangers van hem, die wat kleiner zijn, lopen rond en proberen andere mensen te vangen. Deze worden in een kleine gevangenis gestopt, in een ijzeren kooi. De dikke man, die daarboven op zijn troon zit, pakt steeds weer één van hen en eet hem op. Er wordt ook uitgelegd wat daarmee bedoeld wordt: het gaat hier om leningen (in het aardse leven) die aan mensen worden verstrekt. Als men de lening niet terug kan betalen, worden de leningnemers door andere mensen, die deze kredieten gegeven hebben – de handlangers van de man op de troon – gepakt en komen dan in de kooi terecht. Dat is maar een voorbeeld van wat daar beschreven wordt. En nog erger is het met seks, maar daar gaan we  nu niet op in. 

De hemelen

Wij komen weer terug op de hemel. In de onderste hemel, de geloofshemel, staan heel grote paleizen die uit goud en edelstenen bestaan. Daarin zien families elkaar weer; ze blijven er dan gezamenlijk of met vrienden wonen en hebben natuurlijk ook taken – anders is het leven immers niet draaglijk. Er zijn ook kerken, en alles is er zo groot en prachtig dat je je dat nooit zou kunnen voorstellen. De mensen zijn natuurlijk heel erg gelukkig. 

Maar als je in de tweede hemel komt, de liefde-wijsheidshemel, zie je allemaal kleine huisjes. Je vraagt je af: hoe komt het dat ik in een hogere hemel alleen nog maar kleine huisjes zie? Kijk, dat komt overeen met het innerlijk. Het innerlijk is de deemoed van de mens en daarom zijn de huisjes van buiten klein. Maar als je daar binnen komt, kun je het hart bekijken van de mens: dat is het innerlijk van zo’n huis. Je komt dan opeens in een ruimte terecht die bij wijze van spreken zo groot is als heel Europa, zo groot als de hele aarde, of zo groot dat er zich ook enkele sterren in bevinden: dat is het innerlijk van dat kleine huisje. Dat is de liefde die zo’n mens uitstraalt voor alles wat er om hem heen is, en dat krijgt in zijn hart volledig gestalte. Hij heeft er ook veel werk te verrichten, maar hij houdt ervan om te werken uit liefde.

Dan nog de hoogste hemel, het Jeruzalem. Dat wordt ons beschreven als een stad met twaalf poorten die uit goud en edelstenen bestaan. Daarin heb je ook ontelbare gebouwen. Jezus legt aan een prior, die met Hem naar de hemel gaat, uit: “Ik als tastbare God woon met jullie mensen, met Mijn kinderen, hier in dit Jeruzalem. Hier ben Ik steeds, hier ga Ik nooit weg.” Hij laat dan ook een gebouw zien waarin de aartsvaders zijn en waarin zich o.a. ook Mozes, Abraham en de discipelen bevinden.

Maar wat ik zelf veel belangrijker vind, is dat wij het volgende mogen weten: als de prior nl. met Jezus naar Jeruzalem toe gaat, zijn er veel mensen die zwaaien, zingen en vrolijk zijn. De prior vraagt daarom: “Dat vind ik heel mooi, maar hoe weten zij dat wij komen? Dat is toch eigenlijk niet mogelijk?” Jezus zegt daarop tegen de prior: “Zij weten dat wij komen en alle mensen die je hier ziet – het zijn er ongeveer een miljoen – wachten op jou.” De prior antwoordt: ”Wachten ze op mij? Hoe kan dat, ik ken toch geen van allen?” Dan legt Jezus uit, dat als iemand in de hoogste hemel komt, het werk van een godskind begint. En Hij zegt: “De wezens die je hier ziet, zijn allemaal afkomstig van sterren – sterren zijn immers ook aardbollen of zonnen; overal is leven – en jij bent nu de baas van al deze mensen. Zij wachten op jou, opdat ze in de toekomst met jou mogen samenwerken. Als je werk hebt op bijv. de Orion, gaan die twee of drie met je mee, die van de Orion afkomstig zijn. Jullie werken daar dan samen.”

Over deze mensen van andere hemellichamen wordt het volgende uitgelegd: “Je moet je dat zó voorstellen, dat zij allemaal kinderen van engelen zijn, maar hier op aarde zijn jullie de kinderen van Mij, van God. Dus jij bent het hart, of als je dat zo wilt uitdrukken: het hoofd, en alles wat daar bij hoort, zijn de ledematen, dat zijn de delen die nu bij jouw lichaam horen. Alles werkt samen.“

Tot slot

Aan het einde van deze lezing wil ik alleen nog een keer zeggen, dat het hier op de aarde belangrijk is dat wij met het woord ‘geestelijke wedergeboorte’ kunnen omgaan; het is heel belangrijk dat wij liefde leren. Het woord ‘liefde’ betekent niet dat iedereen nu ’s nacht bij een stervende moet waken; het betekent dat we in de dagelijkse omgang met onze vrouw of man, met de buurman en met iedereen die we in ons beroep tegenkomen, deze naastenliefde geven. Het betekent ook dat we inzien dat iedere man en iedere vrouw op zijn eigen ontwikkelingsweg is. Niemand mag denken dat hij op een betere weg is. Iedere weg gaat naar het doel, iedere weg gaat naar de hemel. De weg van de ander is alleen een beetje verschillend van die van mijzelf. Daarom heb ik liefde: ik luister naar hem, ik neem soms ook aan wat hij zegt, of ik heb – en dat mag – een andere opvatting of een ander inzicht. Het is onze opgave hier op aarde om uiteindelijk in het hiernamaals, in de hemel te komen.

Vragen die na de pauze werden gesteld

Vóór de pauze heb ik een beeld gegeven van de hel; dat had betrekking op de zucht naar geld. Ik wil er voor alle duidelijkheid nog even op wijzen dat het geen mensen zijn die zulke dingen meemaken; dat was het zinnebeeld van de zucht naar geld. Mensen raken dus niet in deze toestand; niemand hoeft bang te zijn dat hij in de hel door een dikke man wordt opgegeten.

Hier heb ik enkele vragen op papier staan. De eerste vraag luidt: 

Zit in ieder mens een wezenlijk verlangen naar liefde, ofwel een vonk van God?

Antwoord: Ja, ieder mens sinds Adam heeft de zogenaamde Godsvonk in zich. Hij wordt ook de liefdesvonk genoemd. Die zit in elk mens, maar hij zit – zo wordt dat genoemd – in een capsule in het hart van de geest. De ziel moet zich eerst naar de geest richten en luisteren naar wat hij zegt. Als zij liefde van haar geest aanneemt en zich verandert, dan breekt deze capsule open en de mens komt tot het inzicht dat alles wat eeuwig is, het echte leven en de echte liefde betekent. Maar door de materie komen veel tijdelijke, negatieve verlangens op me af. Wat doe ik dus? Ik weet, dat ik mijn materiële lichaam toch verlies. Daarom richt ik mij nu al in eerste instantie op mijn geestelijke lichaam. En daar komt dan ook de Godsvonk actief tevoorschijn; dat is eigenlijk niets anders dan de stem van God in jezelf, die dan tegen je spreekt. Dus elk mens heeft de Godsvonk in zich. Alleen dankzij deze Godsvonk in verbinding met de door Jezus bereikte overwinning van de dood – dus van het kwade in het algemeen – zijn wij in staat naar de hemel te gaan. 

Mensen, die vóór Jezus leefden – daar behoorden ook Mozes en Abraham toe – konden alleen in het paradijs komen, dus in het hoogste niveau van het tussenrijk. Niemand van hen is in de hemel gekomen. Pas door Jezus is de weg terug echt geopend, door Zijn overlijden en opstaan, dus het overwinnen van de materie. Daarom kan God nu uit zijn genade en niet uit zijn almacht voor de mens de hemelspoort openstellen. 

Vraag: U zegt echt, dat allen die gestorven zijn vóór Christus, niet in de hemel kunnen komen.

Antwoord: Nee, dat is anders bedoeld: ze waren nog niet in de hemel gekomen. Dat is het verschil. Door de dood van Jezus en door Zijn opstanding zijn allen verlost. In het paradijs hebben ze daarna allemaal de tweede geestelijke wedergeboorte ontvangen, die nodig is om in de hemel in te gaan. Velen waren daardoor direct in staat. Dat is dan ook direct gebeurd.

Vraag: Was het niet zo, dat toen Christus stierf aan het kruis, dat op dat moment het gordijn in de tempel scheurde en de Christuskracht vrij kwam?

Antwoord: Dat is ook weer een zinnebeeld: het is wel letterlijk zo gebeurd, maar wij moeten het gebeuren met dit gordijn op een hoger niveau bekijken, dus naar het niveau van de geest gaan. Daar betekent het, dat de macht van het kwaad ‘gescheurd’ is. De macht van het kwaad is daardoor overwonnen; dat is de betekenis. Tot dan toe had Satana (Lucifer) in de materie werkelijk de macht in handen. Niemand kon terugkeren naar de hemel, omdat niemand op aarde een absoluut zuiver leven geleid had, ook Mozes niet. Dat is bij Jezus wel gebeurd: Hij heeft deemoedig alles in naastenliefde opgebouwd. Vergeet niet, dat de geest in de mens Jezus de goddelijke Geest is, dus God Zelf heeft Zijn intrek genomen in een mens en liet zich toen door Zijn eigen schepselen – lichamelijk tenminste – doden. Omdat Hij niet geklaagd heeft en alles op zich genomen heeft, is het gordijn gescheurd: het kwaad was overwonnen. En doordat Hij dat overwonnen heeft, krijgt sinds die tijd iedereen de verlossing in vorm van de pinkstergeest in zijn hart. Om het voor allen duidelijk te maken, wij zijn kinderen van God en wij komen uiteindelijk allemaal in de hemel terecht. Alleen iemand die helemaal niet wil, kiest voor een andere weg. Daarmee is eigenlijk ook de tweede vraag beantwoord, nl.: komen alle mensen uiteindelijk in de hemel?

Onder het woord ‘allen’ staat een streepje. Ik zou zeggen: wél allemaal, maar het moet toch wat nader worden uitgelegd. Jezus zegt: in de onderste hel kunnen wel wezens bestaan die nooit naar de hemel gaan. Maar als we weten hoe onze ziel samengesteld is, begrijpen we dat Hij gelijk heeft en toch alle mensen naar de hemel gaan. De mens is uit ongelofelijk veel kleine onderdeeltjes van de ziel samengesteld en de ziel van de mens is het hoogste eindstadium: dat blijft zo, dat wordt niet veranderd. Maar vóórdat een mens als ziel ontstaat, doorloopt hij alle natuursferen. Een heel eenvoudige steen of een stuk ijzer heeft een heel kleine ziel. Deze wordt steeds groter: Eerst wordt het zand, daarna een plant en vervolgens een dier. Uiteindelijk wordt uit zielen van verschillende soorten planten, dieren en nog verdere zielendeeltjes die uit het geestenrijk afkomstig zijn, de mensenziel samengesteld. Dus uit de allerkleinste deeltjes, uit zielendeeltjes, wordt een menselijke ziel samengesteld. 

Als nu iemand in de onderste hel is en hij wil daar absoluut niet weg, dan kan gezegd worden: opdat leven altijd moet blijven bestaan, splitst dit mensenleven in de onderste hel zich weer in ongelofelijk veel kleine zielendeeltjes en doorloopt weer de natuursferen in een heel andere samenstelling. Het leven zelf gaat dus nooit dood. Maar de individuele mens die zijn leven verprutst heeft en in het onderste gedeelte van de hel terechtkomt omdat hij er zelf voor gekozen heeft, houdt op te bestaan. Zijn zielendeeltjes komen echter in andere gebieden terecht en – dat is zeker – in een betere toestand. 

Vraag: Loopt de hel uiteindelijk helemaal leeg? 

Antwoord: Jazeker, de hel loopt uiteindelijk helemaal leeg. Een gevangenis is er ook niet opdat iedere gevangene altijd binnen moet blijven. Dat geldt niet eens hier op aarde en nog veel minder als je dat geestelijk bekijkt. 

We zien in Genesis dat wij op de zesde scheppingsdag leven, en een scheppingsdag duurt net zolang totdat alles wat op die dag moest gebeuren, op die dag ook werkelijk gebeurd is. Menselijk gezien kunnen we zeggen: of dat nu een miljard jaar is of een miljoen jaar of duizend jaar, die dag is ten einde als alles zich heeft voltrokken, wat er moest gebeuren. Eén van die dingen is het leeglopen van de hel.

Vraag: Zijn alle engelen mensen die reeds overleden zijn?

Antwoord: Nee, dat is niet het geval, omdat wij geestelijk geschapen zijn en niet materieel. De materiële wereld ontstond veel later, ik dacht op de derde of vierde scheppingsdag, maar dat is ook niet zo belangrijk. Belangrijk is in elk geval dat wij allemaal als geesten geschapen zijn, en als je een ander woord voor geest gebruikt, dan gebruik je het woord engel. Wij zijn allemaal als engelen geschapen. Alleen is een gedeelte van de engelen op het goede pad gebleven; deze zijn geschapen door de aartsengelen, zoals Gabriël, Michaël en Rafaël. Een ander groot gedeelte – een derde ongeveer – is afkomstig van Lucifer, die oorspronkelijk Satana heette. De engelen die afkomstig zijn van Satana, die eigenmachtig zelf God wilde zijn, zijn daardoor op de verkeerde weg terecht gekomen. Als je van de bron weg gaat, verlies je natuurlijk je voedsel (liefde). Geestelijk gezien zijn ze afgezakt uit hun oorspronkelijke hoge energie –of liefdesfrequentie. Toen werden ze het ook onder elkaar oneens. En als je het oneens wordt, dan ontstaan conflicten. Dit alles vond in de geestenwereld plaats. Om nu alle schepselen die door Satana ontstonden en eigenlijk ook engelen waren, weer terug te brengen op de weg naar de hemel, is de materiële wereld geschapen door God. Dus de omweg via de materiële wereld gaat naar de hemel toe, opdat alles weer zoals oorspronkelijk in de hemel terecht komt. 

Vraag: Zijn wij dan allemaal gevallen engelen?

Antwoord: Volgens Lorber zijn ongeveer 98 procent van de mensen afkomstig van de gevallen Lucifer. Maar er zijn natuurlijk ook engelen die van de aartsengelen afkomstig zijn; zij weten wat er gebeurd is en zeiden: “Onze Vader heeft zich in Jezus Zelf geïncarneerd op aarde, dan kunnen wij niet bij Hem achterblijven.” Zij willen vrijwillig ook hun werk op aarde doen om het hun broers en zusters gemakkelijker te maken om op een hoger geestelijk niveau te komen. Daar hoort ook de nieuwe aarde bij waarover overal gesproken wordt – de nieuwe aarde, waar het duizendjarig vrederijk zijn aanvang zal nemen. Ook daaraan willen ze meehelpen. Dus 98% van alle zielen zijn echt van Lucifer, van Sadhana, afkomstig. Maar je mag niet vergeten dat iedereen vanaf Adam een nieuwe geest van God meegekregen heeft. Dus het is niet zo dat wij allemaal tegen onmogelijke toestanden moeten vechten en het toch niet kunnen halen, omdat wij van het begin af aan slecht waren. Daarom heeft vanaf Adam ieder mens een nieuwe geest meegekregen, een geest van God die zuiver en puur is. 

De laatste vraag is zeker een beetje bijzonder hier in Nederland, zelfs tegenstrijdig: Hoe kun je nou zeggen dat mensen die zichzelf doden geen liefde voor het leven hebben?

Antwoord: Kijk, dat moet je natuurlijk zó zien. In plaats van ‘liefde voor het leven’ kun je zeggen: liefde voor het materiële leven. En als het materiële leven niet meer functioneert, dan wil ik van dat materiële niets meer weten. Je hebt dus echt geen liefde meer voor het materiële leven, je wilt ermee stoppen. Maar als je dat geestelijk bekijkt, zeg je: wij weten dat we niet sterven, wij leggen alleen het materiële lichaam af dat toch op een dag overbodig wordt. Er bestaan redenen voor dat de één gewoon naar bed gaat en (van God) mag overlijden, en de ander eerst nog een half jaar of een jaar moet lijden vóórdat hij naar het hiernamaals kan gaan. Daar bestaan redenen voor die ook bij Lorber heel erg duidelijk worden uitgelegd. Als we nu de liefde vanuit het geestelijke perspectief bekijken, dan weet de mens hier op aarde al dat hij dóórleeft: ja, dan zou hij toch gek zijn als hij hier een eind maakt aan het tijdelijke leven. Hij weet immers dat hij zijn pijn toch meeneemt. Vijf minuten nadat ik hier gestorven ben op aarde, voel ik daar dezelfde pijn en nog veel sterker dan nu. Is het dan niet beter hier een beetje af te wachten? Misschien heb ik zo´n lijden te dragen om nog een bepaald inzicht te krijgen. Misschien word ik verstandiger, gevoelsmatig diepgaander als ik een lijden heb en mijn vrouw of iemand anders de kans geef mij liefderijk te verzorgen. Ik geef mijn vrouw de kans naastenliefde te oefenen, ik neem die naastenliefde aan. Het is toch ook een goed gevoel als ik een ander de kans geef wat liefs te doen; dat is dan liefde voor het leven. Als je daar allemaal ‘nee’ tegen zegt en jezelf doodt, zal het gebeuren dat je je verschrikkelijk ergert vijf minuten nadat je er hier een einde aan hebt gemaakt en niet meer terug kan. 

Het is bekend, dat circa 70 procent van de mensen in Nederland eigenlijk vóór euthanasie zijn. Je moet de gevolgen van zelfdoding bekijken. Daar kan iedereen thuis rustig over nadenken en met inzicht naar het gevoel luisteren dat in zichzelf naar boven komt. Ik denk dat zeker de meerderheid dan zegt: als dat zo is, dan zal ik die paar weken ook nog wel doorstaan, en ik wil toch ook liefde aan mijn vrouw, aan mijn man en aan mijn kinderen geven, omdat ze mij mogen verzorgen. Dan moet ik toch niet zo eigenzinnig zijn dat ik zeg: ik denk nu alleen aan mijzelf. 

Vraag: Maar als er nu iemand is, die zegt van: kijk, ik heb helemaal niemand meer, waarom leef ik, ik ben levensmoe.

Antwoord: Ja, dat levensmoe zijn, dat is geen liefde meer voor het leven hebben. Als je zonder liefde verder gaat, kom je zonder liefde aan, en dan kom je ook ergens terecht waar geen liefde heerst. En als je zegt: ik heb niemand, dan is dat niet juist. De zuster in een verpleeghuis is ook iemand, dat is ook een mens, en naastenliefde is niet alleen voor de eigen vrouw en de eigen man, dat is voor iedereen. Dat geldt ook voor een moslim die je verzorgt, of een boeddhist: waar hij vandaan komt, speelt helemaal geen rol. Diegene heeft zijn eigen weg en eindigt op dezelfde plek als jezelf – dat is een iets andere weg, maar ook een juiste weg. Daarom is hij ook jouw naaste. 

Verder staat bij zo iemand het vertrouwen op de hemelse Vader op een heel erg laag pitje. Is Hij het niet, die het hele leven voor ons zorgt? Maar wij zijn het toch die vaak niet willen doen wat Hij ons aanwijst.

Vraag: Ik mis Gods genade in het verhaal. Ik krijg het gevoel dat de mens het allemaal zelf moet doen.

Antwoord: Je hebt de geest van God gekregen, die zijn ziel steeds de kans geeft naar Hem te luisteren en je hebt zelfs de Godsvonk die nog sterker is: dat is eigenlijk een stukje van God Zelf, die de mens ook steeds mededelingen geeft. We moeten herkennen en zelf onderscheiden wat juist is en wat niet juist is, dus wat materieel is en afsterft, of wat echter eeuwig bestaat. De genade van God is, dat Hij echte Godskinderen wil hebben, en dat kan alleen in vrijheid: de mens moet vrije beslissingen nemen. Daarom lijkt het soms alsof God stil is en Hij ons niets zegt, dat wij helemaal alleen staan, maar dat is niet juist. Als er oorlog komt of er zijn rellen zoals onlangs in Den Bosch, dan heeft God dat niet gedaan: dat hebben de mensen gedaan. De mens heeft de vrijheid te doen wat hij wil. Als hij hoog in de hemel wil komen, dan staat daar ook de diepste hel tegenover. Hij kan vrij beslissen over wat hij doet. Daarom worden ook de foutjes die de mens hier op aarde maakt, hem niet zwaar aangerekend. Als iemand niet om euthanasie gevraagd heeft en in de laatste 3, 4 dagen waarop hij pijn lijdt tot inzicht en geloof komt en zegt: “Nu zie ik mijn familie heel anders. Dat iemand voor mij zorgt, is ongelofelijk lief” – dan is dat toch genade! Hij voelt die liefde in zijn hart; het is de genade van God dat deze mens dit kan meemaken. Maar de mens moet zich er wel voor openstellen. 

Ik heb net een boek gelezen dat “Vriendschap met God” heet en daarin zegt God tegen een man (de auteur): “Als iemand Mij iets vraagt, geef Ik ook antwoord, maar de meesten bidden tot Mij, maar zij wachten helemaal niet op een antwoord van Mij. Ik wil ook graag wat zeggen, maar niemand luistert naar Mij. Ze zijn blij als ze een gebed uitgesproken hebben en dan gaan ze naar het werk of doen iets anders, maar ze luisteren niet eens naar Mij. Hoe kan Ik hun dan goed uitleggen wat ze moeten doen als niemand luistert?”

Vraag: Is het hoogste deel van de hemel hetzelfde Jeruzalem, dat ook in de Openbaringen beschreven staat?

Antwoord: Ja, dat is juist, dat is dat Jeruzalem. Als we naar de aarde kijken, dan zien we dat de stad Jeruzalem als ‘Salem’ is gesticht door Melchizedek. Melchizedek is niemand anders dan God die in een engelgeest hier op aarde leefde in de tijd van Abraham. Dat is een symbool voor dat hemelse Jeruzalem. Het is het hoogste gedeelte van de hemel en is hetzelfde wat ook in de Openbaringen beschreven staat. 

Vraag: Zijn er mensen op aarde die helemaal zuiver zijn?

Antwoord: Ik zou zeggen: niet echt, omdat ook zuivere engelen – zelfs aartsengelen – die op aarde incarneren, een ziel meekrijgen die van beneden komt, dus die van Satana afkomstig is. Als een zuivere engel hier incarneert, heeft hij ook te maken met de begeerten en de problemen die ieder mens heeft. Zijn geest werkt alleen veel sterker dan bij een mens die – zoals bij Lorber gezegd wordt – van beneden afkomstig is, dus van Lucifer afstamt. De ziel van een geïncarneerde engel is dus ook niet zuiver. Die was ook bij Jezus niet zuiver, maar moest door Hem overwonnen worden. Daarom had Hij ook de tijd tot Zijn dertigste levensjaar nodig om Zijn wedergeboorte te bereiken en daarna Zijn roeping en Zijn driejarige leerperiode gestalte te geven. Om die reden bestaat er eigenlijk op aarde geen mens die zuiver is, omdat de ziel steeds gedeeltelijk slechte eigenschappen heeft. Dat kan ook niet anders: een mens, die helemaal zuiver geboren wordt, zou zich lichamelijk oplossen, hij zou te geestelijk zijn. Hij zou hier niet kunnen leven, zoals dat ook met Elia en met Maria, de moeder van Jezus, het geval was: zij losten zich op.

De aartsengel Michaël was als Elia op aarde geïncarneerd. Hij incarneerde later nog een keer in Johannes de Doper. Wat heeft Johannes gedaan? Eigenlijk heeft hij ook een verschrikkelijke fout gemaakt. Toen hij gezegd had aan de Jordaan: “Dat is Christus, ik ben het niet waard om Zijn schoenveters vast te maken”, wist hij precies wie Hij was! Hij was zelfs de neef van Jezus. Maar wat is dan de fout die de aartsengel Michaël als Johannes de Doper gemaakt heeft? Hij vervolgde zijn eigen weg en bleef de mensen oproepen om boete te doen. In plaats van tegen Hem te zeggen: “Nu hoef ik niet meer verder te spreken, Hij is al aanwezig en ik word nu een discipel van Hem,” is hij verder gegaan op zijn eigen weg, met als gevolg dat hij door Herodes werd onthoofd. Zou hij als volgeling met Jezus zijn meegegaan, dan zou zijn leven op aarde er heel anders hebben uitgezien. Kijk: innerlijk is het een zuivere engel en als mens neem je dan toch een verkeerde beslissing.

Vraag: Hoe zit het met abortus: is dit voorbestemd? Heeft dit een doel en hebben te vroeg geboren kinderen ook de Godsvonk in zich?

Antwoord: Deze vraag wordt heel uitvoerig bij Lorber uitgelegd. Als een mens geboren wordt, bestaat al de geest, die hij van God heeft en ook de ziel. Beide komen samen. Ziel en geest weten nu dat ze op aarde zullen incarneren. Afhankelijk van het levensdoel worden de ouders uitgekozen en de ziel begint haar lichaam te vormen. Daar hoor je het al. Als de bevruchting plaats vindt, begint de ziel onmiddellijk met de vorming van zijn eigen lichaam: dat is het kind dat zich in de buik van de moeder vormt. De ziel gaat uiteindelijk pas in de zesde of zevende maand inwonen in het lichaam, maar de kleine mens kan al met twee, drie maanden leven, ook als de ziel nog niet binnen het lichaam zit. Daarom is dat al een echt mens! We weten dat de mens de vrijheid heeft om te beslissen. Zo mag hij iemand doden of hij kan iemand liefdevol verzorgen: alles daartussenin is vrijgelaten.

Het kinderrijk bestaat, opdat kinderen die in het tussenrijk aankomen, niet verstoken zijn van hulp. Zij worden daar bijzonder goed opgevoed. Hun wordt uitgelegd wie God is, dat Hij de hemelse Vader is, en wat voor een leerschool de aarde eigenlijk is. Daarom worden ze ook ontvangstengelen en beschermengelen van de aarde. 

Iedereen, ook deze kinderen natuurlijk, heeft in zijn hart een geest van God ontvangen die met zijn ziel samenwerkt om een nieuw vleselijk lichaam te vormen, en ontvangt verder nog de ingesloten Godsvonk. Niemand die hier op aarde leeft, is zonder Godsvonk. Als dan zo’n kind – een kind van één week oud of een vijfjarige jongen – overlijdt, komt het in het kinderrijk, in het paradijs terecht. Daar heeft hij het beter dan hier op aarde. Als we dat weten, dan is dat ook een kleine troost voor ons.

Vraag: Hoe kunnen wij voelen of weten dat wij op aarde wedergeboren zijn, of gebeurt dit alleen aan de andere kant, en wát als je contact met je innerlijk op slot zit of verstoord is?

Antwoord: Hiermee wordt de geestelijke wedergeboorte bedoeld, niet de reïncarnatie. Kijk, op aarde worden weinig mensen wedergeboren, maar toch zijn velen op weg naar de wedergeboorte of zitten er zelfs dicht bij, maar bijzonder weinig mensen zijn al helemaal wedergeboren. Wie dat wél is, zal zeker niet van zichzelf prijsgeven dat hij het is omdat de deemoed hem daarvan weerhoudt, maar ook om anderen gemakkelijker op een zachte manier te kunnen helpen. De wedergeboorte manifesteert zich bv. doordat je gemakkelijker in jouw innerlijk stemmen hoort en merkt dat inzichten van Jezus of van begeleidende engelen in je gelegd worden. Zo iemand erkent, dat het niet zijn eigen gedachten zijn en zegt daarover: “Dat is in mij gelegd.” 

Als bij mensen het innerlijk – de verbinding tussen ziel en geest – verstoord is of op slot zit, dan is dat alleen als een mens géén of te weinig liefde heeft. Zo iemand denkt overwegend aan zichzelf en zit dus in de negatieve liefde, de eigenliefde. Dan is hij naar anderen toe zonder liefde en is de Godsvonk nog helemaal ingesloten. De Godsvonk moet door onszelf wakker gemaakt worden.Wij moeten de deur naar de Godsvonk openen, opdat het licht op ons kan schijnen en dat licht letterlijk op ons komt, zodat onze aura, die om ons heen is, tegen het kwade wordt afgeschermd. We kunnen dan nóg beter naar het innerlijk, naar het centrum van onszelf luisteren om te horen wat ons daar door onze geest en door de Godsvonk wordt meegedeeld. Daardoor kunnen we onderscheid maken tussen datgene wat eeuwige waarheid is en wat maar een tijdelijk iets is. Je onderscheidt dus belangrijke van minder belangrijke dingen. Dan kun je met je omgeving heel anders omgaan. Je deelt meer vanuit liefde dingen aan anderen mee, omdat je weet dat iedereen op zijn eigen weg is: ook dat kan een juiste weg zijn. Daarom hoef je hem niet te zeggen: dat moet je zó zien. Zijn weg is immers ook een juiste weg. Je wordt dus gevoeliger voor de anderen. En als je gevoeliger wordt, dan zie je ook in waar we nu in deze tijd naartoe gaan, namelijk dat zich uit de materiële aarde een geestelijke aarde vormt. De frequentie wordt dus gewoon omhoog geschroefd en de mensen zijn niet meer bang dat ze te weinig krijgen. Ze weten dat er genoeg is; iedereen heeft genoeg. En als je dat met elkaar deelt en de ander accepteert het, dan leef je vanuit de wedergeboorte. 

Vraag: Wat u vertelt over dat iedereen zijn eigen weg heeft, dat gaat wel op voor iedereen die in harmonie met elkaar leeft, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik heel weinig de eigen weg kan waarderen van mensen die b.v. in andere landen mensen martelen of anderen doden.

Antwoord: Ja, toch ook. Natuurlijk hebben mensen, die andere mensen martelen, helemaal geen liefde voor anderen. In het Grote Evangelie van Johannes, geschreven door Jakob Lorber, komt Jezus een keer een groep tegen van 7 of 8 moordenaars, die ook andere mensen hebben beroofd en gemarteld; die plaatst Hij dan voor een hele nacht – de indianen zouden zeggen – aan een martelpaal, dicht bij een meer. Daar blijven ze en ze schreeuwen, ze maken zelfs een verschrikkelijke storm mee. Zijn discipelen vragen daarom: “Wat heeft dat voor zin, Je bent toch de liefde en waarom doe Je dat, waarom worden deze mensen niet in een gevangenis gestopt?” Dan zegt Jezus: “Wacht maar af.” Aan het begin van de volgende dag krijgen die mensen opeens inzicht in hun daden; ze komen in een stadium van berouw (bij het thema ‘vagevuur’ in het hiernamaals heb ik eerder hierover gesproken); deze toestand begon bij hen hier al. En ze worden later, op één na, allemaal de grootste voorvechters van het geloof, van de liefde. Dus je kunt nooit zeggen over zulke mensen, die nu folteraars zijn, dat zij zich nooit zullen bekeren: misschien slaan zij over vijf dagen een heel andere richting in. Daarom mogen ze toch ook leven hier op aarde. 

Vraag:  Maar hoe zit het dan met de slachtoffers. Moeten die zich tevreden stellen met het feit dat ze dan een rol hebben kunnen spelen in de bekering van zo iemand? Wat heb ik eraan als God liefde is, is Hij ook rechtvaardig? 

Antwoord: Ieder mens, ook het slachtoffer, maakt zijn eigen weg mee. Er is een voorbeeld dat Jezus een keer geeft. Hij zegt: vele mensen leven in armoede en dat is ook juist door Mij gewild omdat ik hun een kans geef beter en dichter bij de deemoed te leven. Ze moeten soms een akelige situatie meemaken om aan Mij te denken en Mij niet te vergeten, om dankbaar te zijn. Armen kunnen veel gemakkelijker een stuk brood met een andere arme delen. De rijken doen het niet. Maar, zegt Hij, als Ik nu zulke armen uitkies en hun een grote rijkdom geef, dan duurt het geen half jaar of ze zijn de verschrikkelijkste machtswellustelingen. Dat is een antwoord op de vraag. We moeten dus zowel oog hebben voor de geestelijke weg die op ons wacht, alsook voor de vrijheid die God ons moet geven om kinderen te kunnen worden. Als God in het begin, toen Satana nog in de hemel was, direct zou hebben gezegd: “Niemand kan iets kwaads doen, omdat Mijn schepselen alleen de goede weg bekend is”, dan zouden we geen vrije kinderen zijn. 

Nu zijn we kinderen van God, die wél weten dat er kwaad en goed bestaat, maar het kwade vrijwillig niet doen, omdat we weten dat het tot de dood leidt. Daarom moet op aarde elke vrije beslissing mogelijk blijven.

Vraag: Wordt het dan niet steeds slechter op aarde, als mensen de vrijheid hebben om verschrikkelijke dingen te doen?

Antwoord: Op aarde? Maar de weg gaat naar het goede toe. Daarom staat ook in verschillende voorspellingen, niet alleen bij Lorber, maar ook in de Bijbel, b.v. in de Openbaringen, dat wij naar het duizendjarige vrederijk toe gaan. Duizend jaar betekent natuurlijk niet dat het duizend jaar is, maar dat wil uitdrukken dat het een lange tijd is, en dat de energiefrequentie, dat is het inzicht in het geestelijke, omhoog gaat. – Ik moet dat even nader uitleggen: Albert Einstein heeft de formule gevonden die eigenlijk geestelijk is: E = m . c². E staat voor energie, en is gelijk aan massa maal het kwadraat van de lichtsnelheid. Dus je hebt aan de ene kant energie, geest en ziel; aan de andere kant heb je massa, dat is materie. Dat is onderling verwisselbaar. Massa kan worden terugveranderd in energie. Energie (ziel) was afgezakt naar de materie. 

Ja, God heeft de mens volledige vrijheid gegeven van handelen: de één komt in een rijke positie terecht om van daaruit toch in de hemel te komen en de ander krijgt zijn kans door armoedige omstandigheden. Maar armen hebben het gemakkelijker om de hemel te bereiken. Er bestaat dus steeds de vrijheid om een kind van God te worden. 

Vraag: Betekent dat nu ook, dat wanneer ik in een ontnuchterende positie kom, dat ik dat eigenlijk zelf gekozen heb?

Antwoord: Ja, dat was eigenlijk het antwoord dat ik wilde geven, bedankt. De mens vormt zijn toekomst door zijn wil. Wat ik nu doe, daarvan vormen zich de gevolgen in de toekomst. De mens is zelf verantwoordelijk voor wat hij doet. Denk aan een misdadiger; daar kun je toch niet blij om zijn. Natuurlijk weten wij dat het gebeurt. Maar ik kan anders reageren: ik kan ervoor vechten dat zulke mensen een beter inzicht krijgen door hen te zegenen en liefde te sturen. Ik hoef niet naar hen toe te gaan als ik ervoor wil zorgen dat deze mensen meer liefde overkomt en dat zij zichzelf veranderen. Door een liefdevolle instelling kom je zelf en de ander langzaam op het hogere niveau. De hele aarde komt dan op een hoger niveau. Dat wordt de geestelijke aarde, waarover gesproken wordt bij Johannes en Mattheüs in de Bijbel.

Vraag: Maar dat zou betekenen, dat er de laatste decennia minder oorlogen, minder ellende en minder rampen zouden moeten zijn gebeurd, maar dat zie ik persoonlijk niet gebeuren.

Antwoord: Daar is een verschil, dat is ja en nee. We moeten onderscheiden tussen materiële toekomst en geestelijke toekomst. Dat loopt parallel. Aan de ene kant de materiële toekomst: die hebben we allemaal zelf veroorzaakt. Wat we zelf ingekocht hebben, dat moeten we ook eten. Dat gebeurt vanzelf als gevolg van ons eigen handelen, en toch leidt God de mens naar de hemel toe. Wat de mens veroorzaakt, dat overkomt hem ook, en dat gebruikte God weer om tegen hem te zeggen: “Kijk, mens, zo kan het toch niet wat je doet, dat moet veranderd worden, daarin moet je toch een beter inzicht krijgen.” Zo gaat het. 

Parallel daaraan loopt de geestelijke weg om ons allemaal het geestelijke inzicht te geven. Door een groeiend geestelijk inzicht verminderen opeens de materiële ongelukken. Maar voorlopig kan er nog heel veel gebeuren wat wij zelf veroorzaakt hebben. Er wordt ook gezegd dat landen die dat eerder inzien, minder bij toekomstige rampen betrokken zijn. Toch zullen er nog wel oorlogen plaats vinden, maar er zijn ook landen die de veroorzakers ervan in bedwang houden. Dat zien we eigenlijk nu al, als je b.v. aan Kosovo denkt waar VN-militairen naartoe gaan om de vrede te handhaven. Dat is een klein stapje in de geestelijke richting. 

Vraag: Dat zou betekenen, dat er bij oorlogen of rampen in andere landen altijd mensen opstaan die tot ingrijpen bereid zijn, ongeacht hun religie.

Antwoord: Ieder land heeft gelovige mensen, of dat nu boeddhisten zijn of islamieten, en of ze nu in Azië, Afrika of Amerika wonen: dat maakt geen verschil. Overal zijn mensen (circa 2 procent) die van boven afkomstig zijn en hun medemensen de liefde leren. Dat is het belangrijkste. Ook de weg als moslim is een juiste weg; ook hij komt in de hemel terecht. Het is niet zo, dat je alleen een christen moet zijn om in de hemel terecht te komen. Daarom heb je ook in het hiernamaals nog leerscholen die de mens verder leiden. Als iemand liefde heeft voor God, dan mag hij ook liefde voor Allah hebben! Dat is alleen een ander woord voor God, maar dat is toch dezelfde God! Dus als je liefde hebt voor je naaste en liefde voor God, dan sta je open voor de hemel. Jezus Christus is de poort daar naartoe. Ook andere landen – dat is het antwoord – leven dus in liefde en hebben hun geestelijke leraren. 

Tot slot

Graag wou ik jullie bedanken voor de medewerking, omdat er zo goed aandacht aan mijn woorden werd geschonken. Ik hoop dat verschillende gedachten mee naar huis kunnen worden genomen, omdat in jezelf, in het eigen hart, de groei kan beginnen, die iedereen alleen voor zichzelf moet doen. Bedankt. 

“Het wezen van de mens”

Tekst van de lezing tijdens de ontmoetingsdag 

van de Jakob Lorberstichting te Zeist op 4 oktober 2003

________________________________________________________

1. Natuurgeesten

Wij weten inmiddels allemaal dat de mens een drievoudig lichaam heeft, maar toch is het beter om dat nog eens te herhalen. De mens bestaat uit een geestelijk lichaam, een ziel en een stoffelijk lichaam. Maar wij willen vandaag iets verder teruggaan en laat ons daarom beginnen met de toestand, die onmiddellijk voor de geboorte van de mens op aarde bestond. 

Wij komen dan in een situatie terecht, waarin het stoffelijke lichaam nog niet bestaat. Maar wat bestaat er dan wel? Het zielenlichaam bestaat wel. Juist daarover zal ons eerst nog meer duidelijkheid moeten worden gegeven. 

Zo´n ziel, die besloten heeft als een aards mens te gaan leven, wordt door een nieuwe geest – een eeuwig zuivere geest – die door God aan deze ziel toegevoegd wordt, aangemoedigd en gesteund om haar opgaven op aarde gemakkelijker te kunnen volbrengen.

Om in een materiële wereld te kunnen leven, is het vooral noodzakelijk een stoffelijk lichaam als omhulsel om de ziel te hebben. Wij zien al gauw in, dat van het drievoudige lichaam het de ziel is, die een ontwikkeling moet ondergaan. In de ziel is ons leven en handelen. Daar bevinden zich de eigenschappen, dus ons wezen komt vanuit de ziel. Daar wordt het vervolmaakt met behulp van de geest – of het wordt verwaarloosd door het aannemen van materiële verlangens. Als wij van het wezen van een mens spreken, dan heeft dat met name betrekking op het wezen van diens ziel. 

Nu gaan wij weer een stukje terug en kijken naar een ziel, voordat deze in een stoffelijk, dus menselijk lichaam incarneert. Deze zielen zijn, voordat zij incarneren, natuurzielen en zij zijn ook onder de naam natuurgeesten bekend. Robert Blum vraagt hierover aan Jezus: “Wie of wat zijn deze geesten eigenlijk?” Het antwoord van Jezus luidt: “Dat zijn geestelijke oerlevensvonken of afzonderlijke ideeën van mijn hart. Als zij door kleine maatregelen gedegen zijn voorbereid en door allerlei activiteiten in Mijn liefde zijn gezuiverd, worden zij ook in materiële, plantaardige en dierlijke vormen gehuld. Aan het einde van hun kringloop worden zij zielen van mensen, voorzien van de nodige intelligentie, opdat Mijn eigen liefdegeest in hen dan een wezen wordt, dat voor eeuwig met zulke zielen verbonden is.”

Deze natuurgeesten of natuurzielen leven in de vrije natuur. Zij hebben een hogere frequentie dan ons stoffelijk lichaam en zijn daarom voor onze ogen niet zichtbaar. Ik heb enkele jaren geleden met een man gesproken, die ze jarenlang wel kon zien. Hij heeft ze beschreven als gestalten, die niet meer dan 80 cm. groot zijn. Natuurlijk wordt ons ook door Jakob Lorber veel over deze natuurgeesten verteld. Jezus zegt in deel 4 van het GJE tegen Jarah: “Het zijn al concrete mensenzielen, die de weg van het vlees nog niet gegaan zijn. Zij hebben tot nu toe nog niet veel zin de weg van een gevangenschap in het vlees te ondergaan.” Zij zien het stoffelijke leven als een gevangenschap en dat komt doordat zij onvoorstelbaar lang in de materie gevangen zaten (na de val samen met Lucifer) en velen daar natuurlijk nog bevrijd moeten worden. Dat is de lange weg van de zogenaamde natuurzielenontwikkeling. Daarom hebben zij er een grote hekel aan, opnieuw in de materie ingesloten te worden. Zij zijn immers tot menselijke natuurzielen gegroeid en zij voelen zich in deze toestand eindelijk bevrijd van de materie en weten wel, dat zij bij het ondergaan van een aards leven ook nog al hun tegenwoordige kennis zullen verliezen. Alleen door veel ervaringen en veel inzichten kunnen deze natuurgeesten ertoe worden bewogen weer de weg van de materie in het vlees te gaan. Als zij het dan uiteindelijk doen, dan zetten zij die stap omdat zij hopen in het slechtste geval weer dát te kunnen worden, wat zij voor de incarnatie waren. 

Zij werken als natuurgeesten met verschillende opgaven. De luchtgeesten zorgen voor weer en wind, andere geesten voor het groeien van planten en ook voor de dieren; de watergeesten zijn voor al het leven in de rivieren, meren en zeeën verantwoordelijk, terwijl de aardgeesten de innerlijke opbouw van de aarde regelen. Dat gebeurt allemaal onder leiding van hogere engelen.

Veel natuurzielen vind je ook op de bergen, weer andere blijven in de buurt van mensen. Zij hebben veel kennis van de functie van de natuur en kunnen alles zien en horen wat op aarde gedaan en gesproken wordt. Soms helpen zij de mensen, maar zij kunnen ook behoorlijk veel schade toebrengen: dat is afhankelijk van de mens zelf. Als de mensen de natuur goed verzorgen en liefdevol met elkaar omgaan, dan zijn zij ook vriendelijk gestemd. Hun werk bestaat globaal o.a. uit het onderhouden van de grote oerwouden, want er bestaat daar een bijzonder grote verscheidenheid aan planten en dieren, die allemaal moeten worden verzorgd. Door het vernietigen van de oerwouden door de mens worden deze natuurgeesten van hun werk beroofd en als gevolg daarvan worden zij boos op de mens. Veel natuurrampen zijn dan ook hun werk, maar wij moeten daarbij wel bedenken dat deze veroorzaakt worden door de negatieve activiteiten van de mens of, anders gezegd, door zijn hoogmoed en heerszucht. Maar het zijn niet alleen natuurrampen die door hen worden veroorzaakt, maar ook epidemieën, verschillende ziekten bij mens en dier, slecht weer, magere oogst etc. Hun houding tegenover de mens is in het algemeen afwachtend en terughoudend en dat is begrijpelijk. Is het dan verwonderlijk dat zij vaak honderden jaren als natuurzielen blijven bestaan, voordat zij bereid zijn het leven als mens te beginnen?!

Wij hebben nu gekeken naar zielen, die nog mens moeten worden. Dat wil dus zeggen, dat de meesten van ons – en natuurlijk ook onze kinderen – van natuurzielen afkomstig zijn. Wij hebben het daarom in eigen hand, hoe het begin van het innerlijke wezen van de toekomstige mensen en zelfs van onze kinderen zal zijn. Als wij de natuur en daarmee de natuurgeesten goed behandelen is het gevolg daarvan, dat wij een goede basis leggen voor de ontwikkeling van het aardse leven van toekomstige mensen. Behoort dit ook niet tot de naastenliefde? In het tegenovergestelde geval is de kans groot, dat de toekomstige mensen door ons toedoen weer terugvallen. Wij kunnen deze medeverantwoordelijkheid niet ontkennen.

2. Geboorte van een mens

Het spreekt vanzelf dat wij nu de geboorte van een mens willen bekijken. De natuurzielen, die dan toch bereid zijn het stoffelijke leven te ondergaan, krijgen de mogelijkheid om mens te worden, om daardoor het eigenlijke levensdoel te bereiken, nl. een kind te worden van God. 

Het begint ermee, dat een vrije ziel de bevruchte eicel in de buik van een vrouw verzorgt. Deze natuurziel waakt verder bij het groeien van het embryo. Daar gaat zij mee door tot de zenuwen in het nieuwe kindje, die de verbinding tussen ziel en lichaam vormen, klaar zijn. Intussen trekt de ziel zich steeds meer samen tot zij uiteindelijk nog maar een klein bolletje is; vervolgens gaat zij binnen in het embryo. Daar aangekomen neemt zij bezit van alle organen.

In deze toestand verliest zij haar herinneringsvermogen aan haar bestaan als natuurgeest. Rafaël legt ons in deel 4 van het GJE uit, dat de ziel pas weken of maanden na de geboorte weer wakker wordt. Dat wakker worden gebeurt door de nieuwe indrukken, die het kind vanuit de buitenwereld opneemt en verzamelt. Dit wordt zo door de goddelijke liefde voorzien om aan de mens een absoluut vrije levensmogelijkheid te geven. De herinnering aan het leven als natuurgeest zou beslist storend werken op het groeivermogen van de mensenziel.

De geest, die ook bij het nieuwe mensenkind hoort, wordt circa drie dagen vòòr de geboorte in een kleine bel of blaasje in het zielenlichaam gelegd. Goede en positieve belevenissen van het kind zorgen ervoor, dat de ziel liefde ontwikkelt en deze maakt het mogelijk, dat deze geest uit zijn blaasje te voorschijn komt, actief wordt en liefdevolle raad geeft aan zijn ziel. Wij ouderen dienen dus niet alleen aan het kind en aan de medemensen echte liefde mee te geven, maar ook aan de ons omringende natuur, om een innerlijke groei van alle zielen te bevorderen.

Als wij spreken over het in de mens gelegde blaasje waarin zich de geest bevindt, moeten wij hier nog iets dieper op ingaan. De geest, die drie dagen vòòr de geboorte in de mens gelegd wordt, is de oorspronkelijke geest, die bij de val van Lucifer boosaardig werd en na een lange tijd van gevangenschap als essentiële geest bij zijn ziel komt. Het woord ´essentieel` betekent substantie en dat geeft aan dat het niveau van zijn energie was gedaald en ook gedurende zijn periode van gevangenschap niet meer zijn oorspronkelijke hoogte heeft kunnen bereiken. Maar sinds Adam heeft iedereen daarnaast nog een nieuwe geest van God gekregen, die een hogere energie heeft en mede actief wordt om leiding te geven aan de innerlijke groei van de mens. Nog afgezien van deze geschapen geesten hebben wij allen nog de godsvonk ontvangen, die zoals de naam zegt, een ongeschapen geestdeel van God is. Dit werd mogelijk door het overwinnen van de dood door Jezus Christus; de godsvonk maakt het ons uiteindelijk mogelijk om een echt kind van God te worden. Het is nu niet zo, dat deze prachtige aanleg in ons vanzelf werkt. Zolang wij het goddelijke woord en zijn liefde in ons niet aannemen en gebruiken, blijven deze blaasjes dicht en komen niet tot een bewust leven in ons. Wij zijn het, die moeten willen! 

Voor een goed begrip kunnen wij het ook anders uitdrukken: al wij die geesten, die door God zijn geschapen en aan ons zijn gegeven, zouden kunnen bekijken, dan zouden wij ons eigen beeld daarin herkennen. Anders is het met de godsvonk, die een ongeschapen geest – dus de goddelijke geest – is. Daarin zien wij Jezus Jehova! Kan ons een nog groter cadeau gegeven worden? 

3. Opvoeding van de mens

Jezus stelt veel belang in de opvoeding van kinderen en vindt daarbij de juiste volgorde heel belangrijk; we moeten het kind allereerst kennis bijbrengen over de liefde voor de hemelse Vader. In deel 4 van het GJE spreekt hij daarover:

“Wie begint, het verstand van zijn kinderen te ontwikkelen en te vormen, begint een huis bij de topgevel te bouwen of put water in een vat vol met gaten. Daar zal nooit een druppel levend water in blijven en met de wonderbare uitingen van het zielenleven zal het wel nooit iets worden.” 

Jezus zegt dan iets verder: “Zolang de ziel het lichaam bewoont, blijven de hersenen het belangrijkste gezichtsorgaan van de ziel.” In de eerste zeven levensjaren worden de hersenen voorbereid op een leven, dat een groeiproces van de ziel mogelijk zal maken. De ziel moet geestelijk kunnen groeien! Daarom is het noodzakelijk dat de geestelijke basis, die in het hart van de mens zit, eerst naar het verstand overgebracht wordt, noem het een soort kopiëren. Is het verstand dan zó gevormd – let wel: dat gebeurt in de eerst zeven levensjaren – dan kan hij elke materiële kennis opnemen, b.v. woorden, getallen en beelden. De aanwezige juiste geestelijke basis in het verstand beoordeelt de van de buitenwereld binnenstromende informatie en geeft de mens raad. 

Anders is het als het kind geen tijd gegund wordt om zich juist te ontwikkelen en het te vroeg met materiële kennis belast wordt. Dan worden de hersenen vervormd en zullen gedurende het heel verdere leven geen juiste geestelijke steun geven. Dit heeft ook tot gevolg, dat deze mensen eerder aan hoofdpijn zullen lijden. Wij spreken dan ook van stress. Actuele berichten in de kranten spreken steeds vaker van toenemende hoofdpijn en stressgevoelens bij zelfs jonge scholieren. Dat zijn echt de gevolgen in de hersenen van verkeerde en te vroeg toegepaste leermethoden.

En kleine troost is: “Een mens, die verstandelijk werd ontwikkeld, kan door veel zelfverloochening ook naderhand zijn hart ontwikkelen, maar als hij niet echt zorgzaam te werk gaat, zal hij merken dat hij het verzamelde levenswater kwijt is. Daarom raadde ik jullie voor alles de naastenliefde aan, die afkomstig is uit de liefde tot God. Laat je niet door de wereld verblinden, want alles wat zij jullie geeft, is dood en dat is de vrucht van het verstand!” Het doel dat wij moeten zien te bereiken, is de wedergeboorte van de geest in de ziel: dan kan er geen terugval meer plaats vinden. En juist om dát te bereiken, moet elke ziel worden geleerd om zich van de lusten van de wereld af te keren en zich aan de naastenliefde te houden, die alleen uit het hart komt en nooit uit het verstand. 

Jezus zegt verder, dat hij ons een nieuwe weg heeft voorbereid om een terugval in de materie te verhinderen, want er zijn veel mensen die door het verstand opgevoed zijn en daardoor een ziel met “gaten” hebben. Het spreekt vanzelf dat deze mensen steeds gevoelig blijven voor materiële wensen en door de genoemde gaten kunnen terugvallen. De nieuwe weg is zijn geestvonk, die hij ons in het hart heeft gelegd. Die geestvonk ontwaakt in ons als wij in liefde werkzaam worden en sterkt de ziel om de wedergeboorte van de geest te bereiken, ja het brengt ons het kindschap van God. 

Leer de kinderen daarom al vroeg om de Vader in de hemel lief te hebben; toon hun hoe goed en liefdevol Hij is, hoe Hij alles wat bestaat ter wille van de mensen geschapen heeft.

En wat gebeurt er in onze maatschappij? Wij sturen onze kinderen steeds vroeger naar school. Terwijl wij door Jezus weten, dat een kind pas op de leeftijd van 7 jaar sterk genoeg is om verstandelijk te kunnen worden ontwikkeld. Aan een kind moet de tijd worden gegund om te ontwaken; wij moeten hun eerst een geestelijke opvoeding geven. Wij hebben gehoord waarom! De liefde voor de hemelse Vader, die wij in onze kinderen wakker maken, doet hun zielen naar Hem toe keren maakt, dat hun geest hen al op vroege leeftijd kan helpen. Jezus legt dat zo uit, dat aan zo`n boom gouden vruchten zullen groeien.

4. Invloed door negatieve geesten en lusten

In ons leven op aarde hebben wij met een groot aantal vijanden te maken, die uiterlijk niet zichtbaar zijn. Deze nemen bezit van onze ziel, of wij laten ze in ons groeien en sterker worden, omdat wij het uiterlijke leven de voorrang geven boven  het geestelijke. Moeilijkheden ontstaan in de vorm van slechte geesten, die proberen hun eigenschappen aan ons op te dringen.

Eén van de ergste soort is de woede, omdat deze al bij de verwekking als een zaad van de hel in de mens gelegd wordt. Dat moet zo zijn, omdat dit zaad de voorwaarde is voor de ontwikkeling van het vlees. Maar het zaad wordt niet zelfstandig als het tijdens de opvoeding niet wordt gestimuleerd. Pas door een bepaalde opvoeding wordt de verderfelijke stof opgeslagen in de lever. En deze verkeerde opvoeding is het toegeven aan de wil van het kind, waarbij het niet tot gehoorzaamheid wordt gedwongen en wordt verwend. 

Haat is de belangrijkste voedingsbron voor deze woede, daarna de hoogmoed. Wat daaruit voortkomt zijn zelfzucht, afgunst, gierigheid, echtbreuk, hoererij, verachting van het goddelijke en nog veel meer. Deze woededuivel is nooit alleen. Hij wordt steeds vergezeld door een groot aantal nevenaanvoerders. is Het is net zo moeilijk om deze boze geest uit het vlees van een mens te krijgen als het blussen van een huis dat in lichterlaaie staat. 

 Er zal alleen nog over één kwaal gesproken worden en dat is de speelduivel. Veel mensen hebben al van jongsaf aan een speciaal verlangen naar allerlei soorten spelen. Kijk, daar hebben we weer een bron en een nieuwe weg, waarlangs boze zielen van gestorven mensen het vlees van zulke kinderen binnen kunnen komen. Wat zal daarvan het gevolg zijn? Deze kinderen worden door deze slechte geesten, die in hun binnenste wonen, ertoe aangezet om steeds méér te willen winnen en deze kinderen hebben bijna geen tijd en rust om iets anders te doen. Dat heeft natuurlijk een hele grote invloed op de opgegroeide en volwassen mens – denk daarbij maar aan het gokken. 

5. Het kenvermogen van de mens

Wij hebben er net over gesproken, dat we het kleine kind de tijd moeten gunnen om het mogelijk te maken dat zijn ziel zich als een zelfstandig wezen herkent en zich van daaruit in de richting van de geest kan ontwikkelen. Ook is het belangrijk deze ontwikkeling te steunen, omdat in de mens veel geestelijke talenten nog slapend zijn. Ook hierover wordt ons door Jezus in het boek “Van de hel tot de hemel” meer duidelijkheid gegeven; dit gaat namelijk over het kenvermogen, dat ons licht geeft in onze ziel.

“Kijk, ieder mens heeft een tweevoudig kenvermogen: een uiterlijk, dat is het hoofdverstand, dus het eigenlijke uiterlijke zielenverstand. Met dit kenvermogen is het goddelijke wezen nooit te vatten en te begrijpen, omdat het alleen aan de ziel is gegeven om de godheid enkele tijd voor het verstand verborgen te houden. Wil een ziel met dit uitsluitend negatieve vermogen God zoeken, dan verwijdert ze zich steeds meer van haar doel. 

Maar de ziel heeft nog een ander kenvermogen, dat niet in haar hoofd maar in haar hart zetelt. Dit vermogen heet het innerlijke gemoed en bestaat uit een geheel eigen wil, uit de liefde en uit een voorstellingskracht, die met deze beide gemoedselementen overeenstemt. Heeft dit eenmaal het begrip van het bestaan van God in zich opgenomen, dan wordt het meteen door de liefde omvat en door haar wil vastgehouden. Dat vasthouden noemen wij geloven.

Door dit levende geloof wordt de ware geest gewekt. Deze kijkt dan wie of wat hem wakker gemaakt heeft, herkent het en neemt er meteen bezit van, doordringt dan de ziel met een machtig licht uit God en verandert alles in haar in licht. Dit licht is dan het eigenlijke geloof, waardoor iedere ziel zalig zal worden.”

Om in het hart te kunnen denken, moet men dit vermogen zelf eerst oefenen. Deze oefening bestaat uit het steeds opnieuw opwekken van de liefde tot God. Als het licht van de geest de eigenlijke levenskamer van het hart begint te verlichten, dan worden ook de talloze zuiver geestelijke vormen aan de wanden van het levenskamertje steeds duidelijker zichtbaar en aan de ziel ter beschouwing gegeven. Dat beschouwen van de ziel in haar hart is dan een nieuwe manier van denken. De ziel komt dan tot nieuwe begrippen en tot grote en duidelijke denkbeelden. De stenen des aanstoots verdwijnen naarmate het verstand in het hoofd verstomt. Dan wordt er niet meer naar bewijzen gevraagd. 

In dit geloof ligt dan ook die uitzonderlijke kracht, waarvan in het evangelie sprake is.

“Wanneer een mens te veel en te lang alleen gezorgd heeft voor de ontwikkeling van zijn verstandelijk vermogen en daarmee alleen gezorgd heeft voor aardse doeleinden en welzijn, dan moet het zo iemand volkomen onmogelijk toeschijnen ook in zijn hart te kunnen denken.”

Deze opmerkingen, die Jezus tegenover Robert Blum gedaan heeft, maken het ook ons duidelijk, dat het karakteristieke van ons menszijn – de eigenschappen – in de ziel zit en daar gevormd en gezuiverd moet worden. De geest heeft het vermogen om licht in zijn ziel te werpen, waardoor het mogelijk wordt ons eigendom te bezien. Verder helpt hij ons de negatieve eigenschappen van de ziel te herkennen en te veranderen.

6. De jonge Mathael

In het GJE komen wij een jongeman tegen, die met vier vrienden voor Jezus gebracht wordt en door Hem wordt bevrijd van zijn buitengewoon boze geesten, die hem en zijn vrienden bezet hielden. Wij gaan nu terug naar de leeftijd van Mathael – dat is de naam van deze jongeman – toen hij nog tussen de acht en de tien jaar oud was. Zijn vader was arts en de jonge Mathael mocht zijn vader vaak begeleiden om zieke patiënten te bezoeken. Dat had natuurlijk een reden en dat was de helderziendheid van deze jongen. Hij kon de geesten en beschermengelen zien en met hen spreken en zo de oorzaak van de ziekte en zelfs de middelen voor de genezing horen en aan zijn vader doorgeven. 

Op een dag, of beter gezegd tegen middernacht komt een man bij het huis van de arts en vraagt hem dringend om hulp voor diens vader, omdat die zou sterven als hij niet geholpen werd. Het was de jonge Lazarus uit Bethanië. Samen gaan zij op weg naar Bethanië, waar zij dan na zonsopgang aankomen. Lazarus maakt onderweg mee hoe Mathael verschijningen aan de hemel kan uitleggen, omdat hij meer ziet dan een gewoon mens. In Bethanië aangekomen ziet hij, dat voor de oude Lazarus elk hulp te laat komt. Zijn ziel zweeft al boven zijn lichaam en wordt door engelen opgewacht en meegenomen.

Mathael had beslist een bijzondere gave, die niet iedereen kan hebben, zelfs als hij zo goed mogelijk in christelijke zin door zijn ouders wordt opgevoed. Maar één ding zal ons toch tot nadenken stemmen: contacten met de geestenwereld, met onze beschermengelen en met Jezus zijn altijd mogelijk geweest en zijn het ook nu nog. Des te meer in onze tijd, omdat wij dicht voor het tijdperk van het vrederijk staan. Wij zullen sterk aan de wedergeboorte van de geest in onze ziel moeten werken: dan zullen velen van ons kostbare belevenissen meemaken. Deze zullen wel meestal binnen de mens zelf plaatsvinden en vaak niet uiterlijk zichtbaar zijn zoals bij Mathael. Ons wezen is zo gevormd, dat het geestelijke, eeuwige leven altijd in ons tot uiting kan komen. Helderziendheid, helderhorendheid, de kracht om te genezen en nog veel meer ligt slapend in ons.

Iemand die de geschiedenis van Mathael kent, zal nu kunnen zeggen dat hij later één van de grootste misdadigers geworden is. Inderdaad! In opdracht van de tempel had hij een missie uit te voeren; daarbij viel hij in handen van moordenaars. Door deze gedwongen omgang met misdadigers hebben boze geesten hem gedurende zijn gevangenschap bezet en dwongen hem tot meedoen. Enkele jaren later werd hij door Jezus bevrijd van zijn boze bezetters en werd toen erkend als een bijzonder liefdevolle en wijze man.

7. De zeven eigenschappen van God

Het is vanzelfsprekend, dat ons menselijk wezen moet corresponderen met het wezen van God zelf. In de bijbel vinden wij in de openbaringen hierover kleine aanwijzingen. Er wordt gesproken over de zeven geesten van God en op een andere plaats over de zeven fakkels, die voor de troon branden. Duidelijker horen wij het bij Jakob Lorber door de engel Rafael, die in een gesprek met Lazarus o.a. de zeven eigenschappen van God uitlegt. 

Liefde is de oergrond voor al het scheppen, behouden en werken en is daarom de sleutel voor alle geheimen. Gods liefde beweegt Hem ertoe om geestwezens buiten zichzelf te plaatsen, die dezelfde aard hebben als Hijzelf. 

Uit deze liefdesdrang komt de wijsheid naar voren, die Hem duidelijk laat inzien welke weg en welke manier de beste is om zijn scheppingsideeën te realiseren en ook hoe de leiding voor zijn schepping eruit moet zien.

De liefde en de wijsheid willen deze gedachten ten uitvoer brengen en zo komt uit beide eigenschappen de goddelijke wilskracht te voorschijn, die nodig is om de scheppingen te realiseren. Pas door haar medewerking worden de gedachten in daden omgezet en buiten God geplaatst.

Maar daarmee is het nog niet gedaan. De geest van de orde geeft aan de hele geestelijke en materiële schepping een blijvende en vaste vorm, die verbonden is met het doel. Als voorbeeld noemt Rafael een vaste weg, die iemand bewandelt. Als deze vaste weg opeens in water verandert, helpt de oorspronkelijke weg niets, ook al was die nog zo stevig. 

De vijfde geest is de goddelijke ernst, zonder welke geen enkel ding een bestaansmogelijkheid zou hebben. Deze komt overeen met de eeuwige waarheid in God en geeft aan alle wezens duurzaamheid, het vermogen om zich voort te planten, en de vervolmaking. Zonder deze geest zouden de wezens zijn als een Fata Morgana.

De genoemde vijf eigenschappen zijn wel belangrijk, maar er hoort nog een andere karaktertrek bij en dat is geduld. De schepsels moeten geen machines worden, maar wezens met een vrije wil en een zelfstandig kenvermogen. Om dat te leren mag niet de wilskracht ingezet worden om de schepsels te dwingen. God stuurt hen op een meer of minder lange ontwikkelingsweg en daarvoor is geduld nodig. 

Met de zes geesten, die wij nu kennen, zou een schepping oneindig traag verlopen. Het is zeer de vraag of er dan wel ooit een wereld in de materie zou zijn ontstaan. Daarom is er nog een andere eigenschap nodig, die de vooruitgang brengt. Dat is de barmhartigheid. Zij regelt alle eerdere eigenschappen en zorgt voor de tijdige rijpheid zowel van een wereld als ook van de schepselen daarop. Zij heeft voor alles een bepaalde tijd gesteld en de rijp geworden geesten kunnen hun volledige verlossing verwachten en hun eeuwige vrijheid en zelfstandigheid aanvaarden.

Deze barmhartigheid zorgde ervoor, dat God zelf in het vlees kwam om daardoor alle gevangen geestwezens binnen de kortst mogelijke tijd uit de materie te verlossen.

Voor ons mensen is een dergelijke barmhartigheid niet op te brengen, maar wij hebben daarvoor de zachtmoedigheid en de deemoed, die wij kunnen inzetten in het contact met onze medemensen.

Zoals de liefde het uitgangspunt van de goddelijke eigenschappen is, zo is de barmhartigheid de afsluitende eigenschap. Deze is bijzonder waardevol in de ontwikkeling van de mens. Zonder barmhartigheid zou het geduld eeuwig de tijd geven voor het groeiproces van de mens. Wij zouden dan ook wel het doel bereiken, maar in ondenkbaar lange tijden. Dat wordt door de barmhartigheid sterk bekort, omdat zij door haar genade en zachtmoedigheid ingrijpt en de verdwalende mensheid terugleidt binnen de regels van de orde.

Ook bij het nader bekijken van de zeven goddelijke eigenschappen zien wij, dat de zes andere eigenschappen vanuit de eerste geest – de liefde – groeien. De wijsheid komt b.v. zoals vanzelfsprekend uit de liefde. Hierdoor wordt echt alles, wat geschapen is, op de beste denkbare manier verzorgd. 

8. Toorn Gods

Hier moet ook iets gezegd worden over de zogenaamde toorn van God. In de kerken horen wij steeds weer daarover en sinds alle tijden worden de mensen er bang voor gemaakt en wel vooral, omdat de kerk daar altijd straffen voor ons mensen aan verbindt. Zo werd Jezus ook eens gevraagd over iets, dat bij Mozes staat: “Mij is de toorn en Mij is de wraak!” Zo spreekt de Heer door de mond van de profeten. De verdrijving uit het paradijs, de zondvloed, de ondergang van Sodom en Gomorra  en de plagen van Egypte zouden als bewijs daarvoor dienen. 

Jezus legt degene, die de vraag stelde en daarmee ook ons uit, dat onder de toorn de eeuwige en vaste ernst van Gods wil moet worden verstaan. Deze ernst van Zijn wil is juist de kern van Zijn reinste en machtigste liefde. Die kan toch nooit op iemand boos zijn! 

Hij zegt verder: “Denk je dan in alle ernst, dat God Adam door een engel uit het paradijs liet verdrijven? Is het dan nog niet tot je doorgedrongen, dat alle vijf boeken van Mozes – dat zijn de eerste vijf boeken uit de bijbel – en van de profeten alleen via een innerlijke, geestelijke analogie begrepen kunnen worden? Op aarde bevond zich nergens een stoffelijk paradijs, waar de mens de gebraden vissen zo maar in de mond zwommen. Wat zou er van de mens en zijn geestelijke ontwikkeling terechtgekomen zijn, als hij zich in een waar paradijs van nietsdoen en eten zich verder om niets had hoeven te bekommeren? Wanneer zou dan de mens de nodige zelfstandigheid verworven hebben om te leven? Toen latere, speciaal toegelaten natuurverschijnselen de eerste mensen dwongen hun eerste voedingstuin te verlaten om verder op aarde rond te kijken, gebeurde dat niet als gevolg van een soort goddelijke toorn, maar slechts uit liefde voor de mens, om hem weer uit zijn traag geworden zinnelijkheid op te wekken en hem tot werken aan te zetten. Zeg Mij, is hierin ook maar enige toorn of wraak van God te herkennen?”

Hoe schadelijk kan het toch zijn als over toorn gesproken wordt en diegene niet goed heeft begrepen wat toorn nu eigenlijk is, namelijk de goddelijke ernst die vanuit liefde de mens leidt. In plaats van mensen te sterken in hun vertrouwen in de hemelse Vader, worden zij door een verkeerde uitleg van de toorn bang gemaakt.

9. Liefde en wijsheid

Wij willen nog wat dieper ingaan op het innerlijke wezen van de mens. Eerder hadden wij het al over de negatieve invloed van onvolmaakte en boze geesten op onze zielen. Omdat God ons als geestelijke wezens volgens Zijn eigen voorbeeld heeft geschapen en ons bij de aardse geboorte een kiem van Zijn liefde heeft ingeplant, zijn ons in de kiem ook Zijn zeven oereigenschappen meegegeven. Deze moeten wij wel door constante vlijt aan onszelf tot levende eigenschappen ontwikkelen. De genoemde negatieve invloed hoort bij onze ontwikkeling, omdat wij moeten leren onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen, dat wij allen naar een volkomen identiek karakter toe zullen groeien, want iedereen heeft een individuele profilering gekregen die binnen de harmonie van Gods schepping ligt.

Deze harmonie werd door de val van Lucifer en zijn oergeschapen geestwezens verstoord en later ook nog een keer door de zondeval van Adam en Eva. Het is de menselijke levensopgave om de oorspronkelijke harmonie van zijn individueel profiel te herstellen, dat wil zeggen dat de zeven eigenschappen sterker moeten worden en binnen de gevraagde orde moeten liggen. De een zal misschien genoeg liefde hebben, maar heeft te weinig ernst of wilskracht, een ander worstelt met de innerlijke en uiterlijke orde en weer een ander kan nooit geduld opbrengen.

Er bestaat een spreekwoord: “Liefde zonder wijsheid is blind!” Het samenwerken van beiden is bijzonder belangrijk. Tegen Adam heeft de Heer al gezegd: “Liefde is de wortel van de wijsheid, daarom oefen liefde uit om wijs te worden!” Daarmee wordt de wijsheid bedoeld, die evenals de liefde uit het hart komt en daaronder moet niet de intelligentie van het verstand worden verstaan. De pure wereldwijsheid daarentegen, die niet uit de Gods- en naastenliefde voortkomt, begrijpt nooit en te nimmer deze goddelijke wijsheid en kan zich niet met de goddelijke liefde verbinden. God drukt ons daarom steeds weer op het hart om zijn liefde aan te nemen, om daaruit aan anderen naastenliefde te kunnen geven. 

Soms kan het moeilijk zijn liefde van een ander te herkennen. Denken wij daarbij bv. aan jaloezie. Zij is een parasietplant van de liefde. Als zij te sterk wordt aan de levensboom van de liefde, dan ondergraaft en vernietigd zij de hele boom. De boom moet van dergelijke uitwassen grondig gereinigd worden. 

Als je met jaloerse mensen te maken hebt, dan moet je steeds bedenken dat jaloezie een uitwas van de liefde is: er is ook wel liefde in deze mensen. Verzacht de jaloezie met liefde, dan zal de jaloezie een gloeiende liefde te voorschijn brengen. Het is zelfs zó: waar geen jaloezie is, daar is ook geen liefde! 

10. Wilskracht en deemoed

Het gebruik van de goddelijke wilskracht kan een mens, die nog in zijn stoffelijk lichaam leeft, zeker niet tot voordeel strekken. Het zou zelfs heel gevaarlijk zijn deze wilskracht te willen hebben voordat de wedergeboorte gerijpt is, omdat deze pas op een juiste manier door een mens kan worden gebruikt als hij door zijn wijsheid aan geen vergissing meer onderworpen is. Daarom is het noodzakelijk om op een andere manier de goddelijke wil te benaderen en dat is door de deemoed. Wij moeten erkennen, dat wij nog een zwakke en gedeeltelijk onzuivere ziel hebben. We geven ons over aan de hemelse Vader, die dan voor ons zorgen kan en ook zorgen zal. Met `zorgen kan` wordt bedoeld, dat wij onze wil in een vrije beslissing op Hem richten en alleen vragen om zijn goede leiding. Als wij willen wat de Heer wil, dan is ons willen volkomen vrij, omdat de wil van de Heer ook volkomen vrij is. Alleen in God kunnen wij volkomen vrij worden, buiten Hem bestaat er alleen oordeel en dood.

Deemoed betekent nog meer. Zij moet niet alleen op God worden gericht, maar zij moet ook onder de mensen worden toegepast door te accepteren, dat een medemens wel op dezelfde weg naar de hemel is, maar op een andere wijze dit doel wil benaderen.

11. Orde en ernst

De geest van de orde staat niet alleen in wisselwerking met alle andere eigenschappen, maar is zelfs de dragende pilaar. Gods- en naastenliefde, maar ook bv. de lichamelijke liefde moeten zich binnen de goddelijke orde bewegen. Vallen zij door hoogmoed en egoïsme buiten de orde, dan moeten de gevolgen aan de mens zelf worden toegeschreven. De orde bepaalt ook de tijd voor de ontwikkeling en rijpheid van de mens. 

De ernst houdt niet van overdreven handelingen en dwaasheid, maar heeft ook niets te maken met verbetenheid en ergernis. Ernst is kalmte gecombineerd met volharding, wel te verstaan gebaseerd op liefde, wijsheid en orde. 

12. Geduld en Barmhartigheid

Geduld is een deugd, die wij in deze tijd erg nodig hebben, want de mensen willen al voor de tijd van rijpheid de vruchten plukken. Geduld is ook noodzakelijk om het groeiproces van de geestelijke waarheid in jezelf niet te storen;  tegelijkertijd moeten daarbij de fouten en zwakheden van onze medemensen worden verdragen. Wij mogen ons steeds voor ogen houden hoe onvoorstelbaar groot het goddelijke geduld is om zijn oergeschapen engelen na hun val weer terug te brengen, waarbij hun wil wordt vrij gelaten. Dat zal ons toch een beetje steun geven als wij weer eens boos worden. Voor ons geldt dan ook wat Jezus zei: “Geduld is beter dan het beste recht.”

Barmhartigheid is liefde, die zich op alle zwakken, zieken en gevallen mensen richt. Rafael vertelt hierover: “De barmhartigheid moet vooral daaróm beoefend worden, omdat juist in deze zevende geest alle voorafgaande eigenschappen verenigd zijn. Wie deze eigenschap in zichzelf verbetert, die verbetert ook alle andere eigenschappen in zich en wordt het snelst volmaakt. De eerste zes eigenschappen zijn aan de schepsels meer of minder vrij gegeven, maar de zevende geest moet door de mens door eigen vlijt en ijver worden verworven. Dan pas heb je de volle vrijheid van het leven en de zelfstandigheid bereikt.”

Als je al deze informatie met je verstand wilt onthouden, dan zul je er veel moeilijkheden bij ondervinden. Het verstand is echt niet zo geschikt daarvoor. Maar wij hebben zojuist gehoord, dat het gemoed – komend uit het hart – de liefde van God kan aannemen en deze met zijn wil mag en zal vasthouden. Zo kunnen wij de liefde met de barmhartigheid verbinden en als naastenliefde uitoefenen. Doen wij dat uit ons gemoed, dan groeien alle andere eigenschappen vanzelf in ons mee. Op die manier is het geen kwestie van hoge, verstandelijke intelligentie, maar alleen van liefde, die wij ook nog van de hemelse Vader gekregen hebben. Deze liefde kunnen wij laten doorstromen naar de medemensen en wij kunnen hun specifieke levensinzicht accepteren door deemoedig te zijn en zachtmoedig te reageren. Voor een goed begrip: wij accepteren de mens, maar niet altijd zijn daden.

13. Pad naar de wedergeboorte

Tot nu toe hebben wij over het wezen van de mens gesproken, zoals het in het begin en gedurende zijn leven is. Het materiële en het uiterlijke handelen zijn overheersend in zijn wezen. Maar het leven op aarde is echt niet bedoeld om alle uiterlijke lusten te ondergaan. Ons ware doel is het geestelijke leven dat iedereen na zijn lichamelijke dood zal bereiken, ófwel kort daarna, óf na een lange tijd van verdwaald zijn, afhankelijk van zijn streven op aarde. Wij mogen steeds rekenen op de liefdevolle barmhartigheid van God, die ons de helpende hand biedt.

Hier in het aardse leven worden ons alle mogelijkheden gegeven om het geestelijke leven te leren kennen en daarvoor te werken. Wat is het geestelijke leven, dat zo oneindig veel voor ons betekent? Hoe kunnen wij aan onszelf werken om een goede vooruitgang te bereiken?

Allereerst komt ons eigen geestelijke leven voort uit een vereniging tussen geest en ziel. Wij kennen dit onder de naam geestelijke wedergeboorte. Dat geeft aan, dat een mens die dat bereikt of ten minste behoorlijk dicht daarbij in de buurt komt, geen vreugde meer beleeft aan materiële en vleselijke verlangens en deze ook niet meer nastreeft.

In deel 11 van het GJE wordt ons vanaf hoofdstuk 47 bijzonder uitvoerig meegedeeld hoe wij aan onszelf kunnen werken om deze verandering van ons materiële wezen in een goed geestelijk wezen te bewerkstelligen.

Wij spraken al over onze innerlijke wil, die samen met de liefde een vaste verbinding met God moet vormen. Daar ligt ons beginpunt! Zijn liefde geeft ons de innerlijke vrede, waarop de verdere ontwikkeling wordt opgebouwd. Deze vrede moet nu constant door ons beoefend worden totdat wij deze beheersen. 

De volgende stap is om vanuit deze vrede in ons, alle opkomende gevoelens zoals ergernis, prikkelbaarheid en hartstochten te bestrijden en zelfs te vernietigen. Pas na deze zuivering van onze ziel kunnen wij onze naasten benaderen om ze op fouten opmerkzaam te maken, want zolang wij zelf iets niet hebben, kunnen wij het ook niet aan anderen doorgeven. Maar dan kunnen wij onze verworven innerlijke rust verbinden aan geduld en deemoed voor hulp aan onze naasten, en dat is het uitoefenen van echte naastenliefde. 

Daar komt nog bij, dat wij constant naar ons hart moeten luisteren om van daaruit de goede raad te horen door een daadwerkelijk spel van vraag en antwoord. Begrijp mij goed: wij moeten nog altijd zelf de beslissing nemen, maar als wij dat doen vanuit liefde en vertrouwen op onze hemelse Vader, zou het toch eigenaardig zijn als wij Zijn raad niet zouden opvolgen.

Als ons ook dat gelukt, wordt onze ziel steeds meer wakker in het bewustzijn van haar geest en zij krijgt steeds meer inzichten, wat ons veel innerlijke vreugde bereidt. Maar ook dat is nog niet alles.

Wij kunnen en moeten ook ons innerlijk en geestelijk oog oefenen, dat daardoor meer en meer open gaat. Je richt je geestelijk oog op voorwerpen, die je herkennen wilt. Zodra het lukt een uiterlijk omhulsel te doorzien, word je geestelijk ziend en je herkent dan het zielenleven van b.v. een plant of een dier of wat je ook maar bekijkt. Om dat te kunnen is het belangrijk, dat eerst de voorafgaande stappen geoefend worden, opdat de eigen ziel de noodzakelijke zuivering ondergaat.

14. Het levensdoel

De wedergeboorte van de ziel in de geest is het levensdoel van de mens. De ziel, die in haar huidige stadium niet de hoge energie van de hemel heeft, moet begrijpen dat het enige leven vanuit de geest komt. Als zij wil leven, dan bestaat er alleen de mogelijkheid om naar de eigen geest te luisteren en te doen wat door hem gezegd wordt. De geest wordt steeds geholpen door de beschermengelen en door Jezus zelf. De wedergeboorte is de overgave van de van zichzelf bewuste mens – dus de ziel – aan zijn liefdevolle geest, die alleen het eeuwige leven heeft. Maar dat is geen dwang. Door het luisteren naar de geest en het accepteren ervan stroomt liefde van de geest naar de ziel en geeft haar vreugde, vertrouwen en inzicht. 

Daarmee komen wij aan het einde van deze lezing, maar niet zonder nog een doorgeving aan mijzelf uit te spreken, die over de komende vredetijd gaat. Daar wordt in mij gezegd: “Begrijp het goed: de vredetijd is geen tijd van traagheid, maar wel een tijd van een bijzonder sterke activiteit! Hemel en hel verschillen van elkaar daarin, dat in de hemel alle geesten werkzaam zijn voor de vreugde van anderen en in de hel voor de vermeende eigen vreugde, die nooit blijvend is. Daarom concentreer je in het dagelijkse leven op de liefde tot Mij – je hemelse Vader – en je zult je gelukkig voelen!”

VRAGEN NA DE PAUZE

Allereerst worden de vragen beantwoord die schriftelijk zijn gesteld

“Ik heb hier 2 vragen staan. Laten we daarmee beginnen.

  1. Wordt met de geestelijke wedergeboorte de éénwording van de ziel met de geschapen geest in de mens of de ongeschapen Godsvonk bedoeld?

De mens heeft binnen zijn materiële lichaam een ziel. Deze ziel is een volledige afbeelding van het materiële lichaam. En binnen de ziel heb je nog de geschapen geest. Ik wil nu geen onderscheid maken met de essentiële geest; dat komt aan de orde in de tweede vraag. Sinds Adam heeft de mens nl. ook nog een nieuwe geest gekregen; de essentiële geest en deze nieuwe geest zijn allebei geschapen geesten.

De mens is eigenlijk niet als een stoffelijk mens geschapen, maar alleen als een geestelijk wezen. En zoals wij hier zitten, is dat veroorzaakt door de val van Lucifer: we zijn gevallen en we moeten via de natuurzielenontwikkeling weer langzaam teruggebracht worden naar de plaats waar we vandaan komen, namelijk de Hemel, of zeg maar: het Geestelijke rijk.

Een mens heeft nu als hoogste gedeelte in zich de geest. Die is onderverdeeld in een geschapen geest, dus dat wat uit Liefde, Wijsheid en Wilskracht uit God geplaatst is. Maar daarmee kunnen wij nog niet in de Hemel komen, omdat we daarvoor nog niet de allerhoogste energiefrequentie hebben (de Goddelijke Geest is een frequentie, een Heilig Vuur, een Hoog Vuur). Voor dat doel heeft Jezus Christus, die aan het kruis gestorven is en weer opgestaan is, de dood overwonnen en heeft Hij aan Lucifer duidelijk gemaakt dat die al verloren heeft. En daarmee heeft ieder mens een ongeschapen geest van God ontvangen. Daarom bestaan er ook eigenlijk twee wedergeboorten.

De eerste wedergeboorte, die ik alleen genoemd heb vandaag, is de wedergeboorte van de geest, de geschapen geest in de ziel. De ziel moet beseffen dat de geschapen geest de juiste weg aanwijst en dat daaruit alles voortkomt wat voor ons eeuwig leven belangrijk is. Dat is de eerste wedergeboorte. 

Maar er bestaat ook nog een wedergeboorte van de geest in de Geest. Met deze tweede geest wordt de pinkstergeest bedoeld. En als dan deze pinkstergeest volledig in de geschapen geest opgenomen wordt, is dat de tweede wedergeboorte. En die maakt het ons uiteindelijk mogelijk in de Hemel te komen, of anders gezegd: een echte Godskind te zijn. Dan hebben we de hoogste energie aangenomen.

  1. Is de essentiële geest in de mens de geschapen of de ongeschapen geest in de mens?

De essentiële geest is een lage geest en is in de oertijd met Lucifer gevallen. Essentiëel betekent niets anders dan dat het een substantie heeft. Laten we als voorbeeld een zonnestraal nemen: dat is substantie. Eigenlijk kunnen wij de zonnestraal niet zien, behalve als het op stofdeeltjes komt of als het op de aarde terecht komt of waar dan ook. Maar de straal zelf kunnen we niet zien, en dat is substantie. De essentiële geest is ook substantie, dus dat is een hoge frequentie die veel hoger is dan ons materiële lichaam. Iemand die helderziende is, kan soms of altijd zo’n ziel zien. Een ziel is ook substantie, maar de essentiële geest heeft een nog iets hogere frequentie. Maar die beiden kunnen corresponderen met elkaar. Dus het antwoord op de vraag of dat de ongeschapen geest is, is: nee. De ongeschapen geest heeft de hoogste frequentie van de Goddelijke Geest Zelf. En die is zo hoog dat we die als helderziende mensen ook nooit kunnen zien. Dat kan alleen als wij de eerste wedergeboorte achter de rug hebben en we op weg zijn naar de tweede wedergeboorte. Dan komen deze dingen bewust ter sprake.

Dit waren de twee vragen die hier op papier staan. Wie heeft er nog mondelinge vragen?

“Hoe moeten wij ons de Geest van God voorstellen? Heeft Hij een menselijke vorm?”

….Ja, de eenvoudigste manier bestaat uit drie woorden: God is Geest. Maar ik denk dat dit niet genoeg is. Ik moet het nog een beetje uitgebreider zeggen. God is een heel grote energie, een Vuur, en dit heel hoge Vuur is Geest. En dat heeft met verstand absoluut niets te maken. Geest heeft eigenlijk een mensenvorm. Daarom zijn we naar Zijn beeld geschapen. Dus een geest is niets anders dan zoals wij er ook uitzien, alleen in een veel hogere energievorm. Dat is Geest. En omdat de mensen geschapen zijn als geest (dat zijn ze allemaal; mensen, engelen), zijn ze oorspronkelijk op een heel hoog niveau van energie geschapen, dus als geest, zoals God Zelf is. En door de eigenwijsheid van Lucifer – waar ik niet verder op in wil gaan – is het niveau van die energie gedaald. Lucifer heeft zich afgescheiden van de Goddelijke energie, de hoge Geest. Dus, wat gebeurt er dan? Hij verbruikt zijn energie. Die wordt steeds zwakker en zwakker, met andere woorden: als dat maar lang genoeg doorgaat, dan komt hij op een essentiële energie, dus essentiële geest, terecht en als dat dan niet wordt gestopt dan komt dat allemaal tot stilstand via de materie tot aan de dood, totdat alles stil staat. Maar God wil niet dat alles wat Hij geschapen heeft tot stilstand komt. Dat zou zijn alsof er een stuk van Hemzelf tot stilstand zou komen en dat is onmogelijk. Daarom heeft hij die wegen geschapen via de aardse mensen om weer terug te keren. De materie is de laagste energie: van daaruit kunnen we weer in energie toenemen. Daarom wordt gezegd: “luister als ziel naar je geest.” Want als je dat niet doet, kun je niet meer omhoog komen. Als je de materiële dingen aanneemt, dan doe je niets anders dan op je dood afstevenen, omdat de materie zó laag is, dat die niet altijd kan voortbestaan. Daarom staat er ook in de bijbel dat deze materiële aarde in de toekomst in een nieuwe, nl. in een geestelijke aarde wordt veranderd. Maar dat duurt nog een tijdje. Ons verstand wordt in de dagelijkse omgangstaal steeds als geest betiteld. Dat is natuurlijk complete onzin, omdat het verstand alleen een intelligentie is, die eigenlijk alleen een hulp is voor onze ziel. Onze ziel is ons eigenlijke leven; hiervoor hebben we het verstand meegekregen. Onze gezichtsorganen (ogen, oren) zijn werktuigen van het verstand. En het verstand geeft dan zijn informatie door aan de ziel, zoals een computer op zijn beurt informatie doorgeeft aan degene die hem bedient. Dus het verstand is niets anders dan een hulporgaan van de ziel: het heeft dus helemaal niets met de geest te maken. Geest en wijsheid gaan samen. Het verstand kan alleen een intelligentie hebben, maar ook weer op een ander niveau. Zoals ik in de lezing heb duidelijk gemaakt, moet dat geestelijke eerst aan de ziel, en via de ziel aan het verstand worden doorgegeven. Daardoor worden wij een mens die op een hoog geestelijke energieniveau leeft.

Vraag: Moeten wij eenvoudig leren denken? Moeten we dan ‘worden als een kind’? Hoe moet ik dit opvatten?

….Ja, dat is waar. De vraag was, of wij eenvoudig moeten denken, of we moeten zijn als een kind. Het antwoord is: dat is juist. Als er staat: ‘wordt als de kinderen’, dan gaat Jezus ervan uit dat deze ontwikkeling juist is, namelijk dat in de eerste jaren de geestelijke basis in de ziel wordt opgenomen. Want dan geeft dat kind zijn geestelijk vermogen, dat dan al in de ziel zit – wat al een halve wedergeboorte is – door aan zijn uiterlijke gezichtsvermogen, namelijk aan het verstand, en dat kind denkt dan op een eenvoudige manier. Het laat namelijk zijn geest denken. En die geeft hem dan informatie. Dat is dan de basis. En daarmee wordt dan bedoeld ‘eenvoudig zijn’. Het heeft geen zin wetenschappelijke en gecompliceerde dingen uit te zoeken. Het hart geeft duidelijk antwoord en dat stelt je ook meer gerust. 

“Bij een kind hoort een vader, of zeg maar ouders. Nu willen kinderen graag leren van hun ouders door vragen te stellen. Maar hoe verloopt het contact tussen de mens en zijn hemelse Vader? Kunt u daar iets over zeggen?” 

….Ik zal het ook de anderen uitleggen wat je nu zegt. Jij zegt: “Bij een kind hoort een vader, of zeg maar ouders”. In het geval van God of Jezus spreken we van Vader en het is natuurlijk absoluut juist dat een kind een vader heeft en dat het kind vertrouwen moet hebben in de vader. En dat is eigenlijk niets anders dan wat ik over de Geest besproken en uitgelegd heb. Dus, als een kind naar zijn vader luistert en vertrouwen heeft, dan zal het ook doen wat de vader zegt. En dat is ook een eenvoudige manier van denken. Maar dat is voor ons mensen best moeilijk, omdat we God bijna nooit kunnen zien. Hij is voor ons onzichtbaar, dus dat moet in ons innerlijk gebeuren. In ons innerlijk kunnen we ook met Jezus spreken. En daarom heb ik ook gezegd: “jij moet je geest, je goddelijke geest in je laten binnenstromen – in jezelf, dat is je ziel – en dan word je rustig, dan heb je contact met je Vader (Jezus).” Dan kun je ook luisteren en vragen in je hart. En dat is niets anders dan steeds met Jezus in contact zijn. Je kunt vragen stellen en je krijgt ook antwoord. Het kost natuurlijk een beetje oefening, omdat je in het begin nog onzeker bent of dat echt kan gebeuren, of omdat je je afvraagt welke geesten dat zijn, of er geen vreemdelingen zijn die dan wat zeggen. Maar met vertrouwen kom je er achter wat juist is.

Wat gebeurt er als je als kind een slechte opvoeding hebt gehad?

….De vraag is begrepen: wat gebeurt er als je als kind een slechte opvoeding hebt gehad of een verkeerde opvoeding. Zoals een huis dat gebouwd wordt en men begint te bouwen bij de dakgevel of je hebt een vat vol gaten. Er staat duidelijk geschreven dat je ook dan niet ongerust moet zijn. Er staat dat als je echt wilt en je er echt achter staat, dat het dan heel goed mogelijk is om verder te komen in de richting van de Hemel. Je moet je voorstellen dat de meeste mensen geen optimale opvoeding (in deze zin) hebben. En door de barmhartigheid van Jezus (van de Hemelse Vader), waarover we net gesproken hebben, worden alle mensen – ook zij die een slechte of half verkeerde opvoeding hadden – natuurlijk ook op de juiste weg geleid en zij hoeven dan niet bang te zijn dat ze buitengesloten worden. Maar, het is steeds onze eigen wil. En dat is wat belangrijk is. Als wij onze eigen wil steeds een beetje op de achtergrond stellen en nog steeds met de loterij mee willen gokken, waarbij we denken: ‘misschien win ik dan toch wel wat’ of: ‘ik ben soms heel erg boos op iemand anders’, dan zijn dat dingen waar je aan moet werken. Met andere woorden – je moet die gaten dicht maken. En als je dan rustiger wordt, kun je op weg gaan en dan kan ook niets meer je tegenhouden. Zo iemand houdt Jezus dan vast en Hij laat hem/haar nooit meer los.

“Bestaan er in de toekomst dan toch nog verschillen tussen mensen die christelijk zijn opgevoed en zij, die een opvoeding zonder christendom hebben gehad?”

Het verschil is er alleen in de weg die men volgt. De één heeft misschien een langere, moeilijker weg te doorstaan, maar het doel is hetzelfde. In het einddoel, de aankomst, is helemaal geen verschil. Wat dat betreft is er geen nadeel; dat is er alleen in het leven op aarde. Daar kan wel een nadeel uit voortkomen. Door je eigen gedrag word je sterker beproefd om je sterker te maken. Je ziel moet sterk worden: die moet de Geest aannemen. Zij moet tegen je verstand zeggen: “deze dingen die ik vroeger niet wist en waarvoor ik ook geen belangstelling had, moet ik nu afstoten.” En dat wordt bij Jakob Lorber ‘het zichzelf beschouwen’ genoemd. Dus, noem dat maar een soort meditatie. Je neemt jezelf voor om jezelf te bekijken: “Wat zijn mijn verkeerde eigenschappen of mijn verkeerde neigingen die ik nog steeds graag wil doen? Zijn die te rijmen met wat Jezus zegt? Zou Hij dat ookdoen?” En als je daar dan een antwoord op hebt, dan kun je beginnen jezelf stap voor stap te veranderen.

“Jezus is voor ons gestorven om de weg naar de hemel weer vrij te maken. Dat kunnen wij wel geloven, maar moeten wij daarnaast zelf nog iets doen om de hemel te bereiken? En hoe zit het met de vrije wil van de mens; moeten wij die onderwerpen aan de Wil van God?”

………..Jezus is voor ons gestorven aan het kruis en heeft alle zonden op zich genomen. Ik denk dat dit het aandachtspunt is dat je bedoelt? Hij heeft een brug gebouwd naar het Hemelse Rijk. Maar….dat betekent niet dat wij nu kunnen doen wat we willen. Wij moeten aan onszelf werken. Wij moeten onze wil op die van Jezus richten en, wat ik net ook gezegd heb, we moeten onszelf afvragen: “zou Hij dat ook gedaan hebben? Hij heeft wel de weg gebaand en de brug gebouwd, maar ik moet er zelf over gaan. Want als ik er zelf niet over ga, dan helpt die mooie brug niets.” En dat is waarom ik daar niet verder op in gegaan ben. Het ligt aan de eigen, innerlijke wil, aan dat vermogen om te zijn als een kind. Dat gemoed, dat innerlijke gemoed, dat is de liefde die wij van God gekregen hebben en de innerlijke wil. Als ik die twee eigenschappen met elkaar verbind, dan krijg ik geloof (zo heb ik dat genoemd) maar ik kan het ook anders zeggen: dat is de sterke verbinding, de liefde-verbinding “Heb God lief boven alles.” Dat is het vermogen om te zijn als een kind. En als je dat hebt, dan herken je ook de weg die Hij voor ons bereid heeft door het overlijden aan het kruis; door het weer opstaan heeft Hij die brug voor ons gebouwd, maar ik moet daar zelf ook wat voor doen. Als ik zelf niets doe, dan bereik ik dat ook niet. Hij wil kinderen hebben. Hij wil aan ons laten zien dat wij, als wij deze beproeving goed hebben doorstaan, de leiding krijgen over hele zonnestelsels. Maar hoe kan iemand daartoe in staat zijn als hij niet zelfstandig herkent hoe God werkt? Hij heeft een vrije wil. En als wij Hem volgen, dan hebben wij ook deze vrije wil. In het begin lijkt het alsof wij gedwongen worden een andere wil, namelijk Gods Wil, aan te nemen, maar dit is niet zo. Iedereen heeft een vrije wil. En als we dat aannemen van Hem, mogen we ook alles doen, en we doen het dan ook precies zo vrij zoals Hij het zelf zou doen. En dat is een Godskind. Daarom is het ook belangrijk dat we nu al aan onszelf werken.

“Als je zo werkt, dan heb je er zelf toch voordeel van ?

Dit is absoluut zo. Als je God lief hebt, dan kom je er automatisch op, dat alle mensen die op de aarde leven, allemaal op dezelfde weg zijn. En als je dan de naastenliefde uitoefent, dan reageer je toch geduldiger, zachtmoediger op anderen wanneer ze je aanvallen, omdat jij je herinnert: ‘die is op dezelfde weg’. Die ander doet eigenlijk niets anders (en misschien weet hij/zij dat dan wel niet zo goed). Misschien heb ik meer boeken hierover gelezen, of heeft die ander geenopvoeding of christelijke opvoeding hierover gehad. Maar alles wat je anderen geeft, is dan het antwoord, dat komt tienvoudig in je eigen ziel tevoorschijn. Dus als je wat geeft, krijg je dat tienvoudig in je eigen ziel terug. Dit betekent niet dat je hierop aanspraak kunt maken: dit gebeurt automatisch. Maar het is ook zo dat als je liefde hebt voor God en je naasten, dan doe je het niet voor jezelf, omdat je weer een paar pluspunten krijgt, maar je doet het dan omdat je ziet dat die ander eigenlijk iets meer moet weten of omdat die eigenlijk een beetje moet veranderen. En dan probeer je hem dat op een rustige, zachtmoedige manier te vertellen of hem tenminste niet direct weer boosaardig tegen te spreken.

“Wat is er aan de hand met psychiatrische patiënten?”

Onder psychiatrische patiënten heb je twee groepen. Sommigen willen zelf niets weten van God en willen zelf een oplossing vinden. En daar wordt dan ook steeds tegen gesproken. Die mensen willen het verkeerde doen. En omdat God ons de vrijheid moet geven, komen ze ook door zichzelf in nood en moeten ze zichzelf willen veranderen. Dan komt ook hulp opdagen. 

De tweede groep bestaat uit mensen die ook bezeten zijn door boze geesten (daar bedoel ik mee overledenen) die zich niet van de aarde willen verwijderen. Die geloven niet dat ze overleden zijn. Ze nemen aan dat ze hier horen en ze willen bij een levende naar binnen kruipen om die mensen hun ideeën op te dringen. En dat gebeurt ook. Dat leidt dan vaak tot depressies of schizofrenie. Dit zijn vaak moeilijke gevallen en er bestaan zeer weinig mensen die dat kunnen genezen. Een Amerikaanse professor/arts heeft in 1925 een boek geschreven en daarmee gewerkt. Hij werkte in het ziekenhuis; zijn vrouw was een medium. Hij schreef een boek dat heet “Dertig jaren onder de doden”. Via zijn vrouw, die medium was, heeft hij met deze geesten gesproken en het vaak ook voor elkaar gekregen dat deze geesten uit de nog levende mensen vertrokken en dat ze inzagen dat ze daar eigenlijk verkeerd aan hadden gedaan, omdat ze niet in een ander mens mogen leven en daar zelf geen voordeel van hebben, integendeel: ze ladenhierdoor een nog grotere schuld op zich, omdat ze een ander op een slechte weg brengen.

Waarom leven zoveel mensen in armoede? 

……Ja, het antwoord is: er bestaan natuurlijk veel mensen die in armoede geboren zijn. Neem als voorbeeld maar landen zoals in Afrika en in Zuid-Amerika. Die mensen hebben ook grote moeite om dat aan te nemen, omdat ze nog niet zo ver gevorderd zijn. Maar hierover zegt Jezus: “De mensen die in armoede leven, zijn zelfs bewust in armoede geplaatst, omdat ze, wanneer je ze rijk zou maken, de ergste mensen zijn die anderen iets aandoen vanuit hun hoogmoedigheid.” Dus moeten ze wel in armoede blijven. Als dan de uiterlijke wil sterk is en de innerlijke wil zwak, dan is het moeilijk hier iets aan te doen, omdat de uiterlijke wil de uiterlijke/vleselijke wensen heeft. De innerlijke wil kruipt terug in zijn bolletje of omhulsel en blijft helemaal stil. 

Zo iemand is alleen op de juiste weg om hulp te vragen van zijn innerlijke wil, als hij denkt: “ik kom nu in zo’n slechte toestand, er moet toch ook wat anders zijn dan dit, waarin ik nu verkeer.” En als je dan zo iemand vertelt hoe het echte leven eruit zou kunnen zien, neemt hij dat tenminste een klein beetje aan. Hij moet er natuurlijk wel eerst over nadenken, want zo snel gaat dat niet, maar hij neemt wat aan en komt dan vooruit. Het is een moeilijke weg en we moeten dan ook begrijpen dat als iemand dat helemaal niet aanneemt – want er zijn ook mensen die geen christenen zijn – dat het allerbelangrijkste is: “Heb God boven alles lief, en je naasten als jezelf” Dan kom je in het hiernamaals, in het zogenaamde tussenrijk, automatisch op een plaats terecht die een verdere leerschool genoemd wordt. Dus… je hoeft hier niet altijd alles te bereiken. Maar als je ‘je naasten liefhebt zoals jezelf’ – en het ‘zoals jezelf’ mag je niet vergeten – dan kom je in het hiernamaals in die leerschool, waar iedereen die van goede wil is naartoe gebracht wordt. En daar heb je ook je eigen wil. Dan mag je kiezen wat je wilt. En Jezus of de Hemelse Vader zal nooit iemand dwingen ergens naartoe te gaan. Dat hangt weer af van de andere vraag die ik al beantwoord heb. We moeten een vrij Godskind worden dat later ook vrij kan meewerken in het geestelijke en voorlopig ook nog materiële heelal.

Hoe komt het dat sommige mensen als zwakzinnige worden geboren?

…..als een mens zwakzinnig geboren is, dan is dat soms uit vrije wil, maar het kan ook door de voorouders komen (chromosomen) waardoor dan een zwakzinnig kind geboren wordt. Maar dat zwakzinnige is wat dat betreft goed gezegd omdat dat met het verstand te maken heeft. De ziel en de geest in zo’n zwakzinnig mens kunnen heel goed ontwikkeld zijn. Ik ken er één die spastisch is en ongeveer 30 jaar oud, maar die is zo geestelijk ingesteld dat hij eigenlijk alles kan verstaan wat je zegt, maar hij kan niet spreken, hij kan geen antwoord geven. En hij kan ook niets schrijven. Maar aan de gebaren die hij maakt, kun je zien dat hij zelfs met zijn beschermengelen contact heeft. En dat kan vaak ook met zwakzinnigen het geval zijn. Dat kun je veelal niet zien, omdat velen ook bang zijn en depressies hebben. Ze worden gerust gesteld met pilletjes en injecties en zo. Maar we moeten inzien dat het leven hier op aarde niet het eindpunt is, maar het beginpunt. Dat we na 30 of 40 jaar, of soms duurt het langer, bijvoorbeeld na 90 jaar, dat we dan overgaan naar het echte leven. Dan begint het pas. Mensen die met zwakzinnige of spastische mensen te maken hebben, hebben het veelal erg moeilijk. Je moet veel geduld en barmhartigheid opbrengen, wat jezelf dan ook weer sterkt voor het echte leven na het materiële leven.

Kiest iemand zijn eigen ouders en omgeving uit voordat hij op aarde geboren wordt? 

Ieder mens die hier naartoe komt (geboren wordt), heeft een doel: die wil ergens aankomen. Of het ook lukt, dat is een andere vraag. Maar diegene kiest dan voor zijn omgeving en voor zijn ouders. Natuurlijk hoort daar dan ook bij dat vaak een begeleidende engel, de toekomstige beschermengel, je toespreekt, zo van: “doe dat maar. Dat is wel het beste voor je.” Maar je kunt kiezen.

Wordt echt iedereen door de geestelijke wereld geholpen, ook als hij of zij het moeilijk heeft? 

De bedoeling is steeds om God te herkennen als Hemelse Vader en uiteindelijk zelf in de Hemel terecht te komen. Het is niet de bedoeling om hier een mooi of moeilijk leven te hebben. Het kind wordt onder zúlke omstandigheden geboren, dat het met zijn ouders verder kan komen. Maar vaak veranderen de ouders en vaak verandert het kind en dan loopt het helemaal anders, omdat dan de begeleidende engel niet meer kan meespreken, omdat er toch niet geluisterd wordt. Hoe moeilijk hebben we het toch allemaal om dat te begrijpen, om te luisteren naar de informatie die we in onszelf krijgen. Toch wordt die wel door de geestelijke wereld gegeven. Maar hoe het verder loopt, dat ligt helemaal aan de vrijheid van de mens. Zoals op grote schaal een oorlog nooit door God gegeven wordt: dat veroorzaken de mensen zelf. Maar mensen zijn vrije wezens, ze mogen zelf met de oorlog worstelen en zichzelf daarbij benadelen. Maar ze kunnen daarna bij zichzelf denken: “Zo kan het niet. Zo gaat het helemaal verkeerd.” Na zo’n oorlog heb je dan ook veel meer mensen – tenminste voor een tijd lang – die gelovig zijn.

Is het goed om regelmatig in de Lorberboeken te lezen? 

…….Ja, er staat ook zo veel bij Lorber. Daarom moeten we de hele week tussendoor pauzes maken en hiernaar luisteren. Dat is juist.

Waar komen de zielen van de mensen vandaan, voordat ze geboren werden op aarde? 

98 % van de mensen komt verder in het leven vanuit de natuurzielenontwikkeling, waarbij opgesplitste zielendeeltjes via het mineralen-, het planten- en het dierenrijk de menselijke vorm bereiken. En het begin van de mens, daarover hebben we het in de lezing al gehad. Maar 2% van de mensen komt van boven. ‘Van boven’, daarmee wordt bedoeld dat die van sterren komen waar de wijsheid immens hoger ligt dan bij ons – dat is niet de verstandelijke wijsheid – en anderen zijn engelen uit de hemel die mee willen helpen. En die leven onder ons en helpen steeds anderen om zich van het niveau van de ziel naar dat van de geest te kunnen verheffen, of om mee te helpen.

Dus, die 98 % zijn afkomstig uit de val van Lucifer. Die zijn door hun woede in miljoenen of miljarden deeltjes uit elkaar gevallen en verspreid. En dan moeten die natuurlijk weer samengevoegd worden om aan het einde weer naar de hemel terug te keren. Maar voordat dat gebeurt moeten alle deeltjes van deze boze eigenschappen gevangen worden gezet. Geen zielendeeltje kan zelfstandig bestaan als het niveau van haar energie is gedaald. Dus die worden dan in de materie gevangen genomen. De sterkste gevangenis is o.a. erts, ijzer en mangaan. Dan komt het mineraalrijk zoals de stenen. Als we nog verder gaan, komen we bij de zielen die een beetje zachtmoediger geworden zijn: zij worden samengevoegd of voegen zich in een groter aantal samen en gaan overnaar het plantenrijk. Een plant kan al uit de aarde tevoorschijn komen en kan zich bewegen, maar hij kan zich niet verplaatsen. Maar een dier kan dat weer wel. En als deze zielen dit doorlopen hebben, komt daar later een natuurziel uit tevoorschijn, zoals dat in het begin van de lezing genoemd werd. En uiteindelijk worden dan deze natuurzielen, dus deze 98 % van de mensen, verzameld uit alles wat verspreid was; ze gaan dan terug naar de hemel als de mens dat vrijwillig wil. Die andere 2 % komen ons te hulp om het ons een beetje gemakkelijker te maken, doordat we iemand in de buurt hebben die zegt: ‘zo is het toch eigenlijk’, of ‘waarom doe je dat zo?’ Of je ziet het aan hun reacties. Je komt dat steeds weer tegen, dat je oplettend gemaakt wordt.

Is het noodzakelijk dat de mens reïncarneert?

……..Het antwoord daarop is heel gemakkelijk. Jezus zegt: “als iemand geboren is en hij wil volgens de regels leven, namelijk “Heb God boven alles lief en uw naasten als uzelf”, dan kan deze in het hiernamaals verdergaan in allerlei leerscholen, zodat diegene nooit meer op aarde geboren hoeft te worden.” Er bestaat natuurlijk ook de mogelijkheid dat mensen weer op aarde worden geboren, maar dat is niet noodzakelijk, dat is geen plicht.

Dat waren de vragen, of liever gezegd de antwoorden op de vragen.”

*  *  *  *  *  *  *

“Pasen – het keerpunt”

Tekst van de lezing op 31 maart 2004 

voor Vereniging “Parabool” in Terborg (Gld.) 

________________________________________________________________

1. Waarom het paasfeest

Als je mensen op straat vraagt wat de betekenis van Pasen is, dan krijg je soms een correct antwoord, maar soms ook wonderlijke antwoorden die je verbazen. Zij vermoeden dat het van oud-germaanse herkomst is of iets met de paashaas te maken heeft. Inderdaad is Pasen bij onze oosterburen sterk vercommercialiseerd met paaseieren en chocoladehazen. Onze maatschappij gebruikt echt alle christelijke feestdagen om weer eens een grote omzet te halen. Wie vraagt er nog naar de echte en toch zo belangrijke betekenis? Geld en plezier zijn de gangmakers.

Is dat wel terecht? Bestaan er misschien redenen, die ons mensen erop wijzen dat wij ons verkeerd oriënteren als wij in deze materiële wereld opgaan en eraan meedoen zonder erover na te denken? We hebben allemaal een verstand en een geweten, die ons ware en juiste mededelingen willen geven. Maar wij moeten wél willen luisteren naar ons innerlijk om te horen welke activiteiten de beste voor ons zijn.

De Nieuwe openbaring, die Jakob Lorber door het innerlijke woord heeft ontvangen, laat ons het waarom zien van ons leven op aarde in dit materiële lichaam en zij geeft ook alle benodigde informatie. Pasen is daarbij het allerbelangrijkste voor de mensheid. Je zult vast van velen te horen krijgen, als je ze daarover aanspreekt, dat ze tot nu toe heel goed geleefd hebben zonder iets over de Paasgeschiedenis te weten. Dat is een vergissing! Wie alleen de materiële wereld hoog acht, die kan natuurlijk geen zicht op het geestelijke leven hebben, omdat het in hun leven doodgezwegen wordt. Ze kennen – zoals gezegd – de betekenis van de Paasgeschiedenis niet; daarom weten ze ook niet, dat het leven op aarde de kortste periode van ons totaal bestaan is, maar wel een belangrijke stap is in de richting van het ware leven in het hiernamaals.

Om te verstaan waarom Goede Vrijdag en Pasen zo´n buitengewone rol in ons aller leven speelt, is het noodzakelijk op de oorsprong en de ontwikkeling van de mensheid in te gaan en daarbij komt ook ter sprake wat de bedoeling van de schepping van de mens door God is; dat volgt nog in de loop van de lezing.

2. Het avondmaal vóór Pasen

Jezus zat met zijn twaalf discipelen aan tafel bij een herbergier om het paaslam te nuttigen. Maar voordat dat plaats vond, had Judas al gesprekken met de hogepriester Kaiphas van de tempel en ook met Herodes gevoerd. Judas wilde aan de ene kant Jezus dwingen om hier op aarde de koning van Israël te worden en tegelijkertijd zag hij ook wel, dat hij daardoor een belangrijke positie in een nieuwe regering zou innemen. Aan de andere kant wist Judas, dat Jezus altijd van zijn rijk in de hemelen sprak en niet van het rijk Israël. Zijn eigen wil, dus zijn egoïsme, lieten Judas toch verkeerd reageren en hij dacht ook nog bijzonder goed te handelen. Judas sprak nog met Thomas en probeerde hem ervan te overtuigen, dat hij zo moest handelen: ”Wat heeft voor Jezus al die goddelijke kracht van nut, als Hij van zichzelf zo zwak is om zijn kracht niet te gebruiken als het nodig is? Hoe zou de wereld toch in een paradijs veranderen, waar leed en armoede niet meer bestaan, als Hij de troon zou beheersen die nu de keizer van Rome inneemt!” 

Toen zij allen aan tafel zaten, gaf Jezus nog eens een onderrichting en Hij legde de zin uit van het avondmaal, dus het gebruiken van de gezegende wijn en het brood. Dat hadden de discipelen wel meer dan één keer gehoord, maar gedeeltelijk hadden ze toch nog moeite om de diepere zin te begrijpen.

Het brood betekent de goddelijke leer. Zoals het brood via de mond in de maag komt en daar veranderd wordt in vlees, zo moet ook de leer door de mens helemaal in zich opgenomen worden. De wijn staat voor het daadwerkelijke doen van de leer, te vergelijken met de wijn, die in het lichaam in bloed wordt veranderd en overal naartoe stroomt. Met deze uitleg begrijpen wij dan ook wat Jezus bedoelde toen hij bij de spijziging van de vijfduizend erover sprak, dat de mensen zijn vlees moeten eten en zijn bloed moeten drinken. Met andere woorden: door het opnemen van Zijn leer in je hart stroomt zo veel liefde door je heen, dat je daardoor vanzelf naastenliefde zal uitoefenen! 

Tegen het einde van de maaltijd vroeg Jezus zijn discipelen om hun voeten te mogen wassen. Het wassen van de voeten was heel normaal, maar dat wordt normaliter niet door de belangrijkste aanwezige, maar door een maagd of knecht gedaan. Daarom was het ook voor de discipelen verrassend. Daar schuilde natuurlijk een diepere zin in, die Jezus hen uitlegde. Zoals Jezus de voeten van zijn discipelen reinigde, zo moeten de mensen er onder elkaar naar streven om elkaar te dienen en te reinigen, opdat zij met een gezuiverd hart – dus met gewassen voeten – Jezus waarachtig kunnen navolgen. Wij begrijpen, dat in de mens Jezus de goddelijke geest gevestigd is en dus de schepper van het heelal het niet beneden zijn waardigheid achtte om de voeten van zijn schepselen te wassen.

Toen Jezus weer aan tafel zat, sprak Hij de woorden: ”Één van jullie zal Mij verraden!” Judas voelde zich direct aangespoord om nu te handelen en hij verkeerde nog steeds in de waan dat hij het juiste deed, en zo ging hij weg en informeerde de hogepriester waar ze Jezus konden oppakken.

3. Gethsemane

Voordat de gevangenneming van Jezus door de knechten van de hogepriester plaats vond, ging Jezus met zijn discipelen naar de tuin Gethsemane, om door het gebed zich nog eens helemaal met de Vader te verbinden. Op dit ogenblik viel het hele gewicht van het naderende onheil over de ziel van de mensenzoon heen, omdat de Godheid zich geheel terugtrok uit Jezus om aan de mens Jezus de vrije beslissing over te laten. Drie van zijn discipelen nam hij mee, want hij mocht van hen wel steun verwachten. Zijn hele leven had Hij afgestemd op het offer voor de mensen, op de overwinning van Lucifer, die door zijn afval van God voor al het onheil had gezorgd. 

Nu kwam de tijd, dat Hij aan het kruis moest lijden. De verbinding in het gebed met God, de hemelse Vader, moest hem de volledige kracht geven om de rest van zijn opgave te volbrengen. In het begin van het gebed vroeg Hij daarom ook de drie discipelen om hulp, om mee te bidden. Maar die hadden de diepte van het komende gebeuren niet begrepen en begonnen te slapen. Alle discipelen waren wel verschillende keren door Jezus op de hoogte gebracht van wat Hem te wachten stond, maar zij konden het moeilijk geloven. Zij waren het van Jezus gewend, dat Hij wind en weer en alles beheerste. Waarom zou het nu anders zijn?

Na het eerste gedeelte van het gebed kwam Jezus terug – Hij was iets verderop gegaan om alleen te zijn – en was teleurgesteld dat Hij geen hulp had gekregen van zijn lievelingsdiscipelen. Zij waren in slaap gevallen. Hij ging weer naar zijn gebedsplaats en verbond zich opnieuw met de Vader. Na een lang aanhoudende innerlijke strijd werd Hem duidelijk, dat Hij alles alleen moest doen. Geen enkel mens zou Hem steun geven. Na deze bewustwording kon Hij zich helemaal aan de hemelse Vader overgeven, zonder nog een eigen wens te hebben, niet eens meer de wens om steun van een medemens. Jezus had zijn ziel van al het menselijke, uiterlijke en materiële gezuiverd. 

Hier moet nog opgemerkt worden, dat miljoenen engelen bereid stonden om Jezus bij zijn strijd te helpen. Maar dat kon niet, Jezus moest het alleen volbrengen. Al Zijn gedachten waren op zijn Heilige Vader gericht en in deze verbondenheid kende Hij maar één doel en dat was de wil van de Vader, zijn liefde, uit te voeren!

Zijn ziel was nu compleet vervuld van zijn opgave om zich aan het kruis te offeren en daardoor de mensen uit de handen van Lucifer te redden. Nog eens ging Hij terug naar zijn gebedsplaats, om zijn innerlijke overtuiging te bevestigen. Toen keerde de Godheid terug in de mens Jezus en sterkte Hem en doordrong Hem en sprak: “Voor de laatste keer moest Je je beslissing nemen. Nu zijn Vader en Zoon in Je verenigd en voor eeuwig onafscheidelijk!” 

Na dat derde gebed kwam Jezus terug bij zijn discipelen en maakte ze wakker. Het laatste gedeelte van Zijn opgave begon. Later – dat is na zijn opstanding – legt Jezus uit, dat de totale overgave in het gebed van Gethsemane tot zijn zwaarst bevochten inzichten behoorde.

Intussen waren Judas en de mannen van de Hogepriester al in de buurt om Jezus gevangen te nemen.

Iemand zou nu kunnen vragen: Had Jezus niet de goddelijke geest in zich? Waarom moest hij dan überhaupt bidden? En als Hij bidt, dan bidt Hj toch tegen zichzelf? Ja, Jezus was met ziel en lichaam een gewoon mens met alle verlangens en lusten zoals wij allen. Wij lezen bij Jakob Lorber en ook bij Max Seltmann, dat Hij tot zijn dertigste levensjaar bezig was om alle menselijke verlangens te overwinnen, om aan de goddelijke geest steeds meer ruimte in zijn ziel te kunnen geven. Diegene die de taak van de verzoening moest uitvoeren, was dus de mens Jezus en de verzoening moest zonder de goddelijke kracht volbracht worden.

4. Verzoening

Nu zijn wij bij het woord verzoening aangekomen. Wie moest dan eigenlijk verzoend worden? Wat was er gebeurd, dat om een verzoening vroeg?

In het begin van de schepping – en dan hebben we het over de geestelijke schepping, omdat de materiële wereld pas veel later tot stand kwam – was Lucifer een engel, die voorzien was van een bijzonder grote macht. Hij mocht wezens scheppen in het bewustzijn, dat hij zijn krachten van God gekregen had en steeds met liefde met Hem verbonden moest blijven. Maar juist dat heeft Lucifer niet gedaan. Hij wilde de macht uit zichzelf hebben, beschouwde de liefde als niet belangrijk en scheidde zich van God af en nam alle door hem geschapen wezens (dus in deze toestand waren dat engelen) met zich mee. Maar hij bedacht niet: wie zich van de bron van het leven afscheidt, die neemt in energie af en nadert daardoor steeds meer zijn eeuwige dood. 

De Godheid zelf is in haar binnenste zowel liefde als ook heiligheid en almacht. De liefde had al het leven uit zichzelf geplaatst met de opgave aan alle geschapen wezens, om in een vrije beslissing de goddelijke orde, liefde en wijsheid aan te nemen. Het grootste deel van de engelen had het wel goed begrepen en bleef God trouw. Maar door de afvalligheid van Lucifer en zijn aanhang werd de Heiligheid van God toch aangetast. Dat is zo te begrijpen, dat er met en door Lucifer wezens bestonden, die in de macht van God geschapen waren, die Hem niet als de enige, heilige God wilden aanerkennen. En Hij is toch inderdaad alles, buiten Hem bestaat niets! Daarom moest nu de Heiligheid in God verzoend worden door haar eigen liefde, namelijk dat alle geschapen wezens niet de dood mochten vinden en vrijwillig de weg terug naar de hemel zouden gaan. De liefde in God moest nu reageren. Zij heeft daarom de materiële wereld geschapen als leerplaats voor de afvalligen en dan ook de eerste mens met een uiterlijk materieel lichaam die innerlijk van een geest voorzien was. Dat was namelijk Adam en met hem Eva. Zij kregen de taak om een bepaalde tijd de goddelijke orde te gehoorzamen om de afvalligheid van Lucifer te verzoenen. Maar zij waren te zwak en faalden. 

Even tussendoor: Adam was echt de eerste mens met een innerlijk, geestelijk lichaam. Mensen, die voor hem leefden, hadden alleen een lichaam en een ziel zoals de dieren, maar dan wel met een bijzonder sterk instinct.

Laten we nu kijken naar de almacht in God. Jezus spreekt met Bisschop Martinus en zegt tegen hem: “De almacht kan wel alles veroordelen en doden en vernietigen door het gericht. Maar helpen, oprichten, het leven behouden, het verlorene teruggeven, de gevangen geest weer vrij maken, dat kan alleen maar de liefde, die gepaard gaat met alle zachtmoedigheid en geduld. Waar deze ontbreekt, daar is niets dan dood en verderf.”

Wij begrijpen dat het nu alleen nog voor de liefde in God mogelijk was om de verlorenen terug te halen, Adam en Eva hadden gefaald. Daarom werd Jezus geboren, om de verbindingsbrug tussen de materie en de geestelijke hemel te bouwen. Door zijn zuivere en reine leven en de complete acceptatie van de goddelijke wil tot aan zijn dood aan het kruis heeft Jezus de Heiligheid in God weer verzoend en voor ons – de verlorenen – de weg vrij gemaakt om uit de machtsgreep van Lucifer te ontsnappen en zelfstandig de liefde aan te nemen, waardoor wij uit vrije wil terug kunnen keren naar God, die als een echte Vader ons begeleidt en dan in de hemel op ons wacht. 

5. Gevangenneming en veroordeling

De gevangenneming vond plaats en Jezus werd voor de hogepriester Kaiphas gebracht. Deze had al maandenlang de hoge raad van de tempel beïnvloed om Jezus te doden, omdat Zijn leer niet overeenkwam met de uitoefening van macht door de tempel. De priesters van de tempel wisten wel door de profeten, dat de Messias in hun tijd te verwachten was, maar zij dachten, dat de Messias Israël van de bezetting door de Romeinen zou bevrijden. Zij konden en wilden niemand hebben, die hun macht aantastte door het geven van een zuivere, geestelijke leer en zij hadden daarom lang van te voren hun eigen leer opgebouwd, die de mensen in hun machtsgreep hield. Zij konden niet accepteren, dat de Messias voor het heil van alle mensen kwam en niet alleen voor Israël. Jezus sprak over het geestelijke rijk na de dood, genas velen en gaf wonderbaarlijke bewijzen van zijn goddelijke kracht. 

De hoge raad van de tempel wilde Jezus de doodstraf geven, maar die kon alleen door de Romeinen uitgesproken worden. De stadhouder van Jeruzalem, Pontius Pilatus, probeerde van alles om de in zijn ogen onschuldige Jezus van Nazareth niet te veroordelen, maar de haat van de tempel was oppermachtig.

Door de Himmelsgaben van Jakob Lorber weten wij, dat Tullia, de vrouw van Pilatus, een droomgezicht had, waarin ze Jezus boven de wolken van de hemel zag zweven samen met vele engelen, die Hem toejuichten: “Heil onze grote God!” Deze droom had zij aan haar echtgenoot verteld. Maar volgens de wet kon hij niet anders dan de door de tempel verlangde doodsstraf uitspreken. Nadien, nog voor de Hemelvaart van Jezus, bezocht Pilatus in Bethanië Lazarus en ontmoette ook Maria, de moeder van Jezus en de discipelen. Hij werd een aanhanger van de leer van Jezus. Maria verzekerde hem: “Jezus heeft jou uit zijn diepe liefde vergeven!”

Wij mogen bij dit alles niet vergeten, dat de schepper van het heelal zonder meer in staat zou zijn geweest om de mens Jezus uit deze onaangename situatie te redden, als dat volgens zijn bedoeling en plan zou zijn geweest. 

Het aspect van het niet ingrijpen door de goddelijke macht lag ook ten grondslag aan het verraad van Judas Iskariot. Hij was ervan overtuigd, dat Jezus koning van Israël moest worden. Door Jezus gevangen te laten nemen wilde hij proberen Jezus te dwingen om te bewijzen, dat Jezus in elke situatie de machtigste is. Tot zijn verbazing en teleurstelling verdedigde Jezus zich niet. Maar Judas had niet begrepen, dat het Jezus om iets anders ging, dat veel belangrijker was dan voor een korte tijd koning van Israël te zijn, namelijk om alle mensen van hun ondergang te redden.

6. Kruisiging

In de bijbel wordt bij de evangelisten Marcus en Lucas over een Romeinse hoofdman gesproken, die het doodvonnis moest uitvoeren. Hij stond in de buurt van Pontius Pilatus toen het doodvonnis uitgesproken werd. Hij was het, die dan ook de opdracht voor diens uitvoering kreeg. Hij was geschrokken dat de Joden een man als Jezus wilden laten kruisigen, omdat hij ervan overtuigd was, dat deze nooit iets kwaads kon hebben gedaan. Maar bevel was bevel en zo leidde hij de tocht naar Golgatha. Voordat hij de kruisiging liet uitvoeren, vroeg hij nog eens de duizenden aanwezigen of er dan niet één in het voordeel van Jezus wilde getuigen. Dat vroeg hij, omdat hij wel de macht had om in zo´n geval het doodvonnis niet te voltrekken. Maar het bleef buitengewoon stil. Niemand getuigde voor Jezus. En zo begon de kruisiging.

Van de discipelen was alleen Johannes aanwezig. Hij stond met de moeder van Jezus en Maria Magdalena dicht bij de gekruisigde. Machteloos moesten zij aanzien wat daar gebeurde, maar zij begrepen een beetje: Jezus voldeed aan zijn opgave. Aan het kruis hangend sprak Hij de ons allen bekende zeven woorden. Gedeeltelijk bespreken we deze nu om hun diepere zin te bestuderen.

“Mijn God, mijn God, waarom heeft U mij verlaten?”

Bij het gebed in Gethsemane hoorden wij, dat de mens Jezus – met andere woorden, onze broer Jezus – in totale deemoed en zonder enige hulp zijn opgave moest volbrengen. Zijn ziel leed pijn uit liefde voor zijn broeders en zusters, de mensen, van wie hij zag, hoe zij de eeuwige dood naderden. Om nog maar niet te spreken over zijn lichaam, dat vastgespijkerd aan het kruis hing. Zijn roep tot God was aan de ene kant een bevestiging, dat hij met de Vader in God één was en hij de Heiligheid in God vroeg nu toch verzoend te zijn met de mensen, nadat hij – Jezus – zo dicht bij de vervolmaking was. Aan de andere kant was dat een oproep aan ons mensen, om in een noodsituatie steeds de in ons wonende Vader te vragen en niet de Heiligheid in God. Deze is te almachtig voor de geschapen mens en kan en moet daarom ook niet door ons benaderd worden. Wij moeten ons integendeel richten tot de hemelse Vader die puur liefde is en ons alles geeft wat Hij bezit. Daar hoort b.v. de geestelijke wedergeboorte bij, die wij mogen aannemen en ervaren om geest te worden, waardoor wij op dezelfde frequentie kunnen voelen, denken en leven als Hij zelf. Niemand hoeft bang te zijn voor deze opgave die voor ons ligt, ja die zelfs al voor onze geboorte op aarde op ons wacht.

“Maria, zie je zoon” en tegen Johannes: “Zie, je moeder!”

Johannes had natuurlijk een eigen moeder en Jezus was het enige kind van Maria. Altijd bestond er een diepere zin in de woorden van Jezus, zo ook hier. 

Maria betekent de erbarmende liefde door de hemelse Vader en menselijk gezien is het de moederliefde. Johannes staat voor alle mensen, je kunt ook zeggen voor alle mensen als kinderen van God. Ook hier beseffen wij, dat Jezus in zijn groot lijden niet aan zichzelf, maar steeds aan ons mensen gedacht heeft en ons met weinig woorden diepe waarheden gaf. Telkens als wij hulp nodig hebben, moeten en mogen wij de hemelse Vader roepen, die altijd hulp geeft. Natuurlijk gaat het om de geestelijke ontwikkeling van de mens en niet om een nieuwe auto. Maar als de geestelijke ontwikkeling op gang gekomen is, dan komt er zelfs voordeel in het materiele leven.

Je mag er ook van uitgaan, dat deze woorden beslist hebben meegespeeld om Maria in de katholieke kerk als moeder van de mensen te zien en haar een bijzondere rol te geven.

“Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn”

Nog een voorbeeld. Twee misdadigers werden samen met Jezus Christus gekruisigd. De één had geen berouw, maar de ander erkende in Jezus de Heer en bad om genade bij de beoordeling van zijn misdaden wat Jezus ook direct verleende. 

Zo is het ook bij ons: zelfs in de laatste minuut van ons leven op aarde kunnen wij nog geholpen worden bij het inzien van ons verkeerd handelen. Het is nooit te laat. Dat is toch zeker een grote troost. Dat voorbeeld is te vergelijken met de arbeiders in de wijngaard. Zelfs degenen, die niet de hele dag gewerkt hadden, maar alleen het laatste halve uur, kregen hetzelfde loon – en dat is het hemelrijk. Het paradijs, waarover Jezus tegen de misdadiger sprak, is nog niet de hemel, maar het hoort bij het tussenrijk, en is de voorhemel die al veel zaligheid geeft. 

“Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest!”

Ook hier zien wij direct, dat Jezus de Vader aanroept en niet zoals eerder ´God´, en Hem vraagt om hem op te nemen. Misschien valt het sommigen ook op, dat Jezus niet ´ziel´ maar ´geest´ zegt. De mens is namelijk behalve de ziel ook nog een essentiële geest, die in de oertijd samen met de ziel afgevallen was. Dat wordt vaak als een eenheid aangesproken en zo is het ook hier.

“Het is volbracht!”

Sommige vermoeden misschien, dat Jezus blij was om bevrijd te zijn van de pijn. Dat is het zeker niet! Hij spreekt van zijn opdracht om Lucifer te bewijzen, dat alle verloren wezens weer terug kunnen gaan naar de hemel. Daarmee heeft Jezus alle mensen, die Lucifer nog dacht te bezitten, van hem vrij gemaakt en de weg gewezen om uit zijn vangnet te ontsnappen. De mensen, die op aarde leven, kunnen nu uit de lage materiële energie naar de hoge licht- en liefdesenergie opstijgen tot Lucifer uiteindelijk helemaal alleen komt te staan en voor zichzelf de beslissing moet nemen om te volgen of in de eeuwige verbanning te blijven. 

Na het sterven van zijn materiële lichaam werd de Jezus-ziel definitief één met de Godsgeest. In tegenstelling tot de woorden, die Mozes sprak, dat niemand God kan zien en blijven leven, geldt nu, dat God als onze hemelse Vader in de vergeestelijkte Jezus-ziel altijd zichtbaar blijft. 

Verder zijn wij nu door het zich opofferen van Jezus – eigenlijk is het een bevrijding –  van de erfzonde vrij, die ons vasthield in de gevangenschap van het kwade. De wens van God om alle geschapen mensen in een Vader-kind verhouding te brengen, was werkelijkheid geworden. Dat de meeste op aarde levende mensen geen aandacht schenken aan zijn offerweg met het voor ons wonderbaarlijke resultaat, is hopelijk alleen van tijdelijke aard.

Jezus heeft zich direct na zijn aardse dood in het hiernamaals laten zien en was vol erbarmen bezig om velen uit hun onwetendheid te helpen en inzicht te geven, zodat zij beseften dat zij nu naar de hemel mochten. Maar dat kan alleen gebeuren als degenen dat ook zelf willen. De mens blijft altijd zijn vrije wil behouden. Wat hij ook tegen komt, hij moet steeds zelf een beslissing nemen. Hoe zou de mens ook anders een zelfstandig kind van God kunnen zijn?

7. Voor de opstanding

Nog voordat het zondag werd en nog voordat de opstanding van Jezus bekend werd, b.v. door het ontdekken van het lege graf, had onze Romeinse hoofdman belevenissen, die zijn hele leven veranderden. Nog onder het kruis sprak hij met Maria en Johannes. 

Omdat deze hoofdman erg boos was op de Joden en deze dan ook bedreigde, kalmeerde Johannes hem en zei: “Zo moet het niet! Kijk, voor onze meester zou het heel gemakkelijk geweest zijn dat alles te verhinderen. Want alle krachten van de hemel en de aarde stonden tot Zijn beschikking. Zijn strijd gisteren in Gethsemane was misschien nog groter dan vandaag! Daar vocht Hij met zichzelf, zodat wij allen, zijn discipelen, angstig werden en Hem niet meer begrepen!” 

De volgende twee dagen had de hoofdman verschillende heldere visioenen, o.a. zag hij al het lege graf en was daarover heel blij, omdat Jezus echt moest zijn opgestaan en leven. Hij liep naar de discipelen, die in de herberg van Lazarus verzameld waren en bracht hen de boodschap.

Is het niet wonderbaarlijk, dat juist degene, die de kruisiging – dan wel als militair bevel – moest uitvoeren, door Jezus uitgekozen werd om Zijn volgelingen te informeren?

Door de totale overgave van Jezus werd niet alleen zijn ziel helemaal met de geest verbonden, maar zelfs zijn lichaam werd door zijn geduldig ondergaan van de marteling en kruisiging geheiligd. Dat was de reden, waarom ook zijn lichaam zich als een lichtstraal in geest kon veranderen. Zó transformeerde zich zijn materieel zijn in een puur geestelijk zijn. De soldaten zagen wel de verschijning van het felle licht in de grafkamer, maar hadden er geen verklaring voor. 

8. Judas Iskariot

Toen Judas zag, dat Jezus zich nergens tegen verzette en naar Golgatha gevoerd werd om gekruisigd te worden, raakte hij in paniek. Hij probeerde nog wel met Jezus te spreken, maar de Romeinse soldaten lieten niemand meer bij het kruis komen. Hij liep weg naar de tempel, maar ook de hogepriester wilde niets meer van hem weten. Nog dezelfde dag hing hij zich op. In het geestelijke rijk aangekomen, mocht hij met Jezus spreken. En die vroeg hem: “Judas! Erken je nu, dat het ware leven alleen in de liefde te vinden is? Als wij nog mensen op aarde waren, dan had Ik je kunnen helpen. Maar nu, in het rijk van het geestelijke leven, geldt alleen nog de eigen vrije wil! Je hebt nu de inzichten; daarom kun je de weg tot Mijn wezen alleen vinden, als je jouw wil diep buigt!” Daarmee werd hij alleen gelaten met de opgave om zijn wezen te reinigen.

Dit inzicht geldt ook voor ons allen. Hier op aarde kunnen wij veel sneller de geestelijke inzichten aannemen dan in het hiernamaals, omdat daar het vleeslichaam niet meer bestaat en de ziel van de overheersende menselijke wensen vervult is.

9. Na de opstanding

Van de vele ontmoetingen tussen Jezus en de mensen, die tussen de opstanding en de Hemelvaart plaats vonden, zullen door mij alleen twee genoemd worden. Allebei hadden dezelfde betekenis. De discipelen en natuurlijk ook alle andere mensen kenden Jezus vooral als een zichtbare mens die wonderen deed en de goddelijke leer gaf. En daarom hielden zij van Hem als een mens. Zij hadden in Zijn tijd op aarde niet begrepen, dat Jezus de goddelijke geest in zich had en deze de liefde van de mensen moest hebben en niet de uiterlijke mens. 

Nadat Maria Magdalena op weg naar het graf Jezus ontmoet had, verscheen Jezus kort daarna ook bij Lazarus, waar zij ook weer aanwezig was. Daar zijn de woorden van Jezus aan Magdalena kenmerkend: “Zolang het verlangen om Mij te zien nog groter is dan het verlangen om Mijn leer van de liefde aan te nemen, zal jouw verlangen onbevredigd blijven. Je moet me niet met je armen willen omhelzen maar met je hart!”

De twee wandelaars naar Emmaus, het waren Kleophas en Simon, die tot de kring van de discipelen behoorden, hadden een beetje de hoop op de Messias Jezus opgegeven, toen onderweg een derde man zich bij hen aansloot. Het was Jezus die zij niet herkenden. In een lang gesprek sterkte Hij de twee mannen in hun geloof en zij begrepen nu, dat Jezus echt leefde. Wel te verstaan: zij geloofden nu in de geestelijke Jezus, dat zij Hem nog steeds en altijd iets konden vragen door de liefde in hun hart, zonder dat Hij zichtbaar hoefde te zijn. Om zo’n levend geloof bij hen te wekken, kon Jezus zich niet eerder te kennen geven.

Later, toen zij thuis waren gekomen, waste de vrouw van Kleophas de voeten van de “vreemdeling”. Zij zag onmiddellijk de tekenen van de kruisiging en was vol blijdschap over haar gast. Deze belevenissen kunnen wij bij Max Seltmann lezen.

10. Gevolgen

Laten we nog eens teruggaan naar de Romeinse hoofdman. Hij zat nog steeds bij Lazarus in de herberg. Alle anderen waren gaan slapen, alleen de twee spraken nog met elkaar. En hij vroeg dan ook aan Lazarus: “Waarom moest Jezus al deze kwellingen en al dit lijden en schande op zich nemen, daar Hij toch niet overlijden kon?” 

En Lazarus antwoordde hem: “Aan alle wezens, aan de gehele mensheid, zelfs aan de hele oneindigheid werd daarmee getoond, dat de oergrond van al het leven moet worden gezocht in de goddelijke liefde tot de mensen en in haar erbarmen, terwijl de mensheid ver van God wandelt. God kon alleen dán in Jezus tot leven komen, als deze vrijwillig al zijn menselijke wensen en lusten verloochende en overwon. Zo kwam dan ook het bewustzijn in Jezus: `God zelf leeft in mij!´ Dat gaf licht en vertrouwen in zijn binnenwereld! Hij wilde dan ook alleen nog maar datgene doen, wat de liefde in God – met andere woorden is dat de Vader – van hem vroeg. Daarom is het kruis niet langer meer de schandpaal, maar een teken van overwinning op de zonde. Jezus had ons verzekerd, dat als hij niet naar de Vader zou zijn gegaan, de mensen dan niet de trooster, namelijk het nieuwe leven vanuit de trooster, hadden kunnen krijgen. Als je dat inzicht nu aanneemt en daarnaar handelt, dan zal het in je duidelijk worden, dat Jezus ook in jou dat nieuwe leven vormt.” 

Het nieuwe leven ligt ook in ons, en wij krijgen het bij onze geboorte op aarde door Jezus in ons hart gelegd, maar jammer genoeg wordt het door veel mensen niet erkend en aangenomen. De gehoorzaamheid van Jezus die verbonden was met zijn onuitsprekelijke liefde, heeft de erfzonde, die veroorzaakt was door Lucifer, overwonnen en Jezus heeft voor ons de terugweg naar het geestelijke rijk bij God weer gebouwd en gewezen. Wij moeten zelf daar naartoe gaan. Wij hebben gehoord wat Lazarus gezegd heeft, namelijk dat het nieuwe leven van Jezus in het hart van ons allen geplaatst is. 

Laten we ook nog bekijken, wat ons door Jakob Lorber in de “Himmelsgaben” in het hoofdstuk “Verlossing” wordt meegedeeld over de verdere betekenis van de kruisiging en de opstanding. 

“Allereerst is dat het grootste werk van de eeuwige liefde, omdat Ikzelf als de Allerhoogste een mens geworden ben, ja Ik ben zelfs een broeder voor jullie geworden en heb de grote hoeveelheid zonden op Mijn schouders genomen en daardoor de aarde gezuiverd van de oude vloek van de onaantastbare heiligheid van God.

Het tweede is het onderwerpen van de hel aan de kracht van Mijn liefde. Vroeger stond zij onder de macht van de goddelijke toorn en was daarom verwijderd van de liefde, maar die is juist het vreselijkste wapen tegen de hel. De liefde is namelijk het puurste tegendeel van de hel en jaagt deze al bij het noemen van Mijn naam naar de verste oneindigheid. 

De derde betekenis van de kruisiging en de opstanding is het openen van de poorten van de hemel voor een eeuwig leven en het wijzen van de weg daarnaar toe. Jullie zijn nu niet alleen weer verzoend met de heiligheid van God, maar zij laat jullie ook zien hoe jullie je moeten vernederen voor de wereld, om voor God verhoogd te kunnen worden.”

De weg naar de hemel betekent het uitoefenen van de naastenliefde, namelijk dat wij het met geduld en zachtmoedigheid verdragen als wij door medemensen beledigd of op een andere manier aangevallen worden.

Aan het einde van de lezing zal nog een goede raad worden genoemd, die juist in dezelfde doorgave staat en die samenhangt met de uitoefening van de naastenliefde: de ouders moeten erop toezien, dat hun zonen pas zullen trouwen als zij tenminste voor de helft wedergeboren zijn. Dat is belangrijk om kinderen te kunnen verwekken, die dan tot zegen van een hele generatie worden. Laten we onszelf eens afvragen, of dat bij ons het geval was! Laten we ook acht slaan op het feit, dat heden ten dage een groot deel van de jonge mensen helemaal niet meer trouwt maar vrij samenleeft. Waarom wordt dat gedaan? Omdat de eigenliefde, het egoïsme hoger staat dan de naastenliefde, in dat geval zelfs voor de partner. De vruchten daarvan zijn dan ook de gevolgen van het niet opvolgen van de goddelijke orde en Zijn adviezen. Daarvoor draagt dan ook niet God de verantwoording, maar wij zelf!

Het goddelijke geduld is immens groot en zij helpt ons verder de juiste weg te vinden en de juiste handelingen te doen. De inzichten hiertoe moeten wij wel vrijwillig aannemen. Jezus heeft het ons laten zien hoe het kan en hij spreekt ons moed in om hem te volgen.

“Hoe spreekt de Heer met ons?”

Tekst van de lezing voor Stichting Lorberlezingen

op 15 mei 2003 

1. God, Heer en Vader

Zelfs als christen vraag je je af of dat wel mogelijk is. Dat God ons iets te zeggen heeft, daarover hebben wij eigenlijk geen twijfels. Maar hoe kan iemand, die onzichtbaar is, ons iets zeggen? En als Hij iets zegt, hoe kunnen wij Hem dan begrijpen? En toch: 

„Het staat iedereen vrij om zich op elk moment tot God te richten.“ Zo staat het in het Grote Johannes Evangelie. God is echter zowel de Heer als ook onze Vader! Niet voor niets bidden wij: “Onze Vader in de hemel…”. Dan zal Hij toch ook antwoord geven aan zijn kinderen. In welke hoedanigheid spreekt Hij nu tot ons en met ons? 

a. Als God is Hij de schepper van het hele geestelijke en materiële heelal en door zijn almacht is hij voor ons ontoegankelijk. Wat kan een schepsel aan zijn schepper vragen? Toch niets! 

b. En als Heer? Als wij het Oude Testament bekijken, zijn wij geneigd om aan te nemen, dat deze tijd een overgangstijdperk vormt en God destijds als Heer zijn volk – namelijk Israel – voorbereidde op zijn toekomstige menselijke aanwezigheid op deze aarde. Deze voorbereiding vond plaats door middel van profeten, die van boven kwamen en voor hun taak op aarde waren voorbereid. “Van boven” betekent, dat de profeten geïncarneerde engelen waren. 

c. En als Vader? Door zijn leven op aarde als Jezus van Nazareth is er iets fundamenteels veranderd. Het oude verbond van het Oude Testament werd vervangen door het nieuwe verbond. Sinds die tijd wordt door Zijn liefde aan elk mensenkind – en niet alleen aan Israel – de Gods- of verlosservonk in de wieg meegegeven, een vonk, die de bevrijding, de verlossing in zich draagt. Daardoor staat ieder van ons open voor het directe contact met Jezus Christus. Dat wil niet zeggen, dat nu iedereen een profeet zou kunnen zijn, maar iedereen kan nu in zijn innerlijk de persoonlijke mededelingen voor zijn eigen geestelijke ontwikkeling vernemen. In tegenstelling tot vroeger, toen de mensen het woord van de Heer door de profeten vernamen, heeft Jezus voor ons de weg tot het hart van de Vader geopend. Als liefde, als Vader wil hij met elk kind spreken. Alleen het lukt niet, omdat velen niets van Hem willen weten of – nog erger – Hem niet eens kennen. Maar desondanks is in hun harten deze liefdesvonk gelegd, die de mensen elk moment met Hem in contact kan brengen. 

Het zou echter verre van juist zijn om te veronderstellen, dat onze hemelse Vader ons alleen door het innerlijke woord zou onderwijzen. Hij is bijzonder veelzijdig en Zijn methoden om ons te onderwijzen, zijn dat eveneens. Maar niemand zal er iets tegenin brengen als men beweert, dat het directe woord van de Vader het hoogste inzicht geeft. Aan het begin van deze lezing zij echter al opgemerkt, dat de beste onderwijzer machteloos staat, als zijn leerlingen niet willen leren. Wij leerlingen zullen immers Zijn kinderen – Gods kinderen – worden, maar dat in alle vrijheid van de eigen wil. Daarom wordt van ons de bereidheid gevraagd om te leren.

In deel IX van het GJE vertelt Jezus ons duidelijk, dat wij het zijn, die allereerst actief moeten worden om de genade van de hemelse onderwijzing te mogen ontvangen. “De mens, zoals hij ter wereld komt, wordt wat zijn ziel betreft volledig van de almacht van God gescheiden en is in alles afhankelijk van zijn eigen wil en inzicht. Pas als hij door het onderricht van zijn ouders en wijze leraren God leert kennen en Hem dan om Zijn hulp smeekt, begint het geestelijke vanuit de hemel de mens binnen te stromen, en de ziel van de mens komt tot steeds grotere kennis en verenigt zich dan met de geest van God.” 

Sinds de eerste mens zijn de mensen tot op heden nog nooit ook maar voor een jaar zonder mededeling of openbaring gebleven. Om de mens echter niet te zeer te beperken in zijn wilsvrijheid vinden grote openbaringen met mededelingen over de toekomst maar zelden plaats. Desondanks laat God zich niet al te gemakkelijk vinden. De wijze reden daarvan is, dat de mens moeite daarvoor moet doen en alleen dán het gevondene als waardevol beschouwt. De mens laat zich echter steeds weer door zijn gemakzucht en door zijn wereldse en lichamelijke lusten gevangen nemen en daardoor verduistert zich zijn blik op het geestelijke. Het is vanzelfsprekend, dat alleen mensen met liefde voor het geestelijke in hun ontwikkeling onderwezen kunnen worden.

2. Oude Testament

Laten wij ons eerst bepalen tot het Oude Testament. 

Samuel werd door zijn wijze en gelovige leraar Eli onderricht in het geloof in de Heer. Op een nacht was het zover en Samuel hoorde de Heer tot zich spreken. Hij ontving zijn eerste profetie voor Eli en het volk Israel. Alleen door zijn volgroeide en vaste geloof schrok hij niet van de stem van God en voerde hij zijn opdracht trouw uit. 

Jeremia daarentegen verzette zich aanvankelijk toen de Heer hem opdroeg Hem als profeet te dienen en zei: “Heer, ik ben te jong.” Hij was namelijk bang om tegenover de mensen maatregelen aan te kondigen. Maar de Heer antwoordde hem: “Wees niet bang, want Ik ben bij jou en wil jou redden.” En de Heer toonde Jeremia door gezichten (daarmee worden dromen bedoeld) wat hij het volk moest zeggen. 

In deze gevallen is het duidelijk geen persoonlijk onderricht, maar het zijn profetieën in de vorm van waarschuwingen aan het volk Israel, dat op de geboorte van Jezus moest worden voorbereid. Door de verkeerd gebruikte vrije wil van de mens waren – en zijn ook nu nog – waarschuwingen nodig, die de mens laten zien wat er zal gebeuren als er geen mentaliteitsverandering plaats vindt. Voorspellingen, die een waarschuwing inhouden, hoeven niet onvermijdelijk uit te komen als de mens inbindt. Als het anders was, zouden de mensen geen eigen initiatief aan de dag kunnen leggen en op het niveau van de dieren blijven staan; zij zouden dan nooit Gods kinderen worden. Desondanks kennen wij ook profeten, die boos werden omdat hun voorspellingen niet uitkwamen.

Hoewel wij door Jakob Lorber veel wenken voor het gebeuren in onze tijd hebben gekregen, worden er natuurlijk geen heel concrete uitspraken gedaan, want “het strekt de mens niet tot nut, zolang hij niet volledig wedergeboren is, als hij veel te veel weet; de hem te duidelijk onthulde toekomst zou zijn nog te zwak gemoed drukken.” Bovendien zou onze vrijheid dan worden beperkt.

Om een ware profeet te kunnen onderscheiden, geeft Jezus ons de volgende aanwijzing: “Wie onder de mensen een uitverkorene is, kunnen jullie daaruit opmaken, dat hij van Mijn geest vervuld is en van daaruit een ware liefde voor God en voor de naaste zal prediken.

3. Liefde – voorwaarde voor het innerlijke woord

Liefde is het allerbelangrijkste in ons leven. De liefde leidt tot het helder wakker worden van onze eeuwige geest. Ons leven zal dan ook zo geaard zijn als onze liefde geaard is. Onze kinderen zullen – zoals wij zonet gehoord hebben – in het gezin en door leraren de naastenliefde leren kennen en Jezus als het uitgangspunt van de liefde vereren. De mens moet naar Jezus toegaan, d.w.z. hij moet Hem liefhebben en deze liefde voor Jezus door de naastenliefde in de praktijk brengen. Dat brengt met zich mee, dat de mens voortdurend zijn eigen zwakheden moet bestrijden om meer geestelijk licht tot zijn ziel te laten doordringen. In het GJE deel IV lezen wij (vrij vertaald): “Wanneer het licht van de geest in de ziel schrijftafeltjes ziet, die leeg zijn, blijft het daarin voor eeuwig duister.” Alleen door de liefde voor Jezus worden deze schrijftafeltjes in de hersenen op de juiste wijze beschreven en zij verbinden daardoor de mens met Jezus. Zonder liefde dus geen verbinding met Jezus en geen innerlijk woord! Wij horen andermaal van Jezus: “Wie mijn geboden naleeft en mij daadwerkelijk boven alles liefheeft, tot hem zal ik komen en ik zal mij aan hem openbaren naar de mate, waarin hij Mij in zich kan opnemen.” 

Hier horen wij heel duidelijk, dat eerst onze liefde voor Jezus moet worden ontwikkeld. Daarmee scheppen wij de voorwaarde om Zijn woord in ons innerlijk te kunnen vernemen.

In deel V van het GJE wordt het ons op de volgende manier gezegd: “Het goede wordt in het gevoelscentrum van het hart, dat men `geweten´ noemt, ingefluisterd en van tijd tot tijd krijgt de mens stevige waarschuwingen van ons. Als de mens zich hier ook maar iets van aantrekt, is er van verloren gaan en bedorven raken geen sprake meer. Dan komt de verborgen hulp onophoudelijk van boven en verleent de ziel steeds meer inzicht en kracht om zich meer en meer los te maken uit datgene, waar hij in verstrikt is geraakt. Dan is er slechts enige goede wil voor nodig en dan gaat het al met grote stappen voorwaarts: hij wordt door Gods geest gegrepen en in het ware licht verder geleid. Pas als de mens zich kennis en inzichten heeft verzameld en zijn verstand is wakker geschud, komt de openbaring van de goddelijke wil, die de mens de juiste weg naar het eeuwige leven wijst. Omdat de mens een vrije wil heeft, kan hij de openbaring naar zijn eigen inzicht aannemen of verwerpen.”

Het geestelijke gezichts- en gehoororgaan bevinden zich altijd in het hart van de mens en nooit in zijn aardse zintuigen. De ziel, waarin zich aanvankelijk nog veel wereldse wensen en lusten bevinden, moet dus contact zoeken met zijn hogerstaande geest om naar diens informatie te luisteren. Zelfs als je als ziel met een andere ziel wilt spreken, kan dat in jezelf plaats vinden. Het gemakkelijkst gebeurt dat b.v. in onze dromen over vrienden en familieleden, of over Jezus zelf en over onze beschermengelen. Jezus zei eens tegen een opperstadhouder: “Hoe vaak ik ook bij jou kwam, je was nooit thuis en was altijd druk doende in de buitenwereld.” Jezus laat ons daarmee zien hoe Hijzelf en zijn engelen ons willen bereiken en onderwijzen. Als wij ons echter door wereldse lusten laten meeslepen en deze graag botvieren, waar is dan nog plaats voor Zijn – veel beter – aanbod? Wij moeten dus niet alleen leren vanuit en in ons innerlijk met anderen contact te zoeken – natuurlijk het beste met onze beschermengelen of Jezus zelf – maar ook moeten wij leren om ons open te stellen om hen in ons te horen. 

4. Een onzichtbare geestelijke bode

Jarah dacht ook aan de moeilijkheid om met Jezus na zijn lichamelijk overlijden contact te onderhouden, want zij stelde Rafael de volgende vraag: “Hoe zal het mij vergaan, als ik Jezus niet meer zal zien en niet meer met Hem kan spreken?” Rafael zegt daarop: “Het zal heel goed met jou gaan, want als je Hem in je hart een vraag zult stellen, dan zal Hij jou in jouw hart antwoorden. Persoonlijk zijn wij – engelen – vaak ver van Hem vandaan, maar geestelijk in het geheel niet, want wij leven in God en God leeft ook in ons. Wil de mens van God iets horen of weten, laat hij het Hem dan in zijn hart vragen en hij zal door gedachten in zijn hart ook meteen een volledig antwoord ontvangen. Er zullen in jouw hart weliswaar heel zachte maar desondanks overduidelijk verstaanbare gedachten zijn. Jij zult ook inzien, dat ze niet van jezelf afkomstig zijn.”

Direct daarna zei Rafael nog iets heel belangrijks: “Wie zijn hart echter vlijtig bewerkt en geen inspanning schuwt om het gehoorde in praktijk te brengen, zal tenslotte voor zijn ziel en geest uit eigen middelen kunnen leven. Want de Heer wil juist met de mens bereiken, dat hij een zelfstandige burger van de hemel wordt!” 

Daarom zal Hij door de geest van Zijn levend woord in de harten van díe mensen komen, die Hem liefhebben en Zijn geboden naleven. Dat geldt in het bijzonder voor onze tijd.

Mijzelf heeft Jezus een tijdje geleden het volgende gezegd: “In jouw binnenste voert jouw verlangen je naar mij. Je weet wel, dat ik in jou ben en dat voor altijd. Maar jouw groeien moet ook van jezelf uitgaan. Daarom komt het jou voor, dat ik soms afwezig ben. Zelfstandigheid is iets belangrijks voor een kind van God! Oefen je dus en laat je door materiële gebeurtenissen niet afleiden. Jouw geest weet dit alles en heeft alle kracht om je stap voor stap verder te brengen. Laat liefde door je heen stromen en alles voelt dan gemakkelijker aan.”

Bij veel doorgevingen kan het gebeuren, dat de tekst je al bekend voorkomt, omdat de Vader vaak wenken geeft, die zich aan de rand van het eigen weten en begrijpen bevinden. Deze nieuwe wenken moet het kind dan oefenen, totdat ze tot het allerdaagse gedragspatroon behoren. Omdat het bij ons mensen echter niet zo snel gaat met het leren, bevatten de volgende doorgevingen herhalingen, totdat men het zich heeft eigen gemaakt. Dan gaat het stap voor stap verder.

Bij het naderhand doorlezen van zijn doorgevingen merkt men heel goed, dat deze niet van zichzelf afkomstig zijn. Men moet ze wel toetsen, maar mag dan niet twijfelen. 

5. Doorgevingen en openbaringen

Openbaringen zullen regelmatig voorkomen en dit wordt door Jezus bevestigd: “Maar het is heel iets anders om het geheime, innerlijke woord te horen, dat van Mijn hart in het hart van diegene komt, die het hoort. Daarop moet de mens voorbereid zijn, want één jota daarvan zou een onvoorbereide al doden.” Let wel, hier spreekt Jezus over openbaringen die gaan over een heel volk of over de toekomst, niet over de persoonlijke ontwikkeling. Over hetzelfde onderwerp zei Jezus tegen mij: “Het is wel een groot verschil, of een mens Mijn woord voor zijn persoonlijke leiding hoort of aanvoelt, of een profetisch begripsvermogen gekregen heeft. Profetieën hebben vaak met de medemensen en met de toekomst van hen te maken. Dat kan niet iedereen verdragen. Daarvoor moet je innerlijk vast zijn, Mij liefhebben. Alleen dan heb je ook de moed tegen jouw medemensen te spreken, hen de profetieën mee te delen. Want wat heeft hij voor bewijzen tegenover zijn medemensen? Deze kunnen hem toch uitlachen! Hij moet dus vol vertrouwen in Mij zijn, alleen dan is hij sterk genoeg om voor Mij op te treden.”

Op deze plaats zou ik graag nog een persoonlijke doorgeving aan mij willen meedelen. Voor een bijeenkomst van Lorbervrienden in Duitsland had ik Jezus twee vragen gesteld:

a. Hoor ik Jouw stem en waarom ik? 

b. Kan iedereen door de godsvonk Jouw stem horen? Wat is de voorwaarde daarvoor? 

Het antwoord luidde: “Mijn beste zoon, ik zucht even, omdat jij nu vragen stelt, die jou al lang zijn beantwoord. Ja, jij wilt volledige zekerheid hebben, omdat je tot je broeders en zusters moet spreken. Goed, luister dan:

Op vraag a.) ik heb je uitgekozen om jouw broeders en zusters, die hiervoor openstaan, al heel wat dingen te verduidelijken wat het geestelijke leven betreft. Daarom geef ik jou zelf verklaringen, opdat je van tevoren helder inziet, hoe ik mijn kinderen opvoed en wat hun doel is.

Op vraag b.) sinds mijn overwinning heeft een ieder een stukje van de verlossende geestelijke vonk. Deze (overwinning) stelt de mens in staat, met deze vonk in contact te treden. Omdat deze geestelijke vonk identiek is aan mij, spreek ik dus in zijn innerlijk. Maar daar zijn twee (personen) voor nodig. Ik wil wel! De mens is er meestal helemaal niet in geïnteresseerd om mij te horen, omdat hij daardoor immers van zijn lichtvaardig leven wordt afgebracht.

Als wij echter een mens voor ons hebben, die mij begint lief te hebben, dan opent hij daardoor de afgrendeling naar de geestesvonk en ik sta hem dan in zijn innerlijk ter beschikking. Er verstrijkt echter nog veel tijd, vóórdat deze mij reeds lief hebbende mens vaststelt, dat ik niet ver van hem vandaan ben, maar direct bij en in hem. Pas daarna kan hij mij vragen stellen en zal mij ook vragen stellen. Antwoorden zal ik hem geven, als hij geestelijk vraagt, want dwingen kan ik hem immers niet. Dit vermogen is aan iedereen gegeven, maar er moet een licht schijnen om mij te herkennen.

Nog een enkel woord over Mijn profetische mededelingen (Jezus is nog steeds aan het woord): daarvoor is ongetwijfeld niet iedereen geschikt. Dit is een kleine minderheid gegeven, die sterk in de geest is. Maar Mijn innerlijke leiding strekt zich uit tot elk mensenkind. Dit als antwoord op je vragen.”

Vermeldenswaard is ook, wat wij in het GJE, deel 8 horen: als de mens al vanaf de kindertijd tot de juiste werkzaamheid wordt geleid en wordt opgevoed in gehoorzaamheid, deemoed en zachtmoedigheid – en daar zijn de eerste zeven levensjaren van bijzonder belang, dan kan God zich aan hem openbaren, ondanks de wilsvrijheid die in acht moet worden genomen. Maar juist daaraan ontbreekt het in deze tijd. Beide ouders gaan liever werken dan de christelijke opvoeding van hun kinderen voorop te stellen. De uiterlijke interesses van de mens en zijn zelfzuchtige bezigheden verstikken de goddelijke mededelingen.

6. Droom van Zorel

Voordat wij de herkomst van doorgevingen middels dromen kunnen verstaan, zoals dat bij Jeremia of bij Jozef gebeurde, willen wij het principe daarvan nader bekijken. Bijzonder duidelijk erkennen wij dat in deel 4 van het GJE. Hier komt een man met de naam Zorel tot Jezus. Deze man geloofde nog in de Griekse goden en leefde echt niet zuiver volgens de wet, met andere woorden: hij beging enkele afschuwelijke misdaden. Jezus laat nu zijn volgelingen zien, dat zelfs zo’n man in zijn binnenste de hoogste geestelijke kennis heeft, ook al is dat onbewust. Door handoplegging wordt hij in een kunstmatige slaap gebracht, wat met zijn goedkeuring plaats vindt. Dan begint hij opeens te spreken en aan de omstanders uit te leggen wat hij innerlijk ziet en wat hij meemaakt. 

Het begint ermee dat hij zich als ziel in een omgeving in het hiernamaals bevindt. Hij beseft nu, dat hij niet alleen een ziel heeft, maar dat hijzelf deze ziel is en zijn materiële lichaam op aarde hem alleen als tijdelijke hulp gegeven is. Nu begint hij zichzelf en zijn aardse leven naar hun ware aard te zien en hij betreurt zijn slechte handelingen tijdens zijn leven. In een vijver wast hij zo goed mogelijk het vuil van deze daden af. Dat is een symbool voor het zuiveren van zijn ziel. Dan wordt hij door Jezus ontvangen en samen gaan zij verder naar de hemel. Na deze zuivering van zijn ziel voelt hij opeens een dieper inzicht en Zorel vertelt aan de verbaasde luisteraars hoe een mens op aarde zou moeten leven. Let wel: dat doet hij als misdadiger! 

Jezus en hij gaan steeds verder en opeens merkt Zorel, dat zich in hem een klein kind bevindt dat constant aan het groeien is, totdat het uiteindelijk volwassen is en zich met hem – de ziel – verbindt. De betekenis daarvan is, dat zijn geest, die door zijn slecht leven totaal ingesloten zat, vanaf dat moment vrijkwam, groeide en nu ook geestelijk volwassen is:  als ziel is hij nu één met zijn geest. – Wij noemen dat de geestelijke wedergeboorte.

Voordat Jezus met hem de hemel kan binnengaan, moet Zorel eerst zijn nog gedeeltelijk onzuivere ziel op een grasveld neerleggen zoals je een jas neerlegt. Zijn ik is nu de geest en niet meer de ziel. In de toekomst – na zijn aardse dood – wanneer de ziel daadwerkelijk helemaal gezuiverd zal zijn, zal zij een vaste eenheid met de geest vormen en zó de hemel binnengaan; dan hoeft de ziel niet meer achter te blijven. Zorel begint weer te spreken, nu in zijn geestelijke toestand, en hij verbaast de luisterende volgelingen van Jezus door zijn wijze woorden over het geestenrijk en de hemel.

Dit voorbeeld laat ons uitstekend zien hoe wij steeds hogere kennis verkrijgen naarmate wij ons verplaatsen in hogere sferen, maar ook waarom wij hier op aarde in ons tijdelijke materiële lichaam leiding nodig hebben. Bij hoeveel mensen zal deze bestaande innerlijke verbinding met het hiernamaals bekend zijn?

Aan ons kan leiding worden gegeven door b.v. mededelingen tijdens dromen of door het innerlijke woord, dat vanuit de geest komt die zich op de hoge energiefrequentie van de liefde bevindt en ons terughalen wil uit onze lage materiële sfeer.

Om het nog één keer te herhalen: in zijn eerste en lagere toestand erkent Zorel zijn verkeerd handelen op aarde; daarna groeide zijn inzicht en daardoor zag hij ook hoe de mens zou moeten leven om op een zekere en korte weg naar de hemel te gaan. In zijn derde en hogere stadium bevindt hij zich in de hemel en overziet het geestelijke rijk. 

Wat betekent dat voor ons leven op aarde? Laat ons luisteren naar Johannes, die Zorel een mededeling gaf toen deze uit zijn slaap ontwaakte. Die was namelijk weer de vroegere, onwetende mens geworden. Deze aanwijzingen van Johannes zijn ook allemaal van toepassing op ons! 

Johannes legt hem uit, dat een ziel, die toch duidelijk kan onderscheiden tussen goed en kwaad, tegen haar eigen inzicht en geweten zondigt als ze boze handelingen verricht. Om een beter mens te worden moet je allereerst erkennen, dat je alleen zelf aan je boze handelingen schuld draagt. 

Het gaat meestal zo: de normale mens leeft en zoekt meestal die situaties op, die in zijn materiëel voordeel zijn. In zijn ziel werkt het geweten, dat hem aanwijzingen geeft over wat goed en wat kwaad is. Wil hij het goede niet doen ondanks de aansporing door het geweten, dan kan hij tegen zijn geweten in en volgens de eigen wil handelen. Maar het gevolg daarvan is, dat zijn geweten steeds zwijgzamer wordt, tot hij het opeens niet meer zal horen. Bij zijn beslissingen zal hij zijn geweten over het hoofd zien, want het is nu compleet ingesloten. Zo´n  mens zal natuurlijk geen innerlijke leiding krijgen, omdat hij die niet wil hebben. 

Zal nu deze “normale burger” door een bepaalde gebeurtenis toch weer aan zijn geweten herinnerd worden, en er meer aandacht aan schenken, dan zal het weer iets levendiger in hem worden. Het brengt hem ertoe om na te denken over de vraag wat hij in zijn toekomstig leven zou moeten veranderen om met zijn medemensen attenter, zelfs liefdevoller om te gaan. Deze verandering van zijn wil maakt zijn geest wakker, die uit zijn gevangenis te voorschijn komt en dan langzamerhand meer invloed op de mens krijgt. Dat betekent het eerder genoemde, groeiende innerlijke kind bij Zorel. Vanaf dat moment zal deze mens ook genegen zijn om vragen aan zijn beschermengel te stellen. Er zal hem antwoord worden gegeven, maar hij moet leren deze te begrijpen en in zijn leven te gebruiken. 

7. Mededelingen door dromen

Wij willen nu iets dieper ingaan op de doorgevingen in dromen. Rafael leert ons dat er drie graden van waarneming zijn: 

a.  De eerste graad is een puur natuurlijke droom. De ziel, die nooit slaapt, bekijkt alles wat in   zijn hersenen staat opgetekend. 

b.  In de overgangsfase naar de tweede graad treedt de ziel al uit het lichaam tijdens de slaap en bekijkt de buitenwereld en leert daarbij de levensverhoudingen van de aarde kennen. Bij haar terugkeer in het lichaam wordt echter niets van deze belevenissen in de hersenen gegrift. Daarom weet men daar na het lichamelijke ontwaken niets meer van. Er zijn wel mensen, die zich hun buitenlichamelijke ervaringen kunnen herinneren. 

c. De tweede graad bezitten mensen, bij wie de geest al werkzaam is in hun ziel. In deze graad erkent de mens zichzelf, hij erkent ook God, evenals de zielen van reeds gestorven en nog levende mensen. Deze droombelevenissen zijn geestelijk gezien zuiver en waar. Maar ook dit kan men zich vaak niet herinneren. De geest bewerkt zijn ziel om haar helemaal voor zich te winnen, want zij heeft immers nog een heleboel materiële wensen. 

In de lagere graden van de droomwaarneming is de verbinding op het niveau van de ziel, terwijl de derde graad puur uit de geest komt. 

d. De overgangsfase naar de derde graad wordt aangetroffen bij de zogenaamde kleine profeten en bij mensen, bij wie de geest zich bijna helemaal met de ziel heeft verbonden. 

e. In de derde graad begint de ziel helemaal in de toestand van de geest over te gaan en al het materiële wordt omgezet in puur geestelijke essentie. In deze toestand kan de ziel de hele schepping overzien en met de hele geestenwereld in verbinding treden. 

Als wij deze droom-graden vergelijken met de belevenissen van Zorel, dan stellen wij een complete overeenstemming vast.Hier wil ik nog aan toevoegen, dat analoog aan deze droomgraden ook de helderziendheid verschillende niveaus kent. Maar dat even terzijde.

Nadat ik met het lezen van de werken van Lorber begonnen was en de waarheid daarin een steeds sterkere liefde voor Jezus in mij opwekte, begon ik droomervaringen te krijgen, die mij in het begin zeer verwonderden. Ook werd ik daar `s nachts vaak wakker van en doorleefde ze dan nog eens in wakende toestand, terwijl ik ze vast in mijn geheugen grifte. De volgende morgen schreef ik ze dan op.

De allereerste droom was de volgende en dat gebeurde nadat mijn vrouw en ik in 1991 naar Nederland verhuisd waren: ik zat op een bank naast een man, die een lang, wit gewaad aan had. Opeens zag ik als een landkaart vanuit de lucht mijn vroegere woonomgevingen in Duitsland en daarna die in Brazilie en ook de tegenwoordige in Nederland. Daarna werd mij de huidige wereld als een marathonloop getoond, waarbij de mensen alleen maar naar materiële doelen streven of lui toekijken zonder een enkel doel te hebben. Het ware doel – de hemel – was zo goed als onbekend. Deze man, die naast mij zat, deed mij dat alles beseffen.

Een andere droom liet mij Jezus zien, die mij aan de hand van een voorbeeld tot het inzicht bracht, dat ware hulp alleen van Hem komt en niet van de mensen.

In die tijd was ik begonnen `s nachts bij stervenden te waken. Vaak werd ik nu over de meest uiteenlopende dingen onderwezen:

  • Een keer zag ik een vrouw, het was de overleden echtgenote van een doodzieke man; zij vertelde mij, dat haar man nog in deze nacht om tien minuten voor drie zou sterven. Hij stierf precies op de aangegeven tijd. 
  • Een andere keer zag ik hoe de ziel als een witgrijze wolkensluier uit de borst van een stervende opsteeg. 
  • Bij een andere gelegenheid ontmoette ik een doodsengel, die mij op vriendelijke toon meedeelde, dat mijn werk gedaan was en hij de stervende van mij zou overnemen. 

Al deze ervaringen waren steeds weer anders. Niets herhaalde zich. Het was duidelijk, dat ik onderwezen werd en de droombelevenissen als bevestiging van een vast geloof werden geschonken. 

Een heel andere droomervaring wil ik ook nog beschrijven: 

Voordat ik met het lezen van de boeken van Lorber begon, was ik internationaal jurylid voor het keuren van poezen. Ik werd vaak voor de weekeinden door heel Europa heen uitgenodigd om katten op tentoonstellingen te beoordelen. Daarbij hoorde ook een tweejarige witte kater van het ras “Noorse boskat”. Ik had hem al enkele keren op tentoonstellingen gekeurd. Op een nacht was de ziel van deze kater bij mij en hij beklaagde zich over zijn leven op aarde. Hij was twee maanden daarvoor gestorven. Hij deelde mij mee, dat zijn voorbestemde ontwikkeling niet uitvoerbaar was door de vele reizen naar tentoonstellingen en door het voortdurend opgesloten zijn. Hij wilde toch als een normale kat leven. Deze ervaring heeft mij zeer geshockeerd. Het ging hier immers om een nog niet helemaal rijpe ziel, namelijk een dier. Hieruit zien wij wat wij mensen de dieren aandoen, en dat ook nog volkomen gedachteloos. Op dat moment stopte ik met het keuren van katten op tentoonstellingen.

8. Meditatie en zelfbeschouwing

De innerlijke geestelijke leiding vindt echter niet alleen plaats om ons blij te maken, maar in eerste instantie om ons aan te sporen om onszelf innerlijk te beschouwen, om te mediteren en om daaruit het belang van de naastenliefde te begrijpen en deze te beoefenen. 

Onze menselijke zwakheden moeten vervangen worden door sterke geestelijke eigenschappen. Deze sterke eigenschappen worden ons door Jezus ter beschikking gesteld. Wij moeten ze echter zelf aangrijpen. Traagheid, luiheid en besluiteloosheid zijn daarbij onze grootste vijanden.

Meditatie en zelfbeschouwing leiden ons in ons gevoelsleven. Wij moeten en kunnen de eigenschappen van ons wezen beter leren kennen om op grond van deze kennis, die wij door zelfbeschouwing vinden, veranderingen aan te brengen. Deze veranderde inzichten moeten dan in het alledaagse leven worden toegepast in de omgang met onze medemensen; geestelijk gesproken is dat de naastenliefde beoefenen, dat wil zeggen, de aangereikte kracht van Jezus aannemen en toepassen. Dit gaat op dezelfde manier als bij Zorel, die eerst zijn fouten erkent, vervolgens zijn ziel daarvan reinigt en dan pas een hoger inzicht verkrijgt.

In de meditatie zullen wij niet altijd een bijzondere ervaring hebben. Het gaat er veel meer om zich dagelijks verbonden te weten met zijn innerlijk, met de geestesvonk, dus met Jezus zelf. Dat sterkt alle bezigheden die de mens in de loop van de dag moet verrichten. Het hart waarschuwt het verstand als dat verkeerde beslissingen wil nemen en uitvoeren.

9. Het innerlijke woord

Daarmee zijn wij meteen aangekomen bij het persoonlijke, innerlijke woord. Daarbij gaat het ons niet om grote profetieën, maar om onze individuele leiding door onze beschermengel en door Jezus zelf.

Hij zegt ons: “Mijn rijk is niet van deze wereld, maar het moet geschapen worden door het leren kennen en nakomen van Mijn woord in het innerlijk van de mens.” En Hij legt aan iemand uit: “Als je van nu af aan in Mijn naam zult spreken, hoef je niet te bedenken wat je zult zeggen, want Ik zal je de woorden in je mond leggen.” Op de vraag, hoe hij dat dan zal weten, zal begrijpen, krijgt hij van Jezus het antwoord: “Je zult in je hart gedachten waarnemen, die zo helder zijn als zuiver gesproken woorden en die zul je dan zonder moeite met je mond kunnen spreken. Daarin ligt het geheim van God in het hart van de mens.”

Ik mag nog iets uit mijn eigen ervaring vertellen: 

In de loop van de tijd waren de droombelevenissen een normaal verschijnsel geworden. Natuurlijk was ik daarvoor heel dankbaar. Nu kwam echter de gedachte in mij op, dat ik immers ook spreken kan en Jezus ook. In de dromen wordt ook veel gesproken, maar slechts in weinig gevallen mocht ik alles onthouden. De reden daarvoor was, dat droombeelden bijna altijd geestelijke beelden zijn, die men bij wijze van spreken moest vertalen.

Het directe spreken leek mij nu noodzakelijk. Ik zei tegen mijzelf: ik ben tenslotte immers Zijn kind en Hij is mijn vader. Een vriend sprak mij moed in en toen ging ik met papier en pen aan tafel zitten en stelde een vraag. Er kwam ook zeer snel antwoord. Sinds deze tijd stel ik regelmatig vragen of ik bid om een mededeling; ik voel de innerlijke aansporing daartoe en schrijf Zijn mededelingen op. Het is duidelijk, dat men zich daarin moet oefenen, want als men zich niet volledig overgeeft, d.w.z. zijn eigen gedachten volledig buitensluit, begint men na te denken over wat er doorkomt en dan hoort men al niets meer. Als ik zeg “horen”, dan is dat eigenlijk niet juist, want het is meer een binnenvloeien van woorden in het verstand.

Het gebeurde natuurlijk ook, dat mij door enkele kennissen vragen werden gesteld, die ik aan Jezus doorgaf met het verzoek om een antwoord. Hij hielp altijd. Ik denk daarbij vooral aan een vrouw met een hartaandoening. Zij had al drie keer zonder succes een open hartoperatie ondergaan. De artsen hadden geen hoop meer. Zij verzocht mij dringend om te vragen of men iets voor haar zou kunnen doen. Het antwoord was: zij moest zich nog eens laten opereren en deze operatie zou slagen. Ik deelde haar dat – in geschreven vorm – mee en zij geloofde daarin. De operatie slaagde. Bij een latere controle verwondde een arts haar stembanden, zodat zij alleen nog maar kon fluisteren. De artsen achtten zich niet in staat om voorlopig in te grijpen. Zij vroeg mij andermaal wat zij moest doen en ik gaf de vraag door aan Jezus. Hij zei mij, dat zij nog voor het midden van het jaar weer zou kunnen spreken. Begin mei – dat was nu drie jaar geleden – belde zij mij op en haar stem was weer normaal! Ik wil daarbij nog vermelden dat deze vrouw moslim is.

10. Alleen luisteren – of ook handelen?

Het persoonlijke, innerlijke woord staat open voor iedereen, die Jezus lief heeft en zich voortdurend inspant om dichter bij Hem te komen. Hij wil immers dat wij bij Hem komen en Hem vragen stellen. Maar door de vrije wil moeten wij de eerste stap zetten. Wij moeten aantonen, dat wij wel willen en Hem liefhebben. Dan komt Hij ons tegemoet om ons aan zijn hand verder te leiden. 

Tot nu toe hebben wij erover gesproken, dat Jezus ons door het innerlijke woord leiding geeft. Maar wij zouden ons ook kunnen afvragen waarom hij dat zo intens doet! Natuurlijk, een Vader houdt van zijn kinderen, maar gedragen wij ons als zijn kinderen of moeten wij eerst in die mate actief worden, dat wij ons zijn kinderen mogen noemen? En heeft Hij ons niet alle vrijheid gegeven om met onze eigen wil en onze eigen daden zijn kinderen te worden? Mag Hij nu niet gewoon afwachten tot wij aankomen? Wij hebben toch uiteindelijk alles van Hem ontvangen?

Als God op deze manier zou denken, voelen en handelen, dan zouden wij miljarden jaren nodig hebben om naar de hemel terug te keren! Dus God heeft ons niet alleen de weg en de krachten gegeven om de juiste weg te vinden, hij kort deze weg naar zijn Vaderrijk – en daarmee ook de tijd – ook nog behoorlijk voor ons in door het aanreiken van de barmhartigheid. Hij schenkt ons barmhartigheid in plaats van gerechtigheid uit te oefenen, die toch gebaseerd is op de bestaande orde! Als ons dat duidelijk wordt, groeit dan niet onze liefde tot Jezus, willen wij dan niet ook Zijn woord navolgen, naar ons innerlijk luisteren? 

Let wel: het persoonlijke innerlijke woord is steeds bedoeld voor de verdere ontwikkeling van ieder mens. Het luisteren naar Zijn woord is wel leuk en vrolijk makend, maar dat is echt niet genoeg. Onze eigen kracht ontwikkelt zich alleen als wij met Zijn woord ook iets doen. Jezus zegt het duidelijk: “Het ware kennen en opvolgen van Gods wil is het ware Godsrijk in jullie! Zelfs al je Gods wil kent, is het niet zo gemakkelijk hem op te volgen als jij je dat voorstelt. Want de wereldse mensen verzetten zich daartegen en vervolgen degenen, die zich Gods rijk werkelijk willen verwerven. Maar daar komt nog bij, dat de mens zich in alle wereldse zaken zoveel mogelijk verloochent, o.a. tegen niemand toornig is.” Deze goede raad heeft betrekking op de dagelijkse omgang met elk medemens. Daar begint de naastenliefde. Jezus spreekt verder: 

“Wie echter God erkent, Hem boven alles acht en liefheeft en ook zijn naaste zoals zichzelf, maar daarbij toch ook de wereld acht en vreest, en niet openlijk voor mijn naam durft uit te komen omdat dat in werelds opzicht nadelig voor hem zou kunnen zijn, die zal aan gene zijde nog veel strijd te voeren hebben tot hij voleindigd is. Doe er daarom alles aan om ervoor te zorgen dat jullie volmaakte mensen worden. Zijn jullie dat, dan hebben jullie alles.”

Nu nog een kort leerstukje, dat kort geleden aan mij gegeven werd. Dat is representatief voor veel andere teksten:

“Mijn zoon, 

je ziet hoe belangrijk en noodzakelijk het is, steeds weer – om niet te zeggen altijd – in je innerlijk te blijven, om van daaruit je levensrichting te zien en voor haar uitvoering van daaruit de krachten te ontvangen. Kracht, dat betekent de rust, het uithoudingsvermogen voor iedere soort van werkzaamheden. In je innerlijk is je blik steeds op Mij gericht, op de vrede, op de liefde, die Ik geef. Alleen dan kan je de gebeurtenissen op aarde, dus van het uiterlijke, van de schijnwereld, op afstand houden en juist beoordelen. Die zullen jullie toch geen angst en schrik aanjagen, maar jullie mogen erkennen, dat dit allemaal gebeurtenissen zijn, die aan de ene kant voor jullie eigen beproeving gebeuren, maar ook door de onwetendheid van jullie medemensen te voorschijn komen. Daarom erken, hoe onbelangrijk de materie is en blijf het sterkst in je innerlijk met Mij, de liefde, verbonden.

Plotseling zal jullie aardse leven in een rustige baan verlopen, omdat jullie in het innerlijk de waarheid en de wijsheid gevonden hebben om het uiterlijke te meten.

Daarom leef op deze manier en bekijk alles uit liefde voor Mij. Iedereen heeft zijn vrijheid, om op zijn weg, door zijn aan hem gegeven inzicht, naar Mij te komen. Zo moeten jullie altijd denken en handelen. 

Kijk altijd positief en liefdevol naar de komende dag, dan zal het vertrouwen tot Mij steeds aanwezig zijn en niets zal je uit je innerlijke rust en vrede kunnen halen. Weet, dat Ik nooit zal stoppen jullie lief te hebben. Jezus Christus, die in je leeft.”

Hoe intensiever de mens zijn geest innerlijk laat waken, des te sterker zal ook zijn leven, denken en voelen, zijn weten en willen zijn. Gods rijk is nooit in de buitenwereld, het bevindt zich altijd binnenin het hart van ieder mens en moet daar worden ontwikkeld, of beter gezegd: worden vrijgelaten. Daarom moeten wij minder rekening houden met de gebeurtenissen in de wereld en onze wil en onze werkzaamheid  helemaal op Hem – namelijk Jezus – richten. Dan zullen wij het bewust meemaken dat Hij in ons leeft en alles voor ons regelt.

“Het gebed”

Tekst van de lezing op 13 mei 2004 

voor Stichting Lorberlezingen 

1. Inleiding

De woorden ‘gebed’ en ‘bidden’ zijn nauw met elkaar verbonden. Beide woorden duiden een verbinding met God aan, waarbij we Hem om iets vragen. In ons menselijk leven moeten wij elkaar ook vaak iets vragen of een verzoek doen. Als wij eerst het verzoeken nader bekijken, dan komt naar voren, dat wij in het leven hier op aarde vrij veel verzoeken om onze wensen te bevredigen en meestal hangen ze samen met een aangenamer leven. Het kan om een hypotheek gaan, die je van een bank wilt hebben om er een huisje van te kopen of je wilt een vakantie boeken naar een ver land. Soms doet men dat omdat men meent, dat men toch recht heeft op die hypotheek of juist deze bijzondere reis. Is dat dan nog een verzoek of zijn dat al eisen, die door een sterk egoïsme aangemoedigd worden? Het woord dank verdwijnt dan ook helemaal, omdat wij het als vanzelfsprekend beschouwen, dat ons verzoek – eigenlijk is het al een eis – ook positief beantwoord moet worden. Als het niet gebeurt, moet de tegenstander rekening houden met een geweldige scheldpartij! Moet er niet over worden nagedacht of beleefd vragen überhaupt nog in onze moderne tijd past? De hedendaagse mensen zijn namelijk zo egoïstisch geworden, dat zij het niet kunnen accepteren als een ander ´nee` zegt! Wel, dat zijn typische materiele gezichtspunten, die vooral door de reclame op tv en radio nog constant aangemoedigd worden! 

Kijken we nu naar het gebed. Kunnen wij in contact met de onzichtbare, geestelijke wereld anders – dus liefdevoller – handelen dan in onze zichtbare wereld? Krijgen wij door het gebed toegang tot deze onbekende wereld?

Wij maken nu de stap van de materiele eisen naar het gebed, dat ons gelukkig nog steeds met God in verbinding brengt. Tot wie zouden wij kunnen bidden om iets bijzonders voor ons te doen of ons te geven? Het gaat nu niet om 4 eieren of om zout, dat een moeder vergeten heeft te kopen en het nu van de buurvrouw wil lenen, en ook niet om de eerder genoemde huiskoop of de reis naar een ver land. Het gebed zouden wij moeten verbinden met oplossingen, die ons geestelijke vooruitgang brengen en die wij zelf niet alleen of tenminste erg moeilijk tot stand kunnen brengen. In het geheim hebben wij dus in ons het gevoel, dat God, de Heer, toch het meest geschikt is om ons te helpen. Gaat het dan bij een gebed alleen om hulp, omdat wij in vele fasen van ons leven op aarde zo vaak in moeilijke situaties terecht komen? Hier komt al een ander geluid naar voren: egoïsme wordt vervangen door deemoed. De vragen hierover zullen wij in de loop van de lezing kunnen beantwoorden.

Maar er zijn ook gebeden, die velen van ons dagelijks bidden. Denk eens aan het gebed voor en na het eten, ´s avonds voor het slapen gaan en ´s ochtends bij het wakker worden. De gebeden zijn belangrijk om steeds weer te beseffen wie het is, die uiteindelijk voor ons zorgt. Blijven wij nog even bij het gebed voor het eten. Een maaltijd is niet alleen voor het materiële lichaam, maar ook voor de ziel en deze ziel moet toch zeker een zuiver voedsel krijgen! Wat helpt daarbij beter dan de zegening door de Heer! Hetzelfde is het geval met het morgen- en het avondgebed, maar dan wel met een andere betekenis. Onze overgave aan de Vader brengt ons zijn hulp en wij mogen op zijn ingrijpen rekenen!

2. Offerande

Ook als je tot ver in het verleden zoekt, stoot je altijd op offergaven. De heidenen offerden aan hun goden om ze gunstig te stemmen en dat gebeurde om uiteenlopende redenen: voor het weer, voor de familie, voor de oogst, etc. Er wordt van vriendelijk gezinde goden hulp in alle bedreigende situaties verwacht, maar aan de andere kant vreesden de mensen een slechte behandeling door de goden als deze in een slecht humeur verkeerden. Als offergaven werden planten maar ook dieren genomen. Heeft dat dan geholpen? Kijken wij nog even verder naar de middeleeuwen. Wat moeten wij denken van de heksenverbrandingen? Worden daarbij niet zelfs mensen gedood, om de goden genadig te stemmen vanuit de eigen angst voor een eventuele straf? Bijzonder erg was het in Mexico bij de Azteken. Wie een keer in Teotihuacan was, die heeft het grote offerblok gezien, waar om de 10 jaar duizenden jonge mensen geofferd werden. Dat werd wel uitgeoefend in een vast geloof, maar dan wel met een verkeerd begrip. 

Wij weten, dat angst een grote rol speelt bij het offeren aan God. Waarom zijn de mensen dan zo bang voor God? Eén reden is natuurlijk, dat ze weten, dat zij zelf niet redelijk geleefd hebben en daarom een straf moeten verwachten. Dat God niemand uitdrukkelijk straft, zouden wij eigenlijk moeten weten. Ons onbegrip ligt in het niet begrijpen van Zijn goddelijke orde. Wie zich buiten deze orde begeeft, die wordt – je mag zeggen, liefdevol – teruggevoerd. Maar deze terugleiding gaat vaak gepaard met nood en juist die is het, die op ons als een bestraffing óverkomt. Hoe gelukkig mogen wij zijn, die door de boeken van J. Lorber beter weten, namelijk dat God daadwerkelijk onze hemelse Vader is en Hij nimmer straft, maar zelfs aan ieder mens het juiste pad wijst.

Dit pad is de liefde tot Hem. Wie liefde in zich heeft, die verliest de angst voor toekomstige gebeurtenissen en hij hoeft ook niet uit angst te offeren, omdat hij weet, dat de Vader in de hemel alleen zijn geluk wil en nooit straft. Straffen leggen de mensen zichzelf op en beschuldigen dan in hun onbegrip ook nog God daarvan. 

Aan de aartsvaderen zegt de Heer in de gestalte van Asmahael over de zich ontwikkelende liefde in het hart: 

“Want ik kan je alles geven, maar de vrije liefde van je hart tot Mij, die kan Ik niemand geven! En zou Ik zoiets doen, wat zou dan je liefde betekenen? Ik zeg je: zij zou niets anders zijn dan een vreemde prikkel in je, die je zou willen dwingen tegen je eigen wil Mij lief te hebben en bijgevolg ook te aanbidden. Maar Ik heb jullie als vrije mensen geschapen en met de vrije eigen liefde moet je Mij omvatten.” 

Als dan Henoch aan Asmahael (denk eraan, het is de Heer) aanbiedt om uit dank en liefde een lam en vruchten te offeren, krijgt hij van hem te horen: “Henoch! Zie, Ik ben noch hongerig noch dorstig en met het offer vermag je Mij niet te verzadigen. Het voor Mij meest aangename offer is een berouwvol en boetvaardig hart, dat Mij zoekt en mij boven alles lief heeft!”

Hier wordt ons erop gewezen, dat een uiterlijke offergave niet God’s bedoeling is, omdat het niets bewerkstelligt. De innerlijke aanpassing en verandering van boosheid en onwetendheid in liefde is het echte en gewenste offer en niet het uiterlijke formele doen.

Desondanks moeten wij verder vertellen over wat daarna bij Henoch, de aartsvaderen en Asmahael gebeurde. Het offer werd uiteindelijk toch aangenomen door de Heer: “Ik zeg je dat als teken van Mijn welbehagen in Henochs wijze van offeren, dat de Allerhoogste eens aan de Allerhoogste het allerhoogste offer zal brengen! Begrijp dat goed!”

Er werd gezegd, dat een offer wel nodig kan zijn en daarbij worden wij opmerkzaam gemaakt op het offer van Jezus aan het kruis. Dat offer was in geen geval een uiterlijke handeling, maar had een diepe geestelijke betekenis. Het ging om het bouwen van een brug, die het materiele leven op aarde met het geestelijke leven in het hiernamaals verbindt.

Wij komen in het Oude Testament nog een andere offergave tegen. Abraham stond voor de opgave zijn zoon Isaak te offeren. Maar daarbij had Abraham geen angst voor Jehova. Hij had een absoluut vast geloof en vertrouwen in Jehova. Daarom wist hij, dat alles wat God van hem vroeg, juist was. Het offer van zijn kind hoefde dan ook niet volbracht te worden. In plaats daarvan werd wel een ram geofferd. Maar hier beseffen wij, dat de liefde tot God de reden voor de handeling was, evenals bij Henoch en ook bij Jezus. Dus de onvoorwaardelijke liefde zelf lag aan het offer ten grondslag en het was nooit het angstgevoel. 

Bij een ander gelegenheid zegt de Heer dan ook tegen Henoch – dit keer is de Heer in de gestalte van Abedam: “Hoe kan je Mij zoiets vragen, terwijl je toch zelf heel goed weet, waaruit het enige Mij welgevallige offer bestaat; namelijk door Mij allereerst het offer van een berouwvol en met liefde vervuld hart aan te bieden. Daardoor wordt immers ook ieder offer geheiligd. De Vader heeft geen welbehagen in het brandoffer, maar alleen in het levende offer van het hart!”

3. Voorbede

Bekijken we nu een andere vorm van bidden – de voorbede. Dat is een gebed, dat ten gunste van iemand anders is. Je vraagt de Heer, je hemelse Vader, om steun voor een derde en dat uit vrije wil. Vroeger in de tijd van Jezus was het de gewoonte van de priesters van de tempel, op verzoek voor anderen te bidden. Maar deze gebeden moesten duur betaald worden. De rabbi had daarvoor een aantal lange voorgeschreven teksten, die door hem opgelezen werden. Onnodig om te zeggen, dat zoiets waardeloos genoemd moet worden. 

Maar wij hoeven niet zover terug te gaan. Kijk eens naar de katholieke kerk. In de middeleeuwen gingen de paters van deur tot deur, om de mensen wijs te maken, dat ze aan de kerk alleen een behoorlijke gift moesten geven en dan zouden alle zonden door God vergeven zijn. In dat geval beriep de kerk zich op haar ambt als bemiddelaar tussen God en het volk. Dat God niet voor geld te koop is, zou toch voor iedereen duidelijk moeten zijn.

Of een ander voorbeeld. Nu nog worden gebeden aan Maria gericht om haar als tussenpersoon in te schakelen, alsof de situatie van een mens eerst door een persoon aan de hemelse Vader moet worden voorgedragen in wie Hij vertrouwen stelt. Zegt Jezus ons dan niet, dat alle mensen broeders en zusters zijn en Hij alleen de Heer is? Zal Maria echt in staat zijn om méér gedaan te krijgen voor de mens die haar vraagt en zal de hemelse Vader aan haar meer barmhartigheid uitdelen dan aan Zijn andere kinderen, die voor de directe weg kiezen? Dat leert Jezus ons beter. Iedereen mag dus zelf een vraag aan de Vader stellen om voor zichzelf of voor anderen om hulp te bidden; zo´n gebed komt wel te verstaan uit het eigen gevoel van liefde, dus niet via het verzoek door een derde persoon. De Heer geeft Zijn barmhartigheid immers aan iedereen zonder een omweg nodig te hebben.

Het lijkt er vaak op, dat velen denken, dat God de persoonlijke situatie van een mens niet goed inziet en wij aan Hem beter maar een oplossing kunnen voorstellen, die Hem niet bekend is. Henoch zegt tegen de Heer in HH, deel 2 als volgt: “O Abba, als ik in mijn hart voor iemand erbarmen voel, dan erken ik ook, hoe te laat ik met mijn gevoel van erbarmen ben tegenover dat van U. Maar toch mag ik U vragen, dat U de zwakken en blinden (geestelijk blinden is hier bedoeld) aanneemt.”

De Heer in de gestalte van Abedam geeft antwoord aan Henoch: “Als je ziet, dat een broeder of een zuster een zwakte aan zijn lichaam of aan zijn zintuigen heeft, of dat diegene zwak is in zijn liefde of geest en je hebt erbarmen voor hem, dan moet je allereerst in de liefde van je hart naar Mij toe komen en daarna eerst naar hem toe. Dan is jouw erbarmen volkomen.” Abedam vergelijkt het met een wind, die in één richting blaast. Als je dan met de wind meeblaast, dan wordt jouw lucht meegenomen. Anders is het als je probeert tegen de wind in te blazen. Dat kan gewoon niet, want dan wordt je lucht in de mond tegengehouden. Zoals je met de wind meeblaast, zo wordt ook jouw erbarmen door Gods grote stroom van erbarmen meegevoerd, alsof die van jou iets zou betekenen. Op die manier gebruik je Zijn levende liefde in je hart voor de medemens vanuit het inzicht, dat de Heer allang van tevoren wist wat er gedaan moet worden en uit Zijn erbarmen de juiste hulp zal geven. Daarom ook: “Uw  wil geschiede!” 

Eén keer wordt Henoch door Adam en andere aartsvaders gevraagd om naar de Heer te gaan en aan Hem uit te leggen, dat zij om vergeving wilden vragen. Maar Henoch antwoordde terecht: “Menen jullie, dat ik barmhartiger zou zijn dan de hemelse Vader, Hij die de allerhoogste liefde, het allerhoogste erbarmen zelf is? Hij, die vervuld is van zachtmoedigheid en van het opperste geduld? Ga dus daarheen waar liefde, leven en erbarmen te vinden is en wend je nimmer tot mij om voorspraak, maar tot de Heer, wiens oneindige liefde je liet roepen.” 

En Abedam sluit bij de woorden van Henoch aan en zegt: “Of zijn jullie van mening dat Henoch meer liefde heeft dan Ik, waardoor hij Mij eerst zou hebben moeten overhalen om jullie je schuld kwijt te schelden? O jullie dwazen, die toch zelf vaders zijn en je kinderen lief hebben. Zeg me, wanneer heeft ooit een vreemdeling jullie kinderen meer bemind dan jullie zelf, of welke stem wil je eerder horen, die van je kind zelf of die van een onvolmaakte bemiddelaar?”

Als je een vraag aan de hemelse Vader hebt, vraag dan aan Hem zelf en laat het niet door een ander doen! Daar is niets meer aan toe te voegen!

4. Gebed in nood

In een bepaalde situatie heb je misschien de behoefte en de wens om snel en direct met God in verbinding te treden. Dat kan ons overkomen als wij in een dringende noodsituatie zijn. Dat kan uiteenlopende reden hebben. Er is je een zwaar ongeluk overkomen met als gevolg een blijvend lichamelijk letsel of er is een vriend overleden, van wie je bijzonder veel hield, of er ontstaat een algemene toestand van verwarring door oorlog of verwoesting. Jezus liet zijn discipelen meer dan één keer een noodsituatie ervaren, b.v. toen deze met Hem op een boot waren. Hij zelf sliep, wat niet wil zeggen, dat hij als God de situatie niet onder controle had. De storm werd sterker en de golven stegen steeds hoger. De discipelen waren doodsbang en zij zouden toch moeten weten, dat de Schepper van het heelal aan boord was. Zij gingen naar Jezus toe, maakten hem wakker om te vragen, of hij niet een uitweg wist.

Deze situatie is te vergelijken met het levensschip van de mens, waar de goddelijke liefde als een levensvonk aan boord sluimert tot op het moment dat een ongeluk gebeurt en de mensen dan bij Jezus of God hulp zoeken. Zolang het de mensen goed gaat, bekommeren zij zich niet om God. Pas als zij door een materiële bedreiging de dood voor ogen zien, zoeken de mensen in hun innerlijk troost en rust, die van de buitenwereld te krijgen niet mogelijk schijnt. Tot zo´n noodsituatie ons opschrikt, zullen er zeker vele mensen bestaan, die God tot op dat moment negeren, om op een gemakkelijke, zorgeloze manier te kunnen leven. Maar door een verschrikkelijk gebeuren wordt de angst zo groot, dat opeens alles wordt opgezocht wat men in de kindertijd heeft geleerd, om de ziel rust en vrede te geven. En als dan diegene ontdekt, dat in zijn innerlijk hulp gegeven wordt om de uiterlijke, materiele machten te bedwingen, dan komen de zorgen zoals de storm op zee tot rust en de golven van onrust en spanning worden glad. Is het dan zo verrassend, dat de goddelijke vonk in je hart tegen de ziel zegt: “Waarom was je zo angstig, ben ik niet de hele tijd bij jou?”

Dit voorbeeld geeft ook weer aan, dat wij in iedere situatie het vertrouwen in onze hemelse Vader mogen hebben, om in een constante verbinding met Hem de materiele situaties vanuit het juiste perspectief te bekijken en deze van daaruit dan ook te overwinnen.

En heel bijzondere situatie van nood en tegelijkertijd van vertrouwen zal nog besproken worden. Het is het gebed van Gethsemane. Jezus was zich ervan bewust, dat hij binnen enkele uren gevangen genomen zou worden, om zijn laatste en moeilijkste opgave te vervullen. Hij nam drie van zijn discipelen mee, om samen met hem te bidden. Maar hij deed het ook als steun voor zijn definitieve beslissing. De goddelijke geest had zich uit Jezus teruggetrokken om de beslissing helemaal aan de mens Jezus over te laten. Het gebed van Jezus met God, de Vader, was dan ook een schreeuw om hulp. Hij wist, wat voor een buitengewone opgave hem te wachten stond, maar zijn lichaam protesteerde tegen deze pijnlijke dood. Menselijke steun door zijn discipelen kreeg hij niet – zij vielen in slaap. In vertrouwen op de hemelse Vader riep hij: “Vader, neem deze beker van mij weg!” Maar dat gebeurde niet en zo bevestigde Jezus zijn vertrouwen in God toen hij zei: “Vader, niet mijn, maar Uw wil geschiede!” Jezus zelf wilde deze geweldige opgave voor zijn medemensen uitvoeren en zo overwon hij zijn laatste twijfels in het gebed. Zijn liefde en zijn vertrouwen in de hemelse Vader gaven de doorslag! Een sterker voorbeeld van een juist gebed kunnen wij nergens anders vinden. 

5. Berouw en overgave

Het zal iedereen wel eens overkomen, dat hij op een gegeven moment een lieve vriend verliest en daardoor verdriet en rouw ondervindt. Maar dat hoeft niet altijd alleen bij het verlies van een vriend te zijn, ook het erkennen van eigen fouten behoort daartoe. In deel 1 van de HH komen wij Kisehel tegen, die een bijzonder wijze man is. Hij ontmoet Abedam en beseft niet, dat hij tegenover de hemelse Vader staat. Hij spreekt met Hem, maar wel erg aanmatigend. Maar dan komt bij hem opeens toch het juiste inzicht en hij spreekt tegen zichzelf vol berouw: “Ik zou wel uit elkaar kunnen barsten van liefde. Waarlijk, als ik niet op zo’n onbesuisde manier diep was gevallen, zou geen vuur mij tegenhouden. Maar mijn schuld, mijn grote schuld voor Hem, de Almachtige, maakt mijn voeten als verlamd. Mijn ziel beeft. Degene die ik boven alles bemin, Hem vrees ik nu ook boven alles! Ik vrees niet zijn macht, maar ik vrees, dat ik Hem te weinig lief heb! Waarom bestaat niet mijn hele lichaam uit liefde? Ik, de grootste, meest onwaardige zondaar zal bij Hem terugkomen?! Oh, wat een ontzettende gedachte! Ik, een zondaar voor God, – o heilige Vader, U bent immers veel te goed en zult mij arme zondaar toch niet zo zwaar willen straffen?” 

En zijn berouw is bijzonder groot, omdat zijn liefde tot de hemelse Vader ook uitermate groot is. Dan gaat Abedam naar de op de grond liggende Kisehel, raakt zijn schouder aan en zegt: “Ik, Abedam Jehova, de Eeuwige, Ik, je goede heilige Vader, ben zelf tot je gekomen om je overeind te helpen! Sta daarom zonder vrees op; want zie, ik heb voor eeuwig jouw zonden weggenomen omdat je Mij zo met de liefde van je hart hebt opgenomen! Ik zeg je, wees en blijf standvastig en laat alle vrees voor eeuwig uit je verbannen zijn. Want wat je vanaf nu zult gaan doen, dat zul je doen in Mijn naam en in Mijn liefde!”

Als wij in de tijd van nu zo`n reactie van berouw op een vermeende kleine overtreding zouden meemaken, dan zouden de meeste mensen dat belachelijk vinden. Is dat dan niet een duidelijk teken, hoe zwak onze liefde voor God heden ten dage is? 

Interessant is ook de vraag aan Abedam, die wij in deel 3 van de HH vinden. Daar vraagt iemand, of God ook door de mens kan beledigd worden. En het antwoord is: “Ik kan door jullie wel beledigd worden, maar dan ligt het in jullie handen om jullie schuld in te zien en weer tot Mij terug te keren, want Ik ben beter dan jullie mensen, omdat Ik ieder verdwaalde weer op de juiste weg zal brengen en dan ook zal opnemen als hij bij Mij terug wil komen.”

Ook hier wordt ons duidelijk voor ogen gesteld, dat wij God als onze hemelse Vader moeten erkennen en ons aan Hem mogen en moeten overgeven. In deze overgave ligt onze deemoed. Maar het is nog veel meer: want de liefde tot de Vader laat ons vanzelfsprekend ook zijn wil aannemen en als onze eigen wil uitvoeren.

6. Wie zullen wij aanbidden?

In de Huishouding van God en ook in het GJE wordt ons verteld, wie wij eigenlijk moeten aanbidden. Het gaat bij het ware bidden echt niet om het kiezen van mooie woorden, maar wel om het begrijpen aan wie ons gebed moet worden gericht. De meeste mensen zullen dan wel zeggen, dat is toch God! Maar – en dat is zeer belangrijk – God is in zich verschillend. Voorstel: God heeft verschillende gedaanten. Het makkelijkst is het, als wij het gebed bekijken, dat ons door Jezus gegeven is: “Onze Vader in de hemel”. Hij zegt ons, dat wij in de godheid de Vader moeten aanspreken en niet de Heer of de Schepper. Wij zullen nu zien, dat daar wel een verschil in zit.

In de HH, deel 1, lezen wij, dat Abedam (dat is de hemelse Vader door een engel) na een lofprijzing door de aartsvaders zegt: “Amen zeg ook ik. Amen volgens de liefde van jullie harten. En ik zeg eeuwig nooit amen dan alleen in de zuivere liefde! Je moet niet bidden tot God, die heilig, heilig is, maar alleen in de liefde tot de Vader, want voor God zijn alle mensen een gruwel, – alleen voor de Vader zijn ze kinderen. Wie God zoekt, die zal zijn leven verliezen, want God laat zich niet aanraken, omdat Hij heilig is. God is een eeuwig, allerzuiverst, maar ook het meest hevige vuur. En als de Vader het niet zou verzachten, dan zou het meteen alles verwoesten. Daarom moet iedereen God boven alles vrezen en de Vader boven alles liefhebben.” Wij begrijpen wel, dat Abedam met de benaming “God” de godheid als Schepper en Heer bedoelde. Als Schepper is God almachtig en wij zijn de onmachtige schepsels. Als Heer is God de gebieder van al zijn werken en wij blijven de schepselen. Dat komt ook in het volgende tot uiting:

“Wie dus de Vader aanraakt met zijn liefde, raakt ook God (als schepper) aan. Maar wie met zijn wijsheid alleen de Godheid wil aanraken, die wordt door het vuur vernietigd. Weet, waar de Vader is, daar is ook God, maar alleen de Vader openbaart zich aan de kinderen. God kan zich echter aan niemand openbaren, dan alleen door de Vader. Wie de Vader hoort, ziet en bemint, die bemint ook God. Laat je daarom altijd leiden door de liefde van de Vader.”

Om het nog iets te verdiepen, gaan wij nog deel 2 van de HH lezen. Daar maakt Abedam  ons duidelijk: “Wie roept Heer, Heer, God van alle gerechtigheid, God van de genade en liefde, die zal Ik het leven niet wegnemen, maar het zal voor hem zeer moeilijk worden om de plaats van de hoogste zalige vrijheid te bereiken. Want God in zijn heiligheid kan je niet omvatten, maar dit kan je alleen doen bij de Vader, die door Zijn liefde alles voor zijn kinderen in zich heeft. Het leven (dat de mensen hebben) komt vanuit de Vader en de Heer is de oneindige macht van de Vader.”

Wie dat voor de eerste keer hoort, vindt dat misschien verwonderlijk. Maar lees eens met deze kennis het “Onze Vader”, dan zal je opmerken, dat wij steeds de Vader aanspreken, ook als van Zijn heiligheid en Zijn wil sprake is. Hoe meer wij begrijpen dat de Godheid onze Vader is, des te meer wordt ons duidelijk, dat wij mensen in een bijzonder bevoorrechte situatie verkeren, namelijk dat wij Zijn goddelijke kinderen zijn.

7. Zin van het gebed

Wij zijn zojuist tot het inzicht gekomen, tot wie wij moeten bidden. Dan komt vanzelf nog de vraag naar voren, waarom wij moeten bidden en wat daarvan de bedoeling is: een gebed is smeken om hulp bij iemand die machtiger is dan jezelf, omdat je eigen krachten niet toereikend zijn. Als je nu via een derde persoon aan deze machtige vraagt om je te helpen, dan doe je dat toch, omdat je vermoedt, dat deze derde persoon een betere verhouding met de machtige heeft dan jezelf. Met andere woorden: Je wilt wel hulp van de machtige Heer hebben, maar zelf heb je niet genoeg kennis van hem en ook niet genoeg vertrouwen om hem direct te vragen. 

Als nu de hemelse Vader deze machtige is, dan moet je weten, dat Hij jouw vraag al lang van te voren kent en eigenlijk jouw vraag niet nodig heeft. Hij zal alle mensen op een optimale wijze verzorgen, ook zonder gebed. De reden, waarom wij dan toch moeten bidden is de opbouw en het versterken van ons eigen vertrouwen in de Vader. Jezus zei tegen zijn discipelen: “Wat jullie in mijn naam bidden, zal jullie door de Vader gegeven worden.”  Dat sprak Jezus tegen zijn discipelen en dat was nodig, omdat zij in hem – in de zichtbare mens – vertrouwen hadden en er na zijn verrijzenis aan moesten wennen, dat hij opeens onzichtbaar zou worden.

Bedenk ook hoe groot de vreugde van te voren is, als je om iets bidt en je weet, dat jouw wens in vervulling zal gaan. Groeit dan niet ook de liefde tot hem, die je wens vervult? Dan wordt toch duidelijk en je weet het ook zeker, dat je als mens niet voor de goddelijke rechter moet staan, voor wie je bang bent, maar je kijkt met liefde en vertrouwen als een zwak kind naar je machtige beschermer, je hemelse Vader.

En nog iets: het verzoek aan de Vader zal ons boven het wereldse verheffen en ons in het geestelijke gebied voeren. Om dat te bereiken, worden wij door onze beschermengelen onderwezen, namelijk dat de hemelse Vader ons graag geeft wat ons geestelijk ontbreekt. 

Jezus zegt tegen ons: “Mijn rijk is niet van deze wereld.” Daarin drukt Hij uit, dat wij om alles mogen bidden als het maar om het geestelijke welzijn gaat. Dat is van groot belang voor ons eeuwig bestaan. Materiele dingen, zoals geld, gezondheid van het lichaam of een goedlopende winkel, die wij hier op aarde willen hebben, storen in de meeste gevallen de geestelijke ontwikkeling. God denkt als Vader aan zijn kinderen en wenst hen zaligheden in het toekomstige geestelijke leven. Of zou Hij onze materiele wensen vervullen en zien, hoe wij ons juist door deze materiele geschenken van Hem afkeren? Hij vraagt juist vertrouwen van ons, om Zijn steeds liefdevolle gaven, die ons dichter bij het ware leven brengen, aan te nemen. Hij laat zelfs noodsituaties en ziektes toe – Hij stuurt ze niet – als het de mensen maar op de juiste weg brengt. Daarom moeten wij leren voorrang te geven aan de geestelijke opvoeding in plaats van aan het wereldse schijnleven.

8. Het ware bidden

Aan het begin van deze lezing was er sprake van, dat het bij het bidden niet om de juiste woorden gaat, want deze staan direct in verband met de wijsheid die zich niet tot de liefde van de Vader richt maar tot de Heer. Als je echter met je hart uitdrukt wat je voelt, komt je gebed uit jouw liefde en dan ben je een kind en je spreekt met je Vader. Jezus zegt: “Als jullie Mij iets vragen, gebruik dan niet veel woorden en geen ceremonie, maar bid heel stil in het geheime liefdeskamertje van je hart. Dan zal jouw gebed verhoord worden als dat in alle ernst is bedoeld – maar het moet niet alleen met de mond worden uitgesproken, maar moet waarachtig en levend uit je hart komen! God is in zichzelf een zuiverste geest en moet dan ook in de geest en de volle en ernstige waarheid daarvan aanbeden worden.”

Jarah, het jonge meisje, dat wij in het GJE tegenkomen, drukt het uitstekend uit: “Ik verplaats me met al mijn gedachten en gevoelens in het diepst van mijn hart, waar Gods liefde woont. Daardoor wordt deze heilige liefde net zo gevoed als wanneer men op een zwakke vuurgloed, die niet meer vlamt, dor en licht brandbaar hout legt.”

Belangrijk is, dat alle gedachten en gevoelens op de Vader in het goddelijke centrum van je hart gericht moeten zijn, alleen dan is er een ware verbinding met God. Wie God echter met het verstand zoekt, die heeft een tevergeefs werk op zich genomen, waarmee hij nooit op deze wereld bij het gewenste doel zal aankomen. Jezus gaat nog verder en legt ons uit, dat wij aan iedereen, die het nodig heeft, hulp zullen geven. Deze levende werken en daden aan medemensen, die vanuit liefde in zijn naam gedaan worden, zijn waarachtige gebeden, die altijd en zonder twijfel verhoord zullen worden. 

Met ´bidden´ verbinden wij toch de wens, en dat tenminste indirect, om de hemelse Vader daadwerkelijk te vinden. En daarbij mogen wij eraan denken, dat de profeet Elias erop gewezen wordt, dat God als storm de machtige wil toont, als vuur is het Zijn kracht en uiteindelijk is Hij als Vader zelf in het zachte waaien van de wind. Als wij Hem in zijn zachtheid, dat is Zijn liefde, gevonden hebben, dan is het gelukkig heel erg moeilijk Hem weer te verliezen, want zijn liefde houdt ons voor eeuwig vast. 

9  Lof en Dank

In het volgende onderdeel spreken wij over lof en dank, omdat het niet alleen om het bidden gaat, maar – en dat is vanzelfsprekend – ook om dank. Een bijzonder voorbeeld geeft ons Lamech. Van kinds af aan heeft hij een sterke band van liefde met God. En nu zal hij met Ghemela trouwen. Hij maakt zich zorgen over zijn liefde tot God, die hij nu opeens met de liefde voor een vrouw zal delen. Mag dat of zal hij liever afstand nemen van Ghemela? Hij doet het juiste, namelijk te rade gaan bij zijn vertrouwenspersoon, zijn hemelse Vader, en hij vraagt hem om uitleg. Door zijn liefde begint hij zijn gebed met lof en een diepe dankrede. Zo´n vertrouwen kan dan ook niet onbeantwoord blijven. Hij begrijpt uit het antwoord, dat het niet storend is om de liefdevolle Ghemela te trouwen en dat het voor beiden zelfs een verdere groei in de liefde tot God zal bevorderen. Luisteren we even naar wat Lamech o.a. tegen God gezegd heeft: “O Abba Abedam! U ziet mijn hart al sinds eeuwigheden en dat het van niets anders spreekt dan alleen van Uw eindeloze wonderwerken. Al de aartsvaders waren getuigen van mijn blijdschap in Uw naam. Ik had nooit iets anders in mijn hart dan U, daarom lijkt het mij verschrikkelijk, om mijn liefde voor U met iemand anders te moeten delen. O Abba, voor U al mijn liefde, dank en lof dat ik nu mocht inzien, dat door mijn liefde voor Ghemela mijn liefde tot U niet alleen niet gedeeld wordt maar zelfs nog door haar liefde zal groeien. Ik zie nu in, dat het Uw vaderliefde en genade was.” 

Maar wij kunnen ook het dankgebed van Henoch bewonderen, die God voor het leven zelf dankt. “O Abedam, Uw heiligste God en Vader! De zaligheid van het leven is groot, wanneer de Heilige in ons zijn vrije leven uitoefent. Maar wie wil dan nog zijn eigen leven hebben, dat in alle vezels donker is en een ondraaglijke last is? Want iets dat groter is dan het leven bestaat niet. Waartoe moet de zon dienen als buiten Hem geen leven zou zijn, dat haar heerlijke stralen kan genieten? Daarom wees blij, oneindigheid van het leven, zoals ik nu blij ben.”

In beide gevallen zien wij de grote liefde voor God, die de basis vormt voor hun dank en lof. De Heer, in de gestalte van Abedam, aan wie de gebeden gericht waren, bevestigt deze vorm van dankgebed en zegt: “Als een mens een grote genade van de Vader ontvangt, dan dankt hij als een grote schuldenaar in zijn hart door een steeds heviger wordende liefde en hij blijft in deze zuiverste en ware dankbaarheid. Ik heb altijd ervaren, dat diegenen van mijn kinderen, die mij door hun mond haast voor elk woord gedankt hebben, in hun harten de minst dankbare kinderen waren. Daarom geldt ook voor God, die alleen op het hart ziet, dat de blijvende dank in het hart eindeloos meer waarde heeft dan een vergankelijk, uitgesproken dankwoord.” 

10. Gesprek met God

God hebben wij nu als Vader leren kennen. Is het dan mogelijk zich voor te stellen, dat een gesprek tussen Hem en ons kan plaatsvinden zoals tussen menselijke ouders en hun kinderen? Groeit dan niet het vertrouwen tussen de ouders en het kind als het kind moeite doet om meer van het leven en handelen van zijn ouders te begrijpen? Heeft ook Jezus soms niet zijn werk en zijn opgave altijd aan zijn discipelen uitgelegd, om hen ervan te overtuigen, dat ze vertrouwen in hem mochten hebben? Dat was des te belangrijker, omdat hij wist, dat hij op een gegeven moment onzichtbaar zou zijn en zij desondanks door moesten gaan met hem te vragen. In het GJE staat, dat mensen, die door Jezus onderwezen werden, zich erover verwonderden, dat zijn discipelen haast nooit vragen aan hem stelden, tot Jezus hen verklaarde, dat zijn discipelen hun vragen in hun harten stelden en daar ook altijd het antwoord vonden. 

Mogen wij dan nu niet hetzelfde doen, namelijk in ons hart gewoon een vraag stellen en op antwoord wachten? Dat is veel meer dan alleen maar te bidden en in onzekerheid te blijven of daarop een reactie zal komen, of na het gebed gewoon doorgaan met het vervullen van onze materiele wensen! 

In het hart leeft door de aanwezigheid van de geest niet alleen de liefde maar ook de wijsheid, die veel hoger is dan het weten vanuit het verstand ooit zal kunnen bezitten. De wijsheid komt van God en overziet de situaties vanuit een hoge positie. Daartegenover is het verstandelijke weten opgebouwd uit belevenissen in het aardse leven, en dat zijn toch allemaal materiele gebeurtenissen. Hoe kunnen wij daarin een hoger inzicht vinden?

Als wij deze verschillen op ons laten inwerken, dan krijgen wij er begrip voor. De wijsheid in het hart wordt voor ons toegankelijk als wij het vertrouwen in de hemelse Vader bewust versterken en door het bidden tot een gesprek met Hem komen! Maar zeg dan niet, dat dit alleen voor enkelingen weggelegd is. Dat is niet zo! Jezus leert ons, dat de godsvonk in ieder mens is en daarmee heb je alles voor een gesprek met Hem. Maar je moet het willen doen en uitvoeren! De gegeven antwoorden in je kun je aanvoelen of als gedachten plotseling waarnemen of ook echt horen of opschrijven. Het “hoe” maakt uiteindelijk niets uit, omdat ieder mens verschillend is en daarom ook niet op dezelfde wijze benaderd kan worden.

Hoe Jezus in ieder mens spreekt en leert, is afhankelijk van het karakter en de toestand van diens ziel. Het gaat er alleen om, de ziel naar haar doel te leiden en dat is moeilijk genoeg. Een ziel moet inzien, dat de materiele wensen zeker niet voor een geestelijke groei van toepassing zijn en daarom voor het geestelijke eeuwige leven niets helpen. Dat inzicht wil Jezus ons bijbrengen en de mens moet dat begrijpen en met zijn vrije wil aannemen. Het gesprek tussen de hemelse Vader en het menselijke kind gaat dan ook haast altijd over het geestelijke groeiproces. Is de mens door het aannemen en gehoorzamen op de goede weg gekomen, dan wordt het uiterlijke leven ook ondersteund, wat je bewust waarneemt en dat sterkt weer je vertrouwen en jouw liefde tot God. Dit gebeurt voor iedereen die het wil en zich daarvoor openstelt.

11. Geestelijke mededelingen

Er bestaan vele mededelingen vanuit de geestenwereld en dan spreken wij niet over een tafeldans bij een séance, maar wel over de leiding door een beschermengel. Maar de geestenwereld spreekt op een andere manier dan wij in onze natuurlijke wereld. In de Himmelsgaben, deel 3, kunnen wij hierover iets lezen. Onze beschermengel codeert zijn mededelingen aan ons in een afbeelding, die wij door middel van een zogenaamd overeenkomstig begrip kunnen ontcijferen. Vaak komen wij dat door een spontaan optredend gevoel te weten of  krijgen wij de mededeling in een droom.

Een simpel voorbeeld: Iemand droomt, dat hij zich in een grote stad bevindt, maar deze helemaal niet kent. Hij loopt door straten en steegjes en wandelt daar doelloos rond. Door dat vergeefse zoeken wordt zijn ziel angstig. Nu probeert de ziel het verstand wakker te maken om nooit meer in deze vervelende droom terug te hoeven keren. Wat is het, dat onze beschermengel daarmee wil zeggen? Ons gemoed bekijkt deze droom in elk geval met afschuw en ook angstig, wat betekent, dat het gemoed deze verwarrende toestand en het beperkende levensgevoel verafschuwt. De engel wil onze ziel het volgende duidelijk maken: “In het gedrang van de wereld en haar verwarrende straten en steegjes zul je jouw tehuis en de vrede daarin niet vinden!” En ook: “Vlucht voor de wereld en zoek alleen dat, wat bij de geest hoort!”

Als wij de nodige aandacht gaan geven aan deze mededelingen en proberen deze ook te ontcijferen en te begrijpen, dan kunnen wij ook beginnen te spreken met de geestenwereld in haar zuivere gedaante. Onze vragen zullen in de vorm van de overeenkomstige taal beantwoordt worden. Met een beetje oefening zal het niet te zwaar vallen deze engelentaal te verstaan.

In een ander voorbeeld zien we een man, die zich opgejaagd en onbehagelijk voelt als iemand achter hem aan loopt. Angst en ergernis wellen in hem op. Wat is daarin de overeenkomst? Toch zeker datgene, wat hem helpt, wat hem bescherming biet en zijn gemoed geruststelt. Het oordeel van het uiterlijke verstand zal zeggen: ´ga eerst naar een zekere plaats, waar je niet in je rug kunt worden aangevallen en je het gevaar tegemoet kunt treden.` En het zegt ook: ´vertrouw niet de kleine en stiekeme vijanden in je rug, ook al zijn ze nog zo onbeduidend. Het is veel beter, dat je oog in oog staat met tien openlijke vijanden.`

Deze gegeven voorbeelden behoren tot het begin van de overeenkomstige mededelingen. Daarna komen hogere stappen enzovoort. Maar wij worden steeds geleid om ook de moeilijkere mededelingen te kunnen begrijpen.

12. Het onophoudelijke gebed

Het is al duidelijk, dat een intens gebed vanuit het hart moet komen en dat prachtig uitgesproken woorden, die uit het verstand komen, zinloos zijn. Daarover zou nog veel gezegd kunnen worden. Omdat het zo belangrijk is, wat in het hart gebeurt en wat daar verandert, gaan we wel daarop in.

De weg naar het voortdurende gebed, dat in het hart plaats vindt, gaat in stapjes: het woordgebed, het oplettende en begrijpende gebed, het innig liefdevolle gebed van het gemoed en uiteindelijk het onophoudelijke, het voortdurende gebed van het hart. Bij elke stap groeit de gemeenschap met Jezus Christus. Geestelijke opwellingen komen te voorschijn, zoals eerbied, pijnlijke inzichten over jezelf, het ervaren van vergevende liefde door God. Daarentegen voel je ook de zelfzucht, die bestreden moet worden. Op die manier wordt het innerlijk van de mens gezuiverd en ervaart hij inzicht vanuit het hart.

Het verstand volgt altijd de belangstelling van de mens en die moet nu op het hart gericht worden en zich met dank en gebed tot Jezus richten. Met andere woorden: je moet vanuit het hoofd naar het hart gaan. Zijn jouw gedachten nog in je hoofd, dan komen je gedachten nooit tot rust en Jezus kan daar niet aanwezig zijn. Ga je naar beneden in je hart, dan stoppen de wilde en onrustige hersenschimmen. Dus is je hart jouw veilige toevluchtsoord. In je hart is het leven – daar moet je ook blijven.

Als we van de gevoelens in het hart spreken, dan gebeurt dat aan de bovenkant van het hart. Er stroomt een warmte door, die je sterk kan ontroeren.

Het eerste middel om je verstand naar het hart te leiden, is het meevoelen van de inhoud van jouw gebed. Daarna is het belangrijk die gevoelens op te volgen, die jouw bewustzijn en jouw hart waardevol vinden. 

Je weet, waar het hart zit. Richt daarop je aandacht, en je verstand zal dan ook daar naartoe gaan en in je hart zijn. Verwarm ieder keer één gevoel voor God – zoals liefde, pijnlijke ontsteltenis, deemoed voor Zijn heilige wil. Dat geeft ons de constante verbinding met onze geest, die een gewetenskracht heeft. De geest maakt dan ook het verschil uit tussen mens en dier. Een dier heeft ook wensen, verlangens, woede. Maar door het geweten geeft de geest ons het bewustzijn om onze daden te beoordelen, er berouw over te hebben en ze vervolgens te veranderen. Dat kan het dier niet.

De vereniging van hart en verstand is de eenwording van geestelijke gedachten met de geestelijke gevoelens vanuit het hart. In deze toestand wil het verstand niet meer buiten en zonder het hart reageren. De geest in het hart geeft licht en overziet alles wat je denkt, spreekt en doet. Het verstand accepteert wat het hart voorstelt. 

Nu kun je zeggen, dat deze mens onophoudelijk bidt. Dat moet het doel van allen zijn.

13. Terugblik

Als wij alles samenvatten wat wij nu besproken hebben, dan beseffen wij, dat een gebed voor ons mensen noodzakelijk is, omdat wij gebreken hebben en steeds weer nieuwe tegenkomen, die wij zelf niet kunnen oplossen, maar wel bij Jezus om een oplossing kunnen vragen of gewoon met de hemelse Vader uit overvloeiende liefde kunnen spreken.

Dat eerste is beslist vaker het geval en dat is ook absoluut normaal in ons voorbereidend leven op aarde. Deze voorbereiding is op het geestelijke leven gericht en door het ontwaken van een noodzakelijk innerlijk groeiproces worden wij er in ons hart van bewust, dat uiterlijke verlangens niet op hun plaats zijn. Daarom komt in ons ook het verlangen op naar verandering en gewenste verbeteringen.

Het kan ook zijn, dat iemand op den duur heel sterk ontwikkeld is en alleen nog dankt. Zo iemand heeft in zichzelf het volledige vertrouwen in de leiding door de heilige Vader gevonden en blijft dankbaar en blij, wat ook de dag brengt. Het gevoel alles te hebben overweegt. Wat heeft deze persoon? Hij heeft de volledige liefde voor en van de Vader gevonden, die de ziel doet beseffen dat ze volledig verzorgd is. Omdat de ziel het inzicht van haar geest en van de goddelijke geest overgenomen heeft, is ook diens verstand tot geestelijk inzicht veranderd en werkt daarom ook niet meer in strijd met de geest bij eventueel opkomende materiele wensen. 

In deel 2 van de HH staat: “Waarlijk, er bestaat niets dat groter is dan Mijn kinderen. Wie daarom het kindschap Gods heeft, die heeft meer dan alle hemelen kunnen vatten!” 

________________________________________________________________

“De Wederkomst van Christus”

Tekst van de lezing op 13 mei 2004 

voor Stichting Lorberlezingen

___________________________________________________________________________

1. Waarom een wederkomst?

Dit onderwerp zou bijzonder actueel moeten zijn en het zou in deze tijd iedereen moeten interesseren, omdat de in de bijbel voorspelde eindtijd al begonnen is. Het is de tijd die aan de wederkomst van Jezus Christus voorafgaat. Deze eindtijd hoeft niet als een schrikbeeld te worden beschouwd, maar wel als een wonderbaarlijke genadegave van de Heer, die het ons mensen mogelijk maakt om ons uit de zuigkracht van de dood te bevrijden.

Velen zouden nu kunnen vragen: waarvan zullen wij dan eigenlijk worden bevrijd? Wij ontdekken toch steeds meer. Onze wetenschappers werken op alle gebieden met succes en zelfs het kunstmatige klonen zal binnenkort mogelijk zijn!

Degenen, die op die manier argumenten naar voren brengen, hebben echter vergeten, dat het leven in ons materiële lichaam niet als doel op zich gegeven is. Er bestaat geen leven, dat op aarde begint en ook daar eindigt. Wil iemand de waarheid verloochenen, die toch voor iedereen b.v. door de bijbel toegankelijk is, dan sluit hij weliswaar zijn innerlijk af voor de belangrijkste bron die wij hebben; deze geeft ons het inzicht in de werkelijkheid, het inzicht over de ware betekenis van het leven op de aarde en over het daarop volgende leven in het geestelijke rijk. Het is ook haast noodlottig om te wachten tot je overlijdt, om dan te zien wat er zal gebeuren. Juist daarom leven wij op aarde, om het oerkwade in ons te verminderen en te veranderen. Deze oerboze eigenschappen zitten vooral in ons materiële lichaam, maar ook gedeeltelijk in de ziel. De ziel, die het centrum van de mens is, moet worden gezuiverd. Dat is onze opgave in het leven! Niets meer! Daarvoor hebben wij de geest – niet te verwarren met het verstand – die onze ziel vertelt wat juist en wat verkeerd is. Ook onze beschermengelen en Jezus Zelf geven ons aanwijzingen over de juiste weg. Deze aanwijzingen worden ons op een liefdevolle manier in onze ziel gelegd. Maar nu ligt het aan de mens zelf om deze aan te nemen of terzijde te schuiven. Ieder mens mag zijn vrijheid t.a.v. de eigen beslissingen behouden. Niemand wordt gedwongen de geestelijke aanwijzingen te volgen. Alleen daardoor leren wij en kunnen uiteindelijk datgene worden, waartoe wij zijn voorbestemd: een Godskind te worden door onze eigen vrije wil. 

Maar juist in de vrijheid van de beslissing, in de vrijheid te doen en te laten wat je wilt, ligt het gevaar van uitglijden. Velen zien alleen het uiterlijke vermaak in het dagelijkse leven.

Door de uitvinding van de communicatiesystemen en daarvan vooral de televisie en het internet worden de mensen zo sterk beïnvloed en tot consumptie geprikkeld, dat menigeen, die niet meedoet, zich achtergesteld en alleen gelaten voelt. Deze machtige beïnvloeding, die de mens allerlei soorten vermaak als een na te streven waarde voorspiegelt, had tot gevolg dat velen in hun leven plezier en afleiding najagen. Daardoor wordt het ware zijn, de ware opgave, niet alleen weggeduwd, maar deze raakt zelfs volkomen in de vergetelheid.

Deze toestand, die in onze dagen bijzonder erg is, wordt door God, onze hemelse Vader, niet goedgekeurd. Uiteindelijk heeft Hij de mensen voor een eeuwig leven in Hem en met Hem geschapen, maar niet opdat de mens zijn goddelijk leven weggooit en dat ook nog, voordat het echt zal beginnen! Hijzelf heeft in Jezus Christus op aarde de overgang naar het eeuwige leven voorbereid, zodat nu alle mensen de oerzonde hebben overwonnen en Zijn weg kunnen navolgen. Het blijft echter zo, dat ieder mens de waarheid van het leven op basis van Jezus´ overwinning door eigen vrije beslissing moet aannemen en toepassen. Daarvoor staat ons veel hulp tot onze beschikking.

Uit liefde voor de mensen – en dat moet ons echt duidelijk zijn – heeft God zijn leven helemaal aan ons mensen gewijd – dus uit liefde voor de mens zet God zijn genade in, om de levensbasis van de mens te vernieuwen, opdat de wil tot het geestelijke inzicht in ons overwint. Dat zal in het toekomstige vrederijk gerealiseerd zijn.

2. De toestand van de hedendaagse generatie

Nadat wij eerst de algemene situatie bekeken hebben, willen we nu iets dieper ingaan op het doen en laten van de mens. Het uitgangspunt blijft God als de schepper, die met het scheppen van de mens ook diens geestelijke eigenschappen bepaald heeft. Daarom is het ook niet moeilijk om in te zien, dat deze eigenschappen van Hem zelf zijn, want Hij is het uitgangspunt van al het leven.

Ons leven op aarde, dat in de materie plaats vindt, heeft deze goddelijke eigenschappen totaal naar de achtergrond geduwd. Het begon al met Adam en Eva, die het gebod tot gehoorzaamheid niet opvolgden. Wij mensen slaan vrijwel nooit acht op het feit, dat wij juist hier dat ontwikkelingsleven hebben om deze goddelijke eigenschappen in ons weer tot leven te wekken. 

In de brief van Paulus aan de Romeinen lezen wij in hoofdstuk 8: “Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de geest is leven en vrede. Daarom is de gezindheid van het vlees vijandig tegenover God.”

Jezus is ons 2000 jaren geleden voorgegaan hoe wij ons leven moeten regelen om goed voorbereid te zijn voor de overgang naar het geestelijke rijk en vandaar naar de hemel. Ook al leeft een kleine minderheid volgens de regels, dan mogen wij toch niet over het hoofd zien, dat in de tussentijd tot heden de mensheid steeds meer afstand heeft genomen van Jezus en Zijn belangrijke aanwijzingen voor het leven. Het gaat zeker niet te ver, als je van een chaotisch en kwaadaardig leven spreekt.

Laat ons deze hedendaagse toestand iets intensiever bekijken aan de hand van voorbeelden:

 -Politiek: de partijen strijden niet alleen vóór een verkiezing tegen elkaar, maar doen het constant. Zij werken meer aan het beschadigen van leden van andere partijen dan aan het overbrengen van positieve richtlijnen van de eigen politiek aan de bevolking. Ook vertragen de oppositiepartijen met alle middelen nieuwe plannen van de regering, zelfs als deze goed zijn en dat gebeurt vaak genoeg ten nadele van de bevolking. Maar dat wordt gedaan om zo de eigen heerszucht te bevredigen. Heerszucht en hoogmoed zijn geen goede raadgevers bij de leiding van een volk. 

-Bedrijfsleven, industrie en banken: wie tegenwoordig in één van deze branches werkt, weet dat de strijd op de werkplaats erg grof is en vaak niet met faire middelen wordt uitgevochten. Eén van de redenen hiervoor is b.v. de ontwikkeling van machines. Eerst wordt er alles aan gedaan om computergestuurde automaten te ontwikkelen die ervoor zorgen dat veel werkkrachten kunnen worden bezuinigd. Later zijn dezelfde mensen erover verbaasd, dat ze opeens zelf worden ontslagen. Zoiets kan de naastenliefde, die toch ook op de werkplaats zou moeten worden uitgeoefend, niet bevorderen. Het bestuur denkt alleen aan de winst. Daarvoor wordt soms de concurrentie opgekocht. Als je daardoor weer te veel werkkrachten hebt, is dat geen probleem, omdat je weer een aantal kunt ontslaan. De zucht naar geld is als een reus. Denk eens aan een Duitse onderneming, waar het bestuur door het afstaan van een eigen product aan een andere onderneming een premie van tot wel 30 miljoen Euro in eigen zak liet verdwijnen. Werknemers werden ontslagen, maar de eigen kas is in orde. 

-Sport: in veel takken van sport wordt aan doping gedaan, met het doel om op het erepodium te komen. De heerszucht, het gevoel van macht en het egoïsme kennen geen grenzen, ook niet door het gevaar, het eigen lichaam te beschadigen. En wat moet je denken van hele teams, die huilen al ze verliezen maar ook weer huilen als ze winnen? Dat is egoïsme in de hoogste vorm! Begrip voor de medesporter of zelfs naastenliefde zijn voor hen vreemde woorden. Denk ook aan de geldpremies, die echt waanzinnige hoogten bereiken. Vele sporters komen niet eens meer aan de start zonder een startpremie te krijgen.

-Familie: Maar niet alleen buiten de familie vindt dat kwaadaardige leven plaats; het gebeurt ook binnen de familie. De door de natuur gegeven plichten en taken wil niemand meer uitvoeren. De baby’s worden in een crèche ondergebracht om het eigen egoïsme te kunnen botvieren. Dat wordt dan een carrière genoemd. Men sluit de ogen voor het feit, dat het eigen kind – als je überhaupt nog een kind wilt hebben – zonder liefde zal en moet opgroeien. Hoe zal het kind leren, dat God de hemelse Vader is? In plaats daarvan leert het des te sneller om zich te verdedigen en door te zetten, het egoïsme te vestigen en dat gebeurt zeker niet met christelijke middelen!

Deze voorbeelden zullen genoeg zijn om je te realiseren, dat deze wijze van handelen al zo gewoon geworden is, dat je niet eens meer opmerkt hoe fout je het leven aanpakt. Dan hebben we het nog niet eens over drugs, pornografie en euthanasie. Paulus heeft gelijk als hij zegt, dat deze manier van leven tot de dood leidt.

3. Verandering

In het derde hoofdstuk van Jesaja staat: “Voorwaar, zie, de Here neemt steun van brood en steun van water uit Jeruzalem en Juda weg!” Deze uitspraak is helemaal bedoeld voor ons en ook voor onze tijd, want met Juda worden de christenen als familie van Israël bedoeld. Het brood, waarover de Heer spreekt, is de liefde en het erbarmen van God voor zijn mensen, en het water is de wijsheid, waarmee God het erbarmen toepast, dus voor ons zorgt. Het wegnemen van brood en water, van het zo dringend benodigde erbarmen, zal grote gevolgen hebben. Het wegnemen van deze voorraad wil zeggen, dat God ons zijn erbarmen altijd in overvloed heeft gegeven, maar de mensen verachten het. Zij interesseren zich niet voor de goddelijke liefde! Zij hebben alleen interesse voor het uiterlijk zichtbare, voor plezier, lust en afleiding, maar dat is geestelijk gezien vuil en heeft de dood tot gevolg. Liefde en erbarmen worden door grofheid, egoïsme en heerszucht vervangen en de wijsheid door verstandelijk denken. 

God zal natuurlijk altijd liefdevol en barmhartig blijven, maar wie iets ervan wil krijgen, die moet vanaf nu naar Hem toe komen en erom vragen, erom bidden. Dat vraagt op zijn beurt om van Hem te houden. Hij laat toe, dat de mensen van het aangereikte brood en het water afstand mogen nemen. Vergeet niet, dat de mens zijn vrijheid van doen en laten moet behouden. Iedereen heeft door het geweten de juiste kennis in zich. Onze eigenwijze manier van handelen heeft ons zo diep laten zinken, heeft ons in zo’n diepe duisternis geplaatst, dat wij Zijn licht vanuit de liefde niet meer kunnen zien. Als de mens nu niet op het erbarmen, dat God ons in Zijn liefde wil geven, reageert, dan bestaat echter nog Zijn ernst, die in het Oude Testament als Zijn heilige toorn beschreven staat. De hemelse Vader laat ons nooit verloren gaan, maar zijn wijze van leiding geven kan tijdelijk veranderen!

Het noodzakelijke ingrijpen heeft Jezus aan zijn discipelen voorspeld en wij worden ook bij Jakob Lorber in alle duidelijkheid daarop gewezen. De tweede zondvloed, die Jezus bedoelt en die een gedeelte van deze strengere maar genadevolle leiding vormt, zal niet nog eens door water gebeuren, maar door vuur. Het zal in minder dan 2000 jaren de mensen treffen, gerekend vanaf Zijn tijd op aarde. Wel, dat is nu!

Bij het woord `vuur` denkt men onwillekeurig aan brand van het eigen huis of aan een bosbrand. Dat is zeker juist. Maar er bestaat ook een geestelijk vuur. Zonder het levensvuur zouden wij echt niet kunnen leven. Wij zijn afkomstig van de goddelijke liefde; deze is de hoogst mogelijke energie, het heftigste vuur. Als de Heer dat vuur bij ons iets sterker dan gewoon toepast, dan zullen wij in vuur en vlam staan. Sommigen zullen van liefde en vreugde haast niet meer kunnen ademen, omdat hun liefde immens omhoog zal gaan, terwijl het voor anderen de vuurdood kan zijn. Hierbij mogen we bedenken, dat de eerste zondvloed van het water alleen het lichaam weggenomen heeft, terwijl de tweede zondvloed van het vuur lichaam én ziel zal beïnvloeden. “Wie heeft, zal gegeven worden, maar wie niet heeft, zal genomen worden, ook wat hij nog heeft.” Plaatsen we het woord ´liefde` daar tussenin, dan zien wij in alle helderheid wat de zondvloed van het vuur zal veroorzaken

De tijd van het geestelijke vuur is nu al aangebroken! Niet voor niets duiken er steeds meer broeders en zusters op, die de innerlijke stem horen. De komst van Jezus en de liefde voor Hem laat hen innerlijk wakker worden. Zij zijn daardoor nog geen betere mensen geworden, want alle dagelijkse moeilijkheden overkomen hen nog steeds, maar het contact met Jezus en met de beschermengelen is tot stand gebracht. Zij zullen nu de leiding overnemen en mededelingen geven, die tot steeds duidelijker inzichten bij de mensen zullen leiden. Zij zijn het, die blij zijn over het versterkte liefdesvuur.

Jezus toont steeds weer aan, dat het goddelijke rijk niet uiterlijk zal verschijnen op aarde, maar dat het binnen de mens moet worden opgebouwd, en dat geldt voor iedereen individueel. Als wij dat aanvaarden, dan zal ook het uiterlijke leven op aarde er door onze eigen aangepaste manier van leven mooier uit gaan zien, omdat wij liefdevoller met al het leven omgaan – met dieren, planten, de hele natuur.  

Daarop slaan ook Zijn woorden: “Jullie moeten niet denken, dat deze natuurlijke aarde zal verdwijnen en in een nieuwe zal worden veranderd: alleen de mensen worden door een complete opname van de goddelijke waarheid in hun harten als ware broeders en zusters, en zullen in Mijn naam een nieuwe geestelijke aarde scheppen.”

Het `teken van de mensenzoon aan de hemel` en `zij zullen de mensenzoon in de wolken van de hemel met grote kracht en heerlijkheid zien` zijn uitspraken van Jezus, die ons er op wijzen, dat Zijn wederkomst aan iedereen als een openbare kennisgeving van zijn evangelie gegeven wordt. Het woord ´hemel` moet als een symbool worden opgevat. Omdat de hemel alleen in het innerlijk van de mens kan worden opgebouwd, betekent het, dat wij Hem door Zijn eeuwig waar woord in onze ziel zullen zien. Het aannemen van Zijn woord en het vasthouden zal dan onze opgave zijn. In de ´Huishouding van God` staat, dat dit Zijn zesde wederkomst op aarde zal worden, die eigenlijk sinds enkele jaren al plaats vindt. Degenen, die Jezus bijzonder sterk liefhebben, zullen Hem nu al kunnen zien, ofwel in een droom, ofwel in een visioen, of zelfs in een natuurlijke gestalte.

In deze zesde wederkomst, die nu in het hart van de mensen plaats vindt, is Jezus Christus het vrederijk aan het voorbereiden, zoals Hij 2000 jaren geleden de brug tussen de materiële wereld en het geestelijke rijk gebouwd heeft. Ook nu ligt het weer aan ons om Zijn voorbereidend werk aan te nemen en in het leven toe te passen. 

Wij komen nu terug op het vorige punt: degenen, die niets hadden: wat zal er met hen gebeuren?

Allereerst worden door deze innerlijke wederkomst van Jezus – de werken van Jakob Lorber horen hier b.v. ook bij – steeds meer mensen door het licht van de opgaande waarheidszon gegrepen en verlicht, tot zij zelf tot vijanden van de leugen worden.

Degenen, die desondanks niets van God willen weten, hebben geen vuur in zich, dat aangewakkerd kan worden. Daardoor zal het goddelijke vuur als een toornvuur werken. Maar de gevolgen gebeuren niet door God, maar worden veroorzaakt door hun eigen negatieve geest van heerszucht, die geen liefde duldt. Deze mensen hebben hun vermogen om een kind van God te worden, voorlopig verloren. Om hen niet helemaal geestelijk dood te laten gaan –veroorzaakt door hun keuze voor een eenzijdig materieel leven – moeten ze door hetzelfde goddelijke liefdesvuur gered worden. Omdat God nooit een leven zal doden, zullen deze mensen in een ander leven overgeplaatst worden, dat echter niet de vrijheid vanuit de liefde kent, maar zij zullen in een ondergeschikt leven komen onder leiding van de wijsheid. Daarvoor bestaan oneindig vele zonnen met hun planeten. Daar krijgen ze een nieuwe kans om te begrijpen hoe goed de hemelse Vader eigenlijk is! Wij weten, dat een leven onder leiding van de wijsheid duizenden jaren zal duren en zich enkele keren kan herhalen. 

Maar vergeet niet, dat in extreme gevallen bij een bijzonder boze instelling t.o.v. het leven, zo´n mens helemaal in zijn zielenpartikelen kan worden opgelost, om dan de weg van de natuurzielenontwikkeling opnieuw te moeten volbrengen.

Verder zullen mensen, die alleen voor hun pleziertjes hebben geleefd en dan op een dag overlijden, aan gene zijde niet in staat zijn om naar de aanwijzingen, die door hun beschermengelen gegeven worden, te luisteren en deze op te volgen. Zij zullen in het geestelijke rijk daar naartoe gaan, waar zij door hun begeerten naartoe gedreven worden. Vaak genoeg is dat de hel! In het boek de “Geestelijke Zon” wordt hierover uitgebreid opheldering gegeven.

Tegen Robert Blum zegt Jezus: “Er bestaan mensen, die rechtstreeks door Mij zijn geschapen, maar er zijn ook anderen, die indirect uit Mij zijn voortgekomen. Zij, die rechtstreeks door Mij zijn geschapen, zijn de eigenlijke Godskinderen, in wier harten dan ook de reine Godsliefde woont en van daaruit het ware inzicht in God. De indirect geschapenen zijn kinderen van de wereld, verwekt door Satan. Maar deze laatstgenoemden zijn ook geroepen tot het ware inzicht en de ware, reine liefde; want Ik heb het werk van de grote verlossing in eerste instantie voor hen volbracht.“ Dat is toch een mededeling, die echt troost geeft. 

Maar wij komen nu terug op de tweede zondvloed: Jezus zegt tegen Zijn discipelen, dat niet alleen een geestelijk vuur, maar ook een natuurlijk vuur zal uitbreken.

“Maar er zullen ook vele plaatsen door een natuurlijk vuur verwoest worden!” Jezus wijst erop, dat de mensen de bodemrijkdommen, b.v. kolen, olie en aardgas, vanuit een overdreven zucht naar winst uit de diepte van de aarde zullen halen. Dat is één van de oorzaken van het natuurlijke vuur. Verder horen wij dat diegenen, die in grote steden wonen, het meest zullen lijden, omdat zich daar veel gassen ophopen, die explosies zullen veroorzaken.

Verder staat in het boekje “De Wederkomst van Christus” in het hoofdstuk “Een ontwikkelingsbeeld der mensheid”: 

“Maar eer dat zal geschieden, (hier wordt het leven in het vrederijk bedoeld) zal ook de natuurlijke aarde geweldige veranderingen ondergaan. Grote landen en rijken, die nu nog door de grote en diepe zee worden bedekt, worden als het meest vruchtbare land omhoog getild en vele nu nog zeer hoge bergen worden verlaagd.” 

4. Eigenschappen en de overwinning ervan

De Amerikaan Rick Joyner had een droomvisie, die hij in zijn boek “De laatste strijd” heeft beschreven. Deze werd – zoals het normaliter bij doorgaven vanuit het geestelijke rijk gebeurt – gegeven in de vorm van een analogie; dat is een overeenstemming met onze begrippen. Je kunt daaruit uitstekend beseffen, waarom en hoe wij mensen vervallen zijn tot de boze eigenschappen. Maar toch, altijd staat een weg open om de negatieve eigenschappen van ons af te schudden. De geestelijke leiding in deze visie heeft de wijsheid van de hemelse Vader, dus niet de liefde. Maar toch wijst de wijsheid vaker op de liefde.

Joyner zag een reusachtig leger op een vlakte, die op zijn beurt in veel kleine en ook grote divisies ingedeeld was. De militairen waren mannen, vrouwen en kinderen van elke leeftijd. Als je dichterbij kwam, kon je zien dat elke divisie op een verschillende manier vocht. Op de nek van de mensen zaten geesten, die zoals ruiters hun mensen dirigeerden. Elke divisie had andere geesten als ruiters. Iedere ruitergeest stelde een ander negatieve eigenschap voor: trots, kwaadsprekerij, jaloezie, depressie, afgunst, haat en nog veel meer. Er waren ook divisies waar meer dan een geest op de nek van de mensen zat. Zij schoten met pijlen op iedereen die niet bij hen hoorde. 

Maar er waren ook sommigen, die zich konden bevrijden en naar de dichtbij gelegen “berg van de waarheid” liepen. Onderweg werden zij nog door vele pijlen getroffen, maar zij krabbelden hoger en hoger zonder op hun wonden te letten. Hoe hoger zij klommen des te minder werden ze verwondt. Boven op de berg werden zij door de goddelijke liefde en de wijsheid gesterkt. Daarna waren er velen van hen weer bereid naar beneden te gaan om op het slagveld medemensen te bevrijden, die aan de verkeerde kant aan het vechten waren. Maar het gebeurde, dat verschillende van de teruggekeerde strijders op eigen risico begonnen te werken, omdat ze zich nu zo sterk voelden. Juist daardoor kwamen zij echter in een hinderlaag. Wat wil dat zeggen? Zij waren trots geworden op de hulp, die zij anderen hadden gegeven, en daarmee trots op zichzelf en veronderstelden, dat de nieuwe kracht uit hen zelf kwam. Kracht zonder liefde maakt trots! Prompt vielen zij ten offer aan deze trots. Ze hadden niet bedacht dat alle kracht voor het leven en voor het overwinnen alleen van God komt. Degenen, die in de liefde en deemoed gebleven waren, waren zich ervan bewust, dat zij uit zichzelf niet krachtig genoeg zouden zijn en zij vertrouwden erop dat God hen naar de juiste plek zou sturen, waar zij in overeenstemming met hun bekwaamheden konden helpen 

In het innerlijk van ieder mens vinden dagelijks gevechten plaats en dat hoort in sterke mate bij de eindtijd. Degenen, die op dat slagveld zijn, zijn de hedendaagse mensen, die aan het uiterlijke leven de voorkeur geven. Degenen, die zich konden bevrijden van hun ruiters en op de weg naar de berg van hoop en waarheid waren, zijn op weg naar het vrederijk Door hun vrijwillig terugkeren naar het slagveld zullen ze ook andere medemensen kunnen bevrijden. Maar hun specifieke opgave zullen ze alleen dán inzien en volgen, als ze zich in liefde en deemoed aan Jezus overgeven, die dan de genade geeft om zich met Zijn kracht in te zetten om ze voor opkomende trots te bewaren.

5. Deemoed

Bij dat woord voelen verschillende mensen zich misschien wat in hun gevoel voor eigenwaarde aangetast. Dat is begrijpelijk, omdat je met deemoed vaak niet zo veel kan beginnen. Maar juist deze eigenschap zal in het komende vrederijk een bijzondere rol spelen. Waarom? Dat willen we nu iets sterker belichten. 

In de nieuwe bijbelvertaling is “deemoed” door “nederigheid” vervangen. Voor mijn eigen gevoel komt deemoed voort uit een innerlijke sterkte, terwijl nederigheid zwakheid als oorzaak heeft. Het tegendeel van de deemoed is hoogmoed, maar wij kunnen ook ‘trots’ zeggen. Het is de eigenschap, die in het begin Satana van God afvallig maakte. Hoogmoed is ik-betrokken en vraagt om gevecht, om steeds weer te bevestigen dat je de grootste, de eerste bent. Deze eigenschap jaagt ons van God weg. En hoe groter de afstand van God is, des te minder horen wij wat God ons graag wil zeggen. Met de afstand groeit ook de donkerheid. Daarin kunnen wij niet meer herkennen waar onze weg naartoe leidt.

Een mens, die dan toch voelt, dat Jezus de weg en de waarheid is, zal proberen Hem weer te benaderen. Maar hij zal een behoorlijke tijd moeten nemen om te vragen en te bidden, tot hij een duidelijke leiding waarneemt. Dat ligt aan de nog aanwezige trots, die verhindert in te zien, dat Jezus nog nooit afwezig was, maar dat wij Hem in een verkeerde richting gezocht hadden. Het gevolg zal zijn, dat Jezus uit liefde tot deze persoon de juiste weg zal wijzen, maar vaak op een niet-verwachte wijze, b.v. door hem door een uiterlijk, soms pijnlijk gebeuren erop opmerkzaam te maken, dat een mens geen eigen kracht bezit, dat hij al zijn leven van God heeft gekregen en dat hij daarom helemaal geen reden heeft om trots te zijn. Leg je dan de trots, deze hoogmoed af, dan geef je jouw hele doen en laten over aan de hemelse Vader. Dat is deemoed! Het vertrouwen op Jezus vooronderstelt, dat je ononderbroken van Hem houdt, dat je in jouw hart een constante verbinding blijft houden. 

Als je dan denkt, `nu heb ik het gehaald´, dan is het ook direct weer over en voorbij. Dat is de terugkeer van de trots. Wij kunnen echt niets zelf volbrengen. Alles ontvangen wij uit genade en liefde van God. Maar juist datgene mogen wij met vreugde aannemen. Het is een oneindige kracht, die wij door Hem ontvangen. Dat is het, wat Jezus bedoelde, toen Hij zei: “Jullie zullen nog grotere wonderen volbrengen dan Ik!” En dat is zeker niet uit onszelf, maar wel uit Hem!

En altijd, als wij de deemoed terzijde schuiven, worden we blind voor het ware licht en dan zal het een behoorlijke tijd duren tot we weer kunnen zien. Daar zal ook een snel berouw niets aan veranderen. 

Blijven wij echter in de deemoed, dan kan de Heer ons ook door medemensen mededelingen geven, die wij onmiddellijk als van Hem afkomstig zullen herkennen, want wij staan in het licht. Laat ons niet vergeten, dat wij daardoor een grotere verantwoordelijkheid dragen, omdat wij het woord van Jezus begrijpen en ook zullen uitstralen. Hierop kunnen vele mensen positief reageren. Faal ik, dan zullen anderen daaronder lijden.

Deemoed alleen kun je niet leren, omdat zij andere eigenschappen met zich mee brengt, zoals geduld, innerlijke vrede, Godsliefde en naastenliefde. Maar juist dat is het, wat ons in het hedendaagse leven ontbreekt. En deze eigenschappen zullen de basis van het nieuwe vrederijk vormen. Daarom spreekt Jezus door Jakob Lorber en ook door andere profeten zo nadrukkelijk over dat onderwerp.

6. Openbaring

a. Zeven gemeenten: Nadat wij de actuele toestand van de mensen en de noodzakelijkheid van het goddelijke ingrijpen bekeken hebben, willen wij nu ook een blik in de openbaring van Johannes werpen. Zij is – zoals het bij Lorber staat – een zinnebeeld van de tijden, beginnend met de verrijzenis van Jezus tot Zijn wederkomst.

Die voor ons moeilijk te begrijpen beelden hebben hun oorsprong in de geestelijke taal van God, die in menselijke beelden omgezet is. Omdat zij 2000 jaar geleden aan Johannes werden gegeven, moesten deze beelden natuurlijk in een vorm gegeven worden, die in overeenstemming waren met zijn taalgebruik. De beschrijvingen in de openbaring zijn van toepassing op de ontwikkeling van de individuele mens, maar ook op hele volkeren. En er zit ook nog een geestelijke zijde in, omdat de eeuwige waarheid vanuit het geestelijke rijk komt.

De eerste hoofdstukken van de openbaring gaan over de zeven gemeenten, om te laten zien – en dat is ook voor ons bedoeld – hoe in het begin een ceremonieel en formeel gemeente stapsgewijs gaat veranderen tot een leven met geestelijk inzicht. Hierbij gebeurde het en het gebeurt nog steeds, dat het begrip van Gods woord door verschillende mensen ook verschillend opgevat wordt. Maar dat is echt toelaatbaar! Belangrijk is, dat het zeven gemeenten waren. Op geestelijk gebied is alles uit de getallen 3 en 7 opgebouwd, omdat het uitgangspunt de zeven hoofdeigenschappen van God zijn. De centraal geplaatste eigenschap is de orde: zij vormt de grondpijler van alles wat geschapen is. Links van de orde zijn de eigenschappen liefde, wijsheid en wilskracht, terwijl aan de rechterkant van de orde de eigenschappen ernst, geduld en barmhartigheid staan. En het zijn deze eigenschappen die in samenhang met de zeven gemeenten staan.

b.Troon van God: Wij zullen nu een kleine sprong maken, om nog andere beelden van de openbaring te bekijken. 

Johannes zag God op een troon zitten en daarvoor zeven brandende fakkels. Ook zij stellen weer de zeven eigenschappen voor. En de vier dieren, die voor de troon van God liggen, zijn kenmerken van God: de leeuw staat voor Zijn almacht, het kalf is het zinnebeeld van Zijn zachtmoedigheid, de mens staat voor de geestelijke vermogens van God en de adelaar is het zinnebeeld van de beheerser van het heelal. Verder zag hij nog een glazen zee, die zich voor de troon uitstrekte. Ook dat is weer een zinnebeeld, namelijk voor Gods alwetendheid. 

Dan wordt het boek met de zeven zegels aan het lam – dus aan Jezus – overhandigd. Dat boek is Gods enige ware leer, die in de twee belangrijke liefdesgeboden is samengevat. Breek je de zegels van het boek open, dan kom je ruiters tegen, van wie elk een paard heeft met een andere kleur. Iedere ruiter staat voor één van de genoemde goddelijke eigenschappen. Wij zien daaruit, dat deze eigenschappen van een bijzonder groot belang zijn en dat wij deze zo goed mogelijk in ons moeten verwezenlijken. 

c. Vrouw met kind: Wij bekijken nu de volgende tekst in de openbaring:

“Een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. En zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren. En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle volkeren zal hoeden met een ijzeren staf en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en Zijn troon.”

Op het eerste gezicht heb je wel een vermoeden, maar het is toch moeilijk om het echt te begrijpen.

De ´vrouw` is het edele beeld van een mens, die bekwaam is voor bevruchting en voor verwekking, maar geen eigen verwekkingkracht bezit. Maar het geeft verder ook een beeld van de reine leer, die uit God voortvloeit.

Deze genoemde vrouw is gelijk aan de geestelijke mens, die ontvankelijk is voor de leer van God, en de verwekkingkracht van de leer komt altijd uit God. Het ´kind` is de Godsliefde, waarmee Zijn leer in de mens wordt bevrucht. Omdat het bij het getoonde beeld om een volmaakte vrouw gaat, is het begrijpelijk, dat zij met de zon is bekleed. Deze hemelse vrouw is alleen in staat de hemelse liefde op te nemen. De maan betekent de wereldliefde en de eigenliefde, waar met de voeten tegenaan getrapt wordt. Op haar hoofd heeft zij een krans met twaalf sterren. Dat zijn de tien geboden aangevuld met de twee liefdesgeboden. 

De vrouw wordt door de goddelijke leer bevrucht en de vrucht van deze zwangerschap is niets anders dan de wedergeboorte. Het kind is de zuivere liefde tot God, de wedergeboorte! Het kind, dat geboren wordt, is een jongen, omdat in de Godsliefde de scheppende kracht van verwekking ligt en moet liggen – zoals dat ook ligt in de man.

De vrouw voelt pijn bij de geboorte, dat wil zeggen: de uiterlijke mens heeft het moeilijk met de nodige zelfverloochening, omdat hij midden in zijn materiële leven deze levende leer moet toepassen, als hij de wedergeboorte wil bereiken. Het kind, of anders gezegd de uit de goddelijke leer geboren goddelijke liefde in de mens, zal dan de volkeren met een ijzeren staf leiding geven. Dat doet de liefde in God, die de mens sterkt en die geen wereldse neigingen zal toelaten.

d. Schalen van gramschap: “Het gevecht van de vrouw met de draak” laat ons aan de ene kant het gevecht zien van de menselijke hartstochten en wereldse belangen tegen de geestelijke vooruitgang van de liefde, maar aan de andere kant ook de algemene strijd tussen het kwade en het geestelijk goede. 

Hierbij horen ook de bazuinen, die waarschuwingen aan de mensheid geven, omdat die haar boze doelen niet wil opgeven, terwijl de schalen van de gramschap plagen zullen uitstorten als de mensen geen gehoor geven aan de waarschuwingen. 

In het bijzondere is hier de strijd van de katholieke kerk bedoeld, dat zijn de godsdienst-oorlogen, de bloedige gevolgen van de reformatie, het achtervolgen door de kerkelijke inquisitie, het knechtschap van de koningen door de paus, de kruistochten en het opklimmen van het kwade onder de bescherming van de religieuze cultus.

Na deze middeleeuwse tijd was er een verval van alle religiositeit door het ontdekken van de wetenschappen, die vervolgens de mensheid in het materialisme leidden. In de voorgaande beelden is dan ook de val van de roomse kerk voorspeld en deze val gebeurt niet door de goddelijke wil, maar door de eigen werken.

De genoemde strijd van de draak tegen de hemel, diens achtervolging van de vrouw met haar kind Jezus, die de stichter van de vrede moet worden, leidt tot een ontknoping. Dan zal duidelijk worden, wie de winnaar en wie de verliezer is. Die tijd zijn we nu ingegaan. Ze is ons onder het beeld ´eindtijd´ gegeven en daarop zal het duizendjarige vrederijk volgen. 

Maar voordat het vrederijk zal beginnen, zal nog een of andere schaal van gramschap over de mensheid worden uitgegoten, maar dan door de mensen zelf.  Belangrijk is het om te weten, dat het meeste uit de voorspellingen door de openbaring al gebeurd is, maar het ergste staat ons nog te wachten. Dat mogen wij als een zuivering opvatten, zoals bij benauwd weer een onweer de lucht zuivert. 

7. Inzicht 

Met de zuivering wordt de tweede zondvloed bedoeld, die we al genoemd hebben. Deze bevordert vooral de ziel van de mens. Uitgangspuntdaarbijis, dat de hemelse Vader al zijn kinderen bij zich in de hemel wil hebben. De actie van zuivering door de tweede zondvloed zal ons dichter bij dat doel brengen. Maar het ligt aan onszelf, of en hoe snel wij de hemel zullen bereiken. Jezus wil ons op het hart binden, dat wij niet angstig naar de gauw te verwachten verandering moeten kijken die aan het vrederijk vooraf gaat. Wij kunnen beter in onszelf de geest wakker schudden, die ons het inzicht zal geven. Dit inzicht zal ons altijd één ding zeggen: houd de twee liefdeswetten vast, oefen dagelijks! 

Hiervoor hebben wij in onze ziel de geest ontvangen, die ons zal en wil leiden. Zijn kennis van het ware leven zal hij ons doorgeven als wij dat willen. Deze kennis noemen wij inzicht, die onze ziel opnemen en begrijpen kan. Wanneer de ziel ze oppakt, zal ze ons in het aardse leven ter beschikking staan. Deze inzichten kunnen wij in geen geval met ons verstand door uiterlijke belevenissen evenaren. Neemt de mens deze leer van het geestelijke leven in zich op, dan zal hij daardoor weten, wat hij moet doen om zijn hart te zuiveren, namelijk deze leer vrijwillig in zijn dagelijks leven toepassen. Dan trekt Jezus het hart binnen en niets kan dan nog gebeuren waardoor Hij ons weer verlaat. 

Komt zo´n mens, die de hemelse inzichten in zich heeft opgenomen, in een moeilijke situatie, dan kan hij in zijn eigen hart de hemelse manier van leven bekijken en dienovereenkomstig in zijn leven toepassen. 

In tegenstelling tot vroeger ontvangen wij Gods woord open en duidelijk en zo kunnen wij de hemelse en de geestelijke zin ervan begrijpen. Hiermee wordt ons onze hoofdopdracht – namelijk het bereiken van de geestelijke wedergeboorte – duidelijk zichtbaar gemaakt. Daarnaar moeten wij streven. Gaan wij erop in, dan sluit zich de kring, want wij zullen dan de overeenstemmende gegevens uit de geestenwereld leren begrijpen en deze in het aardse leven overnemen. Het is vanzelfsprekend, dat de levensverhoudingen van ziel en geest van een andere aard zijn dan de wensen en doelen van het lichaam.

Wij zullen daarom aan onszelf moeten werken, maar toch zullen wij nooit alleen gelaten worden, wanneer wij Jezus willen naderen. Dat herken je ook aan doorgevingen, die aan mijzelf gegeven zijn; een voorbeeld ervan is als volgt:

“Door de vrije kracht van de mens om beslissingen te nemen, kan Ik jullie niet zichtbaar en bewust leiden, maar dat gebeurt door het voor jullie onzichtbare geestelijke leven. Maar jullie hebben van binnen zovele geestelijke begaafdheden, dat jullie deze tot volkomenheid kunnen ontwikkelen. Dan kunnen jullie met het `geestenland` leven en spreken. Dan zullen de wonderbaarlijke voorwaarden van het leven hier niet meer onbekend blijven en ze kunnen in jullie leven op aarde toegepast worden.

Een vereiste is noodzakelijk: het kennen van Mijn twee geboden van de liefde. Ook materiële gebeurtenissen horen bij Mijn leiding. Maar, maar de consumptie van bedwelmende middelen – wat het ook zij – benevelt jullie zielen zo erg, dat er geen toegang meer naar het geestelijke leven is. Jullie hebben dan het eigen doodvonnis geveld.”

8. De zondvloed

De details van de tweede materiële zondvloed werden ons niet bekend gemaakt en dat heeft een goede reden. Er valt te vrezen, dat velen zich al van tevoren uit angst het leven zouden benemen. Sinds kort bestaan er steeds meer uitspraken, die van een overplaatsen van gelovigen spreken en dat zou zijn kort voordat de materiële verandering begint. Het heeft echt geen zin zich op één systeem vast te leggen, omdat God Zijn plan nog in de laatste seconde kan aanpassen. 

Twee eigen doorgevingen uit het jaar 2004 wil ik hier noemen, ze luiden:

“De liefde is voor jullie mensen het allerbelangrijkste en moet constant uitgeoefend worden. Juist in de tegenwoordige tijd probeert de Antichrist jullie van de liefde weg te trekken. Kijk naar de velen, die alleen door materiële gebeurtenissen enthousiast worden en helemaal niet meer naar hun innerlijk luisteren. Ja, deze hebben totaal vergeten, dat er een innerlijke ontwikkeling bestaat en dat deze in het leven op de eerste plaats zou moeten zijn. Blijf in het hart denken, dan zal je engel het nodige aan jou op tijd kunnen meedelen. 

Je wilt in je hart nog graag iets over de aangebroken eindtijd weten. Goed dan: 

De geestelijke ontwikkeling grijpt eerst mijn kinderen, die van boven gekomen zijn om hun broeders en zusters te helpen de goede weg terug te vinden. Na deze geestelijke tijd van omvorming, die al een tijdje loopt, zullen de tegenstrijders steeds agressiever worden en zullen veel op aarde verwoesten. Daarna is het tijd om de grote vuurzee toe te laten, om na de geestelijke voorbereiding ook de materiele zuivering op aarde uit te voeren. Maak je hierover geen gedachten en zorgen! Blijf gewoon in de liefde, dan ben je beschermd voor het kwade. Al het leven zal doorgaan, alleen de vorm ervan zal veranderen. Waar vandaag het kwade blijkbaar sterker is, zal daarna het werkelijke, het ware te voorschijn komen en mijn kinderen in een vrolijk, tevreden leven van groei brengen. Dat alles gebeurt op een rustige manier voor degene, die gelooft en lief heeft.”

En nog een gedeelte uit een andere doorgave:

“De dagen gaan voorbij en het ´menselijke onheil` komt steeds dichterbij. Het zal plotseling losbreken en allen verrassen en heel erg laten schrikken. Je kunt alleen in je hart gaan, daar blijven en afwachten wat de uiterlijke gebeurtenissen zullen brengen. Denk eraan, dat Ik met jullie allen ben, maar er zijn wel volgens de aard en ontwikkeling van de ziel echter verschillende toepassingen voor het toekomstige leven nodig. Want uiteindelijk zullen allen de hemel ingaan, zelfs als dan de individuele opgaven zeer verschillend zullen worden! Denk erom, dat alles tot jullie welzijn geschiedt.” 

9. Het vrederijk

Bij het noemen van het woord `vrederijk` gaan onze gedachten snel naar een beeld van grote rust en verademing. Maar niets is minder waar, tenminste met betrekking tot het uiterlijke leven! God is in zich de hoogste werkzaamheid en daarom heerst in een rijk, dat Hem toebehoort, ook een bijzonder actieve bedrijvigheid, verbonden met innerlijke rust. Wij mensen moeten leren begrijpen, dat wij onze aandacht op de ontwikkeling van de ziel moeten richten en nooit op materiële gebeurtenissen, die misschien de volgende dag nog even in de krant vermeld worden, maar dan door andere nieuwsberichten worden afgewisseld. Niets materieels houdt stand, terwijl al het geestelijke eeuwig blijft bestaan.

Het vrederijk wordt ook onder de naam ´Duizendjarig Rijk` vermeld. Daar staat de “1” voor God en de drie nullen geven zijn almacht, zijn alwetendheid en zijn liefde aan. Het heeft dus niets met het getal 1000 te maken. Daarom mogen wij er vast in geloven, dat het vrederijk heel lang zal blijven bestaan. Jezus legde zijn discipelen uit, dat er nauwelijks een getal bestaat, dat het aantal aardjaren ervan kan weergeven. Het vrederijk is geschapen om voor ons een gemakkelijker ontwikkeling voor het eeuwige, geestelijke leven mogelijk te maken. 2000 jaren geleden heeft Jezus hiertoe aan het kruis de eerste voorwaarde gelegd. 

En zo wordt het bij J. Lorber beschreven: “In die tijd zullen de mensen veelvuldig contact hebben met de reine geesten van Mijn hemel en deze zullen hun leraren zijn en hen in alle geheimen van het eeuwige leven in God onderwijzen.” De innerlijke doorgevingen, die nu al gedurende het geestelijke vuur vaak plaatsvinden, zullen dan tot het dagelijkse leven behoren. Verder zullen wij dan nog meer gesterkt worden; er zal namelijk niet alleen het horen van een boodschap mogelijk zijn, maar ook het zichtbare gesprek met engelen zal onze weg verlichten en ons vertrouwen in de hemelse Vader versterken. Ja, Jezus zal vaker zichtbaar zijn: “Als Ik terug kom, dan zal Ik niet alleen komen, maar allen die Mij toebehoren, die al lang in de hemelen bij Mij zijn, zullen samen met Mij in grote scharen komen en hun broeders en zusters, die nog op de aarde leven, sterken.” Let wel, wie niet meedoet, die ontvangt ook niets.

In die tijd zullen wij – zo te zeggen – burger van twee werelden zijn, van de aarde door ons materieel lichaam en tegelijkertijd van het geestelijke rijk door de verbinding met zijn bewoners. Wij moeten daarvoor ook ononderbroken aan onszelf werken en moeten in een dagelijkse, heilige afhankelijkheid van Jezus staan, om het doel van de zielenzuivering te bereiken, dat zich in de geestelijke wedergeboorte weerspiegelt. Dat is en blijft het voornaamste doel! In die tijd bestaat het weldoen hoofdzakelijk uit een juiste opvoeding van de kinderen, om hen alles te leren over de hemelse Vader, om Zijn liefde in het eigen leven te kunnen toepassen. Dan zal het niet meer voorkomen zoals tegenwoordig, dat huisdieren vaak genoeg de voorkeur krijgen boven de eigen kinderen, en dat de kinderen zelfs carrièrekiller genoemd worden. 

In het vrederijk zal ook de angst voor de dood door het verworven geestelijke inzicht verdwijnen, omdat je het rijk in het hiernamaals al in het voorbereidende leven op aarde als begerenswaardig ziet. 

Jezus zal zich dus in die tijd herhaaldelijk laten zien, om de sterking van de mensen te waarborgen.. Maar Zijn constante aanwezigheid zou voor ons schadelijk zijn, omdat wij dan onder dwang naar het hemelrijk zouden streven, dat – om het nog eens te herhalen – zich binnen de mens moet vormen en geen uiterlijke afbeelding kan zijn.

De laatste en tegelijk zevende komst van Jezus wordt voor veel later verwacht. Hierover zegt hij, dat het voor de mens zó of zó zal eindigen. Deze tijd zal na de vrijlating van Lucifer zijn, want dan moet ook hij een beslissing nemen hoe zijn toekomst zal worden.

Zo mooi als deze visie ook is, zo noodzakelijk is het voor ons, die toch in de voorbereiding op dat wonderbaarlijke vrederijk leven, dat wij aan onszelf werken en nu al voor deze heilige verbinding met Jezus bidden. De gedachten van ons verstand willen ons steeds wijsmaken, dat er toch nog tijd over is. Dat is echter een verkeerde conclusie van het kwade, dat ziet dat het zijn volgelingen verliest aan Jezus in het vrederijk. 

Om het aan het einde nog eens naar voren te halen: God is de hoogste liefde en die geeft Hij aan ons in overvloed! Wij mensen – al Zijn kinderen – moeten ons deze liefde, die verbonden is met deemoed, wijsheid en geduld, door Hem laten onderwijzen en als ons levensideaal hoog in het vaandel houden en tegenover ieder medemens toepassen. Dat is het wat Zijn twee geboden van de liefde uitdrukken.

Laat ons nu beginnen en niet pas in het vrederijk, dat is Zijn wil!

________________________________________________________________

De liefde van God”

Tekst van de lezing op 12 januari 2006 

voor Stichting Lorberlezingen 

  1. Liefde – algemeen gezien 

Als wij het woord “liefde” bekijken, dan zullen wij dat zonder twijfel op verschillende manieren kunnen aanvoelen en uitleggen. Je hebt bv. een echtgenoot, die je lief hebt en daarmee bedoel ik dat je een liefdevol gevoel voor de partner hebt dat vanuit het hart komt en de echtgenoot met blijdschap tegemoet treedt, zelfs als diegene iets doet wat je zelf nooit zult doen. Aan de andere kant zul je ook ernstig op hem reageren als je dat nodig acht. Bij een onbekende persoon blijf je onverschillig, omdat deze niet dezelfde liefde van je krijgt. Deze liefde voor je echtgenoot komt uit het hart en je verstand wordt ertoe aangezet om het volgens het hart te uiten.

Maar in onze hedendaagse wereld wordt het woord “liefde” ook gebruikt voor gewone seks. Er hoeft niet lang over te worden nagedacht om te weten, dat seks in vele gevallen absoluut niets met liefde te maken heeft. Het is ófwel gewoon business met het lichaam, óf het komt voort uit eigenliefde of het verlangen om een ander te beheersen en te bezitten. Daarin valt geen greintje liefde te ontdekken. Hoeft het dan verbazing te wekken dat vele huwelijken na een relatief korte tijd stuk gaan als seks het uitgangspunt was? Als gevolg daarvan ontstaan er bijkomende problemen, zoals bv. dat de man te veel alcohol drinkt of de vrouw buitenshuis werkt om de verantwoording te ontvluchten. Echte liefde tussen de partners bestaat in onze tijd veel minder of nauwelijks. Hoe kun je dan bij een crisis de situatie meester blijven en het verbreken van het huwelijk vermijden?

Er zijn ook mensen, die geen kinderen willen hebben. Is dat niet een uiting van heel groot egoïsme? Soms hebben ze dan huisdieren in plaats van kinderen. Zij ontvangen dan hun liefde! Maar toch – een dier ben je snel kwijt, een kind heb je voor je hele leven. Dus zegeviert ook daar de eigenliefde. 

Liefde is pas zuiver als ze niet voor zichzelf wordt gehouden, maar ook aan anderen wordt uitgedeeld. Maar het tegendeel viert momenteel hoogtij. Overal hoor je spreken over terrorisme en wraak. Iedereen vecht voor zichzelf en nauwelijks voor een medemens. Zelfs in de sport hoor je de reporters vragen: “En wanneer neem je wraak voor deze nederlaag?” Niet dat je in de sport vrijwillig moet verliezen, maar het is toch een groot verschil of je accepteert dat je de zwakkere bent, of dat je uit boosheid de tegenstander iets aandoet!

Het is wel waar, dat liefde alles wil hebben en wil grijpen. Maar het verschil is, dat: de liefde uit egoïsme de gegrepen dingen voor zichzelf vasthoudt en niet meer weggeeft, terwijl de ware liefde de ontvangen dingen met veel vreugde aan anderen weggeeft. Als voorbeeld kun je God zelf en Lucifer nemen. Terwijl Lucifer niet tevreden was met de ontvangen gaven en ook nog de totale macht van God wilde overnemen, geeft God aan zijn schepselen – aan ons mensen – al zijn aandacht; Hij geeft ons zelfs de status van zijn eigen kinderen. Hij is in al zijn almacht niet hoogmoedig, integendeel: hij plaatst zichzelf op hetzelfde niveau als wij en is een voortreffelijke Vader.

Daarom is het voor mij onbegrijpelijk, dat de meeste priesters en dominees zich heftig verzetten tegen het gebruik van het woord Vader. Niemand minder dan Jezus legt ons uit, dat wij Vader tegen God moeten zeggen zoals in het “Onze Vader”, omdat wij alleen de Vader in God kunnen benaderen. In plaats daarvan wordt Eeuwige, Goede God of zelfs Lieve Heilige Geest gebruikt. Is het dan zo moeilijk in te zien, dat een nabije God als Vader een veel sterker contact met de mensen – zijn kinderen – kan en moet hebben en denk je niet, dat een Vader met zijn kinderen op een liefdevollere manier omgaat dan een schepper met zijn schepselen? 

De verbinding tussen God en de mensen is er één van pure liefde. Zijn liefde is nog veel meer, want zij geeft niet alleen het leven, zij is het leven zelf. Neem je God niet als je Vader aan, dan gooi je het leven weg: niet het materiële leven van het lichaam welteverstaan, maar het eeuwige leven van de geest. 

  1. Wat zegt het “Onze Vader”? 

Alleen het eerste gedeelte willen wij hier onderzoeken en proberen te begrijpen. 

“Onze Vader die in de hemelen zijt

Uw naam worde geheiligd

uw koninkrijk kome

uw wil geschiede.”

Hier wordt God ons op vier verschillende manieren voorgesteld. Allereerst als Vader, dan als de Heilige; verder is hij de Heer, de koning, en uiteindelijk is hij ook de Schepper.

Er zijn grote verschillen tussen deze aspecten, veel meer dan je op het eerste gezicht denkt. Je mag zeggen dat er rust en vrede binnen God heerste, voordat God met de schepping begon. De liefde in God is niets anders dan de Vader en die begon ideeën te ontwikkelen, die zelfstandig moesten worden. Maar om dat te realiseren was de toestemming van de heiligheid nodig en de hulp van de scheppende kracht. Het uitgangspunt daarbij is en blijft de liefde. Om het nog eens te herhalen: de liefde is de Vader. Zijn ideeën bestonden eruit om schepselen te creëren, die op hem leken en in een vrije zelfstandigheid geestelijk moesten groeien. Om van schepselen uit te kunnen groeien tot kinderen, moesten ze zich dus in absolute keuzevrijheid kunnen ontwikkelen. Dat bracht het probleem met zich mee, dat de pas geschapen mensen – je mag er ook nog engelen tegen zeggen – ten val konden komen. In het daarop volgende leerproces is dat dan ook met Satana-Lucifer gebeurd. 

Nu reageerde de Heiligheid in God, omdat zij zich door de val van zijn schepselen aangetast en onteerd voelde, want het leven was door de godheid gegeven en door de afvalligheid van de schepselen werd het leven in het algemeen twijfelachtig. Daarom vroeg zij de liefde in God om ervoor te zorgen, dat het naar buiten geplaatst leven ófwel van zichzelf bewust terug zou komen, ófwel zou worden vernietigd. 

De Vader als de liefde wist, dat Hijzelf eens letterlijk moest ingrijpen op de weg van de terugkeer van de afgevallen schepselen. Dat gebeurde dan ook door zijn grote liefde en barmhartigheid voor het geschapen leven, maar ook om de Heiligheid weer te verzoenen. Hij incarneerde in het vlees van de mens Jezus. Dat moest op die manier zijn uitdrukking vinden, omdat God geest is en geen vlees, zoals het in de Bijbel bij Johannes staat. Met andere woorden: de geest in Jezus is de hemelse Vader, de Liefde van God, die verbonden is en zelfs één is met zijn heiligheid en zijn almacht. Zo kon Jezus tegen zijn discipelen zeggen: “Wie mij ziet, ziet de Vader” en ook “Ik en de Vader zijn één.”.

3. God als Vader

We blijven bij de vraag, wie God eigenlijk is. In het GJE, deel 6 van Jakob Lorber, komt de vraag naar voren: “Waar is God dan en hoe ziet Hij er eigenlijk uit?” Daarop krijgen we ook antwoord: `Niemand kan het eigenlijke wezen van God zien en blijven leven, want Hij is oneindig en alomtegenwoordig. Hij is puur geest met een machtige wil. In zichzelf is God echter een mens zoals jij en ik, maar in de meest volkomen vorm, en Hij woont in het ontoegankelijke licht, dat de genadezon genoemd wordt. Deze genadezon straalt Zijn liefde en wijsheid uit.´ 

Bij de vraag: “Hoe ziet God er eigenlijk uit?” komen wij onvermijdelijk uit bij de christelijke kerken, die beweren dat God een drie-enige God is. In de “Geestelijke zon”, deel 1, horen wij daarover een gesprek in de rooms-katholieke hemel: “Hoe hebben jullie ooit kunnen denken, dat drie goden tenslotte toch één God kunnen zijn? Dat elk van deze drie goden iets anders zou verrichten en deze drie toch volkomen één wezen en één natuur zouden zijn? Ik weet maar al te goed, dat jullie geweldig misleid zijn. Daarom is nu het verlossende ogenblik aangebroken, waarop jullie de ware God en de ware hemel zullen leren kennen. Wenden jullie je dan ook tot de enige Heer Jezus Christus, want Hij alleen is God van hemel en aarde! De ware drie-eenheid is de liefde, de wijsheid en de daaruit voortkomende daadkracht in de enige Heer Jezus.”

Ik zelf wil hier nog aan toevoegen, dat het niet mogelijk is dat je van drie personen evenveel houdt. Je zult altijd een voorkeur hebben. Het eerste gebod zegt toch: ´heb God boven alles lief.` En als Hij in drieën gedeeld wordt – zoals de kerken zeggen – sta je toch voor het raadsel hoe de liefde voor Hem te bewerkstelligen is? Vergeet niet, dat dit een leer van de kerken is en niet uit de Bijbel!

Wij begrijpen steeds beter, dat God in zijn hoedanigheid van Vader voor ons mensen het meest benaderbaar is. En juist bij dit punt zijn er mensen, die eraan twijfelen of God nu meer Vader of toch meer Moeder is. Ik kan hen aanraden om hoofdstuk 26 en 27  van deel 3 van “De Huishouding van God” te lezen. Het mannelijke principe is bij God overheersend, ofschoon het vrouwelijke principe ook aanwezig is. Dat kan ook niet anders, omdat Hij zowel mannelijke als vrouwelijke wezens schiep. De allereerste geest was een vrouwelijke geest – Satana – maar zij werd beslist niet geschapen, opdat God voor zichzelf de mogelijkheid moest creëren om kinderen te verwekken. De schepper is almachtig en heeft voor de gehele schepping niemand nodig! Als man is God de liefde, het vrije leven en alle daadkracht. Het vrouwelijke gedeelte is het licht dat uit de wijsheid stroomt en door de liefde wordt gesterkt. Zoals de wijsheid met de liefde verbonden is, zo kun je ook zeggen, dat de wijsheid de onafscheidelijke vrouw van de liefde is. 

Als je dit inzicht toepast op de mens, dan wordt ook de scheppingsgeschiedenis duidelijk, namelijk dat de vrouw uit de rib geschapen is. De rib is in de buurt van het hart en dat is de zetel van de liefde bij de man. De vrouw komt dus voort uit de liefde van de man. Op die manier zijn man en vrouw voor eeuwig met elkaar verbonden. Het van de man helemaal onafhankelijk willen zijn, komt voort uit de ijdelheid van de vrouw. Maar zoals eerder gezegd, kan de straling niet onafhankelijk van de lichtbron zijn. Maar daarom is de vrouw toch niet minder! Vergelijk het maar eens met de zon: haar straling maakt het leven op aarde mogelijk, terwijl de zon zelf alles zou verbranden.

  1. Heiligheid en Orde 

Wij hebben de heiligheid in God al eerder genoemd. De heiligheid is het wezen, dat door Zijn almachtige eigenschappen ontstaat. De liefde vormt hierbij het centrum in God. Zij kan door haar schepselen gekwetst worden, als deze in strijd met de liefde handelen. Jammer genoeg doet de mens er dan ook alles aan om de heiligheid te krenken. Maar toch is de heiligheid al weer verzoend en dat is geschied door Zijn liefde, die in Jezus de menselijke gestalte had aangenomen en de verzoening heeft volbracht. 

Eén van de belangrijkste goddelijke eigenschappen is de orde, die ons gegeven is om de liefde van God te erkennen. De discipel Johannes verklaarde eens aan zijn medediscipelen, dat de orde en haar doelmatigheid nooit gestoord mogen worden en dat is een van de heiligste plichten van de mens. De mens verwoest b.v. de natuur, wat eens tot de zondvloed leidde en binnenkort de nieuwe zondvloed van vuur zal laten uitbreken. Maar de mens misbruikt ook zijn lichaam door genotzucht en ontucht, wat vaak tot een onbruikbaar lichaam leidt. Dat lichaam is toch de plaats, waarin de ziel zich bevindt en waarin deze zich moet ontwikkelen? Hoe zou dat dan nog kunnen?

De orde, waarin wij leven, kan gemakkelijk in de materiële buitenwereld waargenomen worden. De orde is de belangrijke basis voor het bereiken van onze geestelijke wedergeboorte. Nog sterker herkennen wij het belang van de orde als wij ons in onszelf verdiepen. Het ontwakende innerlijke inzicht zal iedereen aansporen om alles op te geven, wat tegen de orde is, om het grote doel van de wedergeboorte te bereiken. Daardoor zal de ziel ernaar streven om goed en rechtvaardig te leven. Ook onze beschermengel zorgt ervoor, dat wij binnen de eeuwige orde blijven leven, maar hij moet ook met veel geduld en rust afzijdig blijven als wij verkeerd handelen. De eerste voorwaarde is, dat de mens zelfstandig leert beslissingen te nemen en dat zonder invloed van een geestelijk wezen. De juiste beslissingen leren wij vanuit de goddelijke orde, die wij in alles tegenkomen. Wil een mens in geen geval volgens deze levensorde handelen, dan zullen zijn eigen daden ook zijn rechter zijn. Dat hoeft God niet te doen, want zijn orde geeft duidelijk de grenzen van goed en kwaad aan. Orde geeft dus de juiste manier van leven aan en zij bepaalt de grenzen van overtredingen.

De orde is wel aan de mens gegeven, maar verder om de vooruitgang van het hele universum te bewerkstelligen. Het uiteindelijke doel daarvan is, dat de geschapen wezens samen met de Godsgeest in een zalige gemeenschap zullen werken.

De orde vinden wij ook terug in het feit, dat het centrum van de Godheid zich in een ontoegankelijk licht bevindt, namelijk in de genadezon. Aan Mozes werd te verstaan gegeven, dat geen geschapen wezen daar toegang heeft, omdat hij onmiddellijk door de intense liefdesenergie zou verbranden. Zo gezien beschermt de ontoegankelijkheid de mens. Maar is het niet een veel grotere liefde en genade dat wij onze schepper als een zichtbare Vader persoonlijk kunnen ontmoeten dan dat wij door de benadering van de genadezon worden gedood?

  1. De stroming naar de mens toe 

Deze ontmoeting met de hemelse Vader moet wel worden voorbereid. Maar je kunt alleen iets voorbereiden als je het herkent, erin gelooft en de noodzakelijke aanpassingen doet om het aan te nemen, met andere woorden als je begint het lief te hebben! Voordat de mens zo ver is, werken God en zijn engelen heel intens om de mens mededelingen te geven over het ware geestelijke leven en het tijdelijke materiële leven. De mens moet eerst begrijpen dat het aardse leven alleen een overgangsvorm is, die noodzakelijk werd door de val uit het geestelijke rijk bij het begin van de schepping en dat de mens nu via de gang door de materie zal worden teruggebracht naar zijn oorsprong, namelijk naar het geestelijke rijk of de hemel. Als hij dat begrepen heeft, zal hij ook geloven, dat er een schepper is en in Hem geloven. Hoe meer de mens zich met God bezig houdt, des te sterker stelt hij zich ook open voor de eeuwige waarheid. 

Zonder de vrijheid van de mens te beperken zullen de beschermengelen geestelijke mededelingen in de ziel leggen, die dan door de mens aangenomen of afgewezen kunnen worden. Maar er is nu wel een contact tot stand gekomen, dat er daarvoor nog niet was. 

Terwijl God zijn kinderen buitengewoon liefheeft en er alles aan doet dat zij deze liefde voelen, zijn de mensen in hun materieel lichaam nog beperkt om al  te hoogstaande geestelijke energie in zich op te nemen. De mens kan wel geleidelijk groeien, als hij inziet dat hij behalve het zichtbare lichaam ook een ziel en daarin nog een geestelijk lichaam heeft. De goddelijke liefde bevindt zich op het niveau van de geest en de mens moet zich met zijn ziel op zijn eigen geest richten om de liefde van de hemelse Vader te herkennen. Jezus spreekt hier van de zelfbeschouwing, wat in afzondering van de buitenwereld moet gebeuren. 

In ons leven op aarde kunnen wij bijzonder snel veranderen – als wij dat willen. Dat is realiseerbaar, omdat wij omgeven zijn door zowel goede als door vele kwade invloeden. Die vragen steeds beslissingen van ons, die ons inzicht geven en die ons sterken tegen kwade aanvallen. Tegelijkertijd ontvangen wij in ons hart hulp in de vorm van de stem van de beschermgelen en van Jezus zelf. Dat geeft ons vreugde en opeens geloven wij niet alleen in God, nee, wij weten het en wij voelen een grote liefde voor Hem.

De liefde kan ook nooit eenrichtingsverkeer zijn. God is de liefde en geeft deze met gulle hand aan ons, terwijl wij zo moeilijk doen om Zijn liefde te beantwoorden. Daarom komt de goddelijke liefde niet altijd mild op ons over: zij kan in het begin een heftig vuur zijn en moet vaak eerst het kwade in ons er uitbranden voordat de bodem van de ziel in staat is een tedere liefde voor Hem te laten groeien. 

In deel 2 van de Huishouding vraagt koning Lamech zich af hoe een mens God op gepaste wijze lief kan hebben. Hij krijgt dan van God, die in de gestalte van een engel aanwezig is, het antwoord in de vorm van beeldspraak: een vorst heeft kinderen, die hem benaderen in een eerbiedige houding die hun deemoed tot uitdrukking brengt. Maar er is één kind dat naar hem toeloopt en hem omarmt, omdat hij in de vorst alleen de Vader ziet en zijn liefde tot de Vader uitspreekt. Dat is dan ook het antwoord op de vraag van Lamech. God wil niet als de almachtige schepper benaderd worden, maar wij mogen in hem gewoon de Vader zien. Iets verderop in deel 2 wordt Lamech met de liefde voor de naaste geconfronteerd. Hij beseft, dat alle mensen kinderen van God zijn en dat hij – Lamech – ieder van zijn onderdanen niet alleen met liefde, maar ook met geduld moet behandelen.

Ook in deel 1 van de Huishouding wordt dit bevestigd. Bid niet tot God, die heilig, heilig is, maar bid met liefde tot de Vader, omdat wij zijn kinderen zijn. De liefde is de voorwaarde om Hem in jezelf te ontvangen. Door een sterker wordende liefde begrijpen wij steeds meer wat innerlijk tegen ons gezegd wordt en ons geestelijk inzicht groeit. Een dominee heeft me eens gezegd, dat hij tijdens een kerkdienst in het gebed God niet met ‘Vader’ aanspreekt, omdat hij bang is dat sommige vrouwelijke aanwezigen negatieve ervaringen met de lijfelijke vader hadden. Voor zo´n argument heb ik nog steeds geen begrip. 

Nog een voorbeeld: als Abedam – dat is de Heer in de gestalte van een engel – bij Adam, Henoch en alle aartsvaderen aankomt, voelt alleen Henoch door zijn immense liefde, dat de hemelse Vader hier voor hen staat. De anderen herkennen hem pas als hij verschillende wonderen heeft verricht. Daar heeft de Heer dan ook kritiek op. Hij verwijt hen, dat hun liefde van wonderen afhankelijk is. Die is toch altijd min of meer verbonden met angst en maakt hen afhankelijk zoals slaven van hun heer afhankelijk zijn, omdat hun liefde niet vrijwillig, maar door wonderdaden is gewekt.

Wij zien dus in alles dat God ons benadert om het geestelijke rijk in ons op te bouwen. Maar dat zal niet uiterlijk zijn; dat kan alleen in het innerlijk van de mens gestalte krijgen. De mens zelf moet het dan uit innerlijke overtuiging toepassen op zijn omgeving. Als de overgrote meerderheid van de mensen dat gaat doen, is het goddelijke rijk ook uiterlijk in ons aardse leven zichtbaar. Dat is de voorspelling en de betekenis van het komende vrederijk. 

  1. Gods wijsheid en wilskracht 

Belangrijk binnen de goddelijke eigenschappen zijn de wijsheid en de wilskracht. Door Jezus wordt er steeds weer op gewezen, dat wijsheid de uitstraling van de liefde is. Hij legt het ook zo uit, dat de liefde de Vader in God is. De wijsheid die voortkomt uit de liefde is dan de zoon, en de uitvoering van beider ideeën gebeurt door de wilskracht en dat is de geest, dus de heilige geest. We zijn nu op het spoor gekomen waarom de kerk in het begin op de gedachte van een drie-enige God is gekomen. Maar omdat God nog vier andere heel belangrijke eigenschappen heeft – orde, ernst, geduld en barmhartigheid – en die in de oorspronkelijke kerkelijke voorstelling niet voorkomen, gaat de uitdrukking “drie-enige God” behoorlijk mank. Liefde, wijsheid en wilskracht zijn Vader, zoon en heilige geest en vormen een eenheid.

Liefde en wijsheid namen het initiatief tot de gehele schepping, maar het waren eerst alleen maar gedachten, die vervolgens door de wilskracht in vrijheid naar buiten werden geplaatst. Toen pas hadden ze een zelfstandig leven. Daarna namen ook de andere vier eigenschappen de verzorging op zich van de naar buiten geplaatste ideeën, die nu een leven hadden. De wilskracht houdt de geschapen wezens in evenwicht en in leven. Een verzwakking van de goddelijke wilskracht zou meteen de dood van de gehele schepping betekenen. Maar dat is niet aan de orde, omdat de liefde zo groot is dat al het leven, dat ooit geschapen is, zal blijven voortbestaan.. 

De wilskracht is de grote band, die alle hemellichamen aan elkaar bindt. Zo bezien werkt zij positief, maar zij heeft ook een negatief aspect: dat is het zelfbehoud van het geschapene. Beide worden door de eeuwige orde in evenwicht gehouden. Alles wat God schept, zal in “optima forma” blijven bestaan. Daarom bewaakt de orde de grenzen van het toelaatbare.

De sterke wilskracht ligt ook aan de toekomstvisioenen van de oude profeten ten grondslag. Zij ziet, wanneer de grenzen door de mensen te dicht benaderd worden en waarschuwt ze door de profeten. Als de mensen vervolgens binnen de orde blijven, dan hoeft de negatieve inhoud van de profetie ook geen werkelijkheid te worden, omdat het overbodig geworden is. Zelfs de profeten hebben dat niet altijd begrepen. Wij lezen in de bijbel dat sommigen boos werden, omdat de voorspelling niet uitkwam. 

De wilskracht is een almachtige kracht van de Heer. Het zal voor ons mensen duidelijk zijn, dat wij machteloos zijn als wij alleen op onze eigen kracht willen bouwen en God er niet bij betrekken. Als voorbeeld dienen de wetenschappelijke onderzoeken en ook de ruimtevluchten. De behaalde resultaten zullen dan steeds minimaal blijven. Anders is het als wij inzien, dat wij totaal afhankelijk zijn van God. Maar bij dit dieper inzicht wordt het ook duidelijk, dat God als de hemelse Vader bijzonder graag de nodige kracht aan ons doorgeeft en ons zelfs de juiste weg wijst. 

Zijn wil maakt Hij ons op drieërlei wijze bekend: allereerst doet Hij dat voortdurend door het leven in de natuur, ten tweede legt Hij zijn boodschap in het hart van de mens en tenslotte zendt Hij boden om ons ook uiterlijk te informeren. Maar altijd behouden wij de vrije wil om datgene aan te nemen, wat Hij ons meedeelt. Hierbij breng ik de orde in herinnering die de grenzen bepaalt: als wij onder veronachtzaming van Gods woord op eigen houtje te werk gaan, dan kunnen wij al snel buiten de orde geraken en dan gebeurt er iets, wat vaak pijnlijk in ons leven ingrijpt om ons tot de orde te roepen.

Direct aan het begin van de ‘Huishouding’ zegt de Heer: “Zie, al mijn schepselen zijn van Mijn macht afhankelijk, maar Mijn kinderen zijn afhankelijk van Mijn liefde! Mijn macht gebiedt en het gebeurt! Maar Mijn liefde wenst slechts en vermaant in alle zachtheid de vrije kinderen, en de vrije kinderen verstoppen hun oren. Omdat zij vrij zijn zoals Ik vrij ben, kan Ik hen niet helpen, als zij dat niet willen.Want Mijn macht gaat boven alles; maar Mijn wil is aan Mijn kinderen onderworpen. Maar bedenk: Ik ben jullie Vader, maar Ik ben ook jullie God. Wil je Mij als Vader of wil je Mij als God?”

Behalve over de wilskracht moet hier ook iets gezegd worden over Gods wijsheid en alwetendheid. Zoals er slechts één God bestaat, zo bestaat er ook slechts één ruimte. Die is door het leven vanuit God met levensintelligentie vervuld. Dat is dan ook de reden waarom dingen die zich op een ver verwijderde zon afspelen, aan God bekend zijn. Maar ook wij mensen kunnen deelnemen aan deze algemene levensintelligentie van de ruimte. Een sprekend voorbeeld daarvan zijn de zeven Egyptenaren, aan wie nooit was verteld dat in een ander land – dus in Israël – Jezus leefde: toch wisten ze dat. Over het algemeen is de ziel van een mens door een dunne scheidswand van deze levensintelligentie gescheiden. Maar dat is al voldoende om niet te weten wat er zich b.v. achter de rug van de mens afspeelt. 

Hoe sterker de mens bewust met zijn geest verbonden is – het doel is de geestelijke wedergeboorte – des te meer zal deze scheidswand verdwijnen. Het toekomstige leven ligt voor zo´n mens helemaal open, want de levensintelligentie stroomt ongestoord in hem binnen. Deze kennis zal hem met vreugde en kracht vervullen, ook al weet hij wanneer hij precies zal overlijden. Maar voor de nog niet herboren mens blijft deze toekomstkennis verborgen en dat is ook goed.

  1. Steun door geduld en barmhartigheid 

Vanuit de goddelijke liefde stroomt niet alleen de wijsheid en de wilskracht. Dat zou nooit voldoende zijn om vrije wezens tot kinderen op te voeden. Geduld en barmhartigheid horen in bijzondere mate erbij. Stel dat we hier een opiniepeiling zouden houden naar geduld en barmhartigheid tegenover je medemensen. Dan zal toch zeker de helft van de ondervraagden antwoorden dat ze in eerste plaats aan zichzelf moeten denken. Waar blijft dan het geduld, om nog maar te zwijgen over die nog veel moeilijker toe te passen eigenschap barmhartigheid? 

In de Huishouding, deel 3, spreekt de Heer over de band van liefde tussen Hem en de mensen. Ook als wij zijn liefde niet beantwoorden, past Hij ondanks ons verkeerde handelen toch geduld en barmhartigheid toe. Maar als wij helemaal niet leven volgens deze heilige band, glijdt de aarde weg in een afgrond, vanwaaruit de verbinding met God haast niet meer tot stand kan worden gebracht. Wij moeten beseffen, dat God niet beledigd of boos wordt, maar dat wíj het zijn, die zijn liefde, geduld en barmhartigheid veronachtzamen en daarmee onze opvoeding onmogelijk maken. 

Als wij de weg accepteren, die onze hemelse Vader ons aanbiedt, dan zullen zelfs op aarde hemelse toestanden voorkomen, waar geen dood meer voelbaar zal zijn. God verzekert ons, dat Hij steeds onze heilige Vader zal blijven en geeft als voorbeeld dat het leem, waaruit Adam gevormd is, Zijn liefde betekent en de rib, waaruit Eva afkomstig is, Zijn genade en barmhartigheid weerspiegelt. Precies zoals bij de mens het leven door het lichaam omsloten is, zo zijn ook de genade en de barmhartigheid voor eeuwig verbonden met de liefde voor de mens. Jezus legt deze barmhartigheid tegenover bisschop Martinus uit, als Hij tegen hem zegt: “Ik ben een Heer alleen voor diegenen, die ontrouw zijn aan Mijn woorden, maar voor diegenen, die hun hart vervuld hebben met liefde, ben Ik een almachtige broeder en geef hun als een ware vader alles wat Ik heb!” Stel je voor, de schepper van alles wat er is, wil voor ons mensen een broeder zijn! Kun je je nog meer deemoed en barmhartigheid voorstellen? 

Toch zegt de Heer ook tegen Robert Blum: “Voor mij als het oervolmaakte wezen is het beslist minder zalig om onder onvolmaakte wezens te verblijven en hen met alle geduld en zachtmoedigheid te leiden, dan Mij temidden van Mijn volmaakte zonen en broeders in Mijn rijk van de zuiverste liefde te bevinden.” Zelfs deze zin drukt de onbeschrijfelijke barmhartigheid van God tegenover ons mensen op aarde uit! 

Aartsengel Gabriel is de drager van de barmhartigheid. Daarom was hij het ook, die aan Maria de boodschap van de geboorte van Jezus doorgaf. Zijn geboorte voor de verlossing van ons mensen vond plaats dankzij Zijn grote barmhartigheid en liefde en tegelijkertijd door Zijn onbegrijpelijke deemoed. 

  1. Verlossing door Gods aardse leven 

Voordat Jezus op aarde geboren werd, waren de mensen hun geloof in de ene God weer in ernstige mate ontrouw geworden. Zij hadden daarom alleen nog maar een flauw vermoeden, wat de zin van het aardse leven feitelijk was. Zonder dit inzicht laat je de geestelijke belangen los en leef je voor je materiële en lichamelijke verlangens. Jakob Lorber heeft eens een vraag gesteld over twee woorden aan het kruis, die veel verduidelijken. Die vragen waren: “Wat betekent ´Mij dorst!` en ´Het is volbracht!’” ?

Het ging Jezus beslist niet om een glaasje water of melk, maar Hij vroeg om de liefde van zijn mensenkinderen, Hij had dorst naar liefde. Maar wat kreeg hij? Azijn en gal! Azijn vertegenwoordigt het samentrekken en het verharden, terwijl de gal het zinnebeeld is van haat en woede. Hoe konden wij mensen zijn liefde en barmhartigheid zo negeren en zelfs kapot slaan? 

Het tweede gedeelte: ´het is volbracht` zegt, dat Zijn gevecht om ons gewonnen was, ondanks onze afwijzende houding! Jezus heeft onze dood op zich genomen door zelf lichamelijk te sterven en Hij is toch onze schepper! Om het nog eens duidelijk te zeggen: Hij heeft daardoor voor ons de weg gebaand in plaats van de ondergang naar het bloeiende leven, maar er blijft voor ons vanzelfsprekend nog iets te doen over. En dat is, dat wij deze weg nu ook moeten gaan – anders helpt dit nieuwe pad helemaal niets. In zijn antwoord aan Jakob Lorber waarschuwt de Heer ons mensen, dat de eerste stap, namelijk het aanhoren en lezen van Zijn woord nog gemakkelijk is, maar het mag daar niet bij blijven. Wij moeten volgens Zijn woord handelen. Dat betekent de nieuwe weg bewandelen, die naar de openstaande poort van de hemel leidt. Ook dat getuigt weer van Zijn dorst naar onze liefde.

In de “Himmelsgaben” wordt hier ook over gesproken. Daarin horen wij dat door het volmaakte leven van Jezus op aarde, dat tot uitdrukking gekomen is door  Gods liefde, de hel ondergeschikt werd. Tot dat tijdstip stond de hel onder de macht van Gods heiligheid. De liefde is het zuiverste tegendeel van de hel en is daarom ook de grootste vijand van de hel. Maar juist door Zijn grote liefde kunnen en moeten alle mensen uit de hel worden gered.

De materiële wereld is niets anders dan de uiterlijke vorm van de hel. De vrienden van de hel proberen alles te verwoesten. Hun wapens zijn o.a. eigenliefde, pronkzucht, rijkdom, begeerte, heerszucht en wellust met alle daaruit voortkomende ellende. Maar door de verlossing is de aarde gezegend. De winst is al geboekt. Zolang wij op de nieuwe weg blijven gaan, dus God als onze hemelse Vader erkennen en lief hebben, kan ook de hedendaagse helse instelling ons niets aandoen.

Om dat te bevestigen zegt Jezus over zichzelf in deel 8 van het GJE: “Ik ben zoals ik nu bij jullie ben als een mens in het vlees, de Zoon en ben verwekt door Mijzelf en ben daarom Mijn hoogst eigen Vader van eeuwigheid. Dat lichaam van Mij is daarom de verheerlijkte gestalte van de Vader ten behoeve van de mensen en engelen, opdat ik een zichtbare God voor hen ben, en jullie kunnen Mij nu zien, naar Mij luisteren en met Mij spreken.” Dat is ook weer het bewijs dat de schepper van het heelal er alles aan doet om ervoor te zorgen dat wij de juiste weg – nl. om de ziel te bevrijden – niet te moeilijk vinden en Hem daarover steeds vragen kunnen stellen. 

Over de verlossing zelf horen wij in deel 11 van het GJE: “Je moet weten, dat Ik neergedaald ben om de mensen te verlossen en dat de verlossing niet alleen geestelijk maar ook materiëel zal gebeuren, omdat geest en materie innig samenhangen, want de materie is uit de geest ontstaan. De geest staat echter op het punt in de materie onder te gaan; daarom moet de materie opengebroken worden, om gered te kunnen worden om geestelijk te worden. En dat is het verlossen van de vorm, dat alleen volgens bepaalde wetten kan plaats vinden. In het tegenovergestelde geval moet de Godheid haar schepping vernietigen, terwijl zij deze toch wil behouden.”

  1. Acceptatie van Gods liefde in deemoed 

Het wordt steeds duidelijker, dat de mens zelf moet meehelpen aan zijn individuele verlossing. Vervolgens zou één van de eerste vragen kunnen zijn: “Waarom ben ik op aarde?” En het antwoord hierop lezen wij in de Huishouding: “De mens is er vanwege het leven en niet omgekeerd. Hij is geschapen om het leven in zich op te nemen. Hij is niet geschapen in de compleetheid van het leven, maar wel in staat het leven stap voor stap in zich op te nemen.” Het eeuwige leven is in God en wij erkennen het door onze liefde tot God. Het getuigt beslist niet van wijsheid als wij alleen van een tijdelijk leven uitgaan, want Hij heeft ons levende gevoelens van liefde en een eeuwig leven gegeven, die er steeds mee beginnen en eindigen, dat wij Hem boven alles moeten liefhebben! Doen wij dat, dan verbinden wij ons met Zijn eeuwig leven. Willen wij ons echter afscheiden van Zijn leven, dan scheiden wij ons af van het eeuwige leven en van de liefde. Dan zal ons leven wel niet helemaal eindigen, maar God zal dan diegene alleen nog maar de rechter zijn, en je liefdevolle, heilige Vader en jouw eeuwig vrije en zalige leven met Hem ben je kwijt. 

Hier komt het inzicht naar voren, dat wij alleen in liefde voor Jezus, die met een grote deemoed  verbonden moet zijn, echte goddelijke kinderen kunnen worden. 

Een bijzonder goed voorbeeld vinden wij in de Huishouding, waar wij koning Lamech uit Hanoch tegenkomen. Hij beschouwde zichzelf als een almachtige koning en liet zich als een God vereren, totdat Kisehel, een bode van de hoogte – dus waar Adam, Seth en Henoch woonden – de opdracht kreeg om deze Lamech voor God te winnen. In dat proces van verandering vraagt Lamech aan Kisehel: “God doet wat Hij wil, zowel met de krachten in de hemel als ook met die op aarde, en niemand kan Hem tegenhouden, want Hij is een enig Heer. Wie Hij wil straffen, die straft Hij. Zie, dat weet ik nu allemaal. Maar daarom kunnen wij Hem in de eigenlijke zin ook helemaal niet liefhebben en niet loven, en als wij dat toch doen, dan doen wij dat alleen omwille van ons eigen welbevinden. Want wie is in staat God te verhogen, terwijl Hij al van eeuwigheid de Allerhoogste is? En toch zou ik dat graag alleen vanwege God doen – en niet vanwege mijn welbevinden!  Dat wij helemaal niets voor Hem kunnen doen, dat bedrukt mijn ziel, maakt mijn hart bedroefd!”

Wat Lamech daar inziet, dat zullen wij zeker ook allemaal voelen of eens gevoeld hebben. Maar hij is op de juiste weg om te ontdekken, dat liefde én deemoed op de hemelse Vader gericht moeten zijn en dat dan de Almachtige achter de Vader verdwijnt.. Hij krijgt dan ook van Kisehel het antwoord: “Als jij geen woorden in jezelf meer vindt om Hem te danken en geen offer dat Hem waardig is, dan dank jij op een waarachtige manier. Dat is de echte deemoed en die is het zaad voor het eeuwige leven in God! Dat is het begin van de zuivere liefde – en is het eeuwige leven!”

Verderop in de Huishouding is dezelfde Kisehel bang voor de Heer, nadat hij een belevenis met een draak had. Henoch onderwijst hem daarop: “Hoe kan je nu zo bang zijn voor Hem, omdat je door de draak geplaagd werd? Maar ben je bang voor de Heer, dan kun je er ook van verzekerd zijn, dat de vrees bij je zal blijven en je liefde tot God zal ondergraven, en de Vader zal dan niet in staat zijn zich te laten zien, omdat Hij jouw zwakheid geen geweld wil aandoen. Geloof me, mijn broeder Kisehel, niet de Heer straft de onrechtvaardige, maar dat doet de onrechtvaardige zelf, want door zijn daad is zijn hart vol grote heimelijke angst voor God en zij is dan de schepper van het gericht en de straf in het eigen hart.”

“Onze zwakheid geen geweld aandoen” hoorden wij zonet. Dat is de echte, diepe liefde van God voor ons mensen! Hier komt duidelijk te voorschijn, dat wij God steeds zo sterk mogelijk lief moeten hebben, willen wij in staat zijn Zijn liefde volkomen te ontvangen. Anders is Zijn liefde te sterk en het gevolg daarvan is, dat de mens ofwel een willoze robot wordt, ofwel innerlijk verbrandt door het te hevige vuur van de goddelijke liefde. 

Het woord “deemoed” wordt duidelijk met de volgende uitspraak van Jezus: “De deemoed van de mens is het zachte geduld van het hart, terwijl hij zijn voortreffelijkheid wel beseft, maar zich nooit heerszuchtig verheft boven zijn broeders die nog zwakker zijn, maar deze met leer en daad helpt. Ik Zelf ben van ganser harte deemoedig en zachtmoedig en mijn geduld kent geen grenzen; maar jullie zullen nog nooit hebben meegemaakt, dat Ik Mij daarom ooit zelf heb veracht. Wie zichzelf niet acht als een werk van God, die kan ook zijn medemens niet achten.” 

Zo bezien is deemoed geen nederigheid, die een uiting is van zwakheid, maar zij is juist een grote innerlijke kracht. Zij is altijd met een sterke liefde verbonden en zij kan steeds voortreffelijker worden toegepast naarmate de liefde tot de hemelse Vader groeit. 

Dat alles hoort bij het werk dat de mens kan en moet doen om een kind van God te worden, want deemoed is de enige eigenschap, die God ons niet kan geven maar die wij zelf in ons te ontwikkelen hebben. De versterking van de liefde in verbinding met deemoed – dat breng ook een verbetering van erkenning van je naaste met zich mee – dat is de zin van het aardse leven. Dat mogen wij nooit uit het oog verliezen.

  1. Het kindschap voor de mens 

Ons verlangen als een ´kind in opleiding` moet zijn om de stem van de hemelse Vader te horen, want alleen dan kan Zijn geest ons doordringen. Wij kunnen b.v. in stilte naar ons innerlijk luisteren om met Hem een gesprek te voeren. Dan zullen de in ons opkomende gedachten van Hem zelf uitgaan en dat is dan Zijn antwoord, juist in de vorm van gedachten. Maar wij kunnen ook Zijn woord lezen, b.v. in de bijbel, en ook dan is weer onze instelling tot Hem doorslaggevend, of en hoe Zijn woord ons aanraakt; zijn wij vol aandacht of nemen wij er genoegen mee om het verstandelijk te lezen? En ook door de mond van iemand anders kan Hij ons toespreken. Dat kan door een preek in de kerk zijn of door een gewoon gesprek met iemand anders.

De verbinding met God werd in de oertijd door ons verbroken en daardoor hebben wij nu nog dat verduisterde bewustzijn. De band met God, de hemelse Vader, moet begrijpelijkerwijs door ons weer bewust en vrijwillig worden gezocht. Het verbreken van de verbinding in de oertijd is er de oorzaak van, dat het van de mens moet uitgaan dat God weer tot hem zou spreken en de mens nu wel bereid is om te luisteren. Dit inzicht is het bewijs dat de mens weer de vaste band met de hemelse Vader zoekt. 

Het beginnende goddelijke woord zal de mens eerst op de twee liefdesgeboden wijzen en dan pas zal hogere kennis worden gegeven, die het licht in de mens verhoogt. Maar het is wel zo dat de mens, die het woord van God wil opnemen, alles in zijn verstand tot zwijgen moet brengen. Hij moet zich losmaken van het wereldse en Hem al zijn liefde schenken.

Op deze plaats maak ik graag een doorgeving aan mijzelf bekend: “… ook als je niet constant een mededeling van Mij opschrijft, dan ben je in je hart wel bij Mij, zoals Ik bij jou ben. Deze samenwerking is nodig, want hoe zou Ik anders het leven van mijn kinderen kunnen sterken? Op aarde kennen zij alleen hun schijnleven en verkeren meestal in de verkeerde veronderstelling, dat dit het echte en enige leven is. Maar wat een fout! Dat leven is jullie alleen gegeven om het werkelijke, ware leven, dat in de geest plaats vindt, in jullie zelf te sterken. Dat moet door jullie zelf gebeuren, want jullie hebben het ook zelf weggegooid. Door de ervaringen in het schijnleven kan het eigen inzicht veel gemakkelijker dagen. Maar ook al is het nastrevenswaardig om de geestelijke wedergeboorte reeds op aarde te ontvangen, (en het niet lukt) heb Ik toch genoeg erbarmen met jullie om jullie halverwege tegemoet te komen, d.w.z. om jullie na je aardse leven hier op te vangen en verder te leiden op de open weg naar de wedergeboorte.

Zo beseffen jullie, dat Ik een echte Vader ben, die genoeg wijsheid heeft om te zien dat Mijn kinderen in het aardse leven in de duisternis staan en nauwelijks lichte momenten hebben. Maar omdat het aardse leven slechts een kort moment aan het begin van het opnieuw gewonnen leven is, stroomt Mijn genade in rijke mate, opdat jullie de juiste weg kunnen vinden. Blijf geconcentreerd op je hart; daar heb je het juiste leven, dat je zegt wat je moet doen. Luister, dan ga je op de snelste weg terug naar Mij!” 

En altijd stroomt Zijn overgrote barmhartigheid naar iedereen toe. Zonder Zijn erbarmen zouden wij geen stap vooruit kunnen doen. Maar dat maakt ons ook duidelijk, dat wij ondanks het accepteren van Zijn woord nog geen recht op de hemel hebben. Zijn barmhartigheid is het, die ons de hemel terug geeft. 

Het is aan te raden de werken van Jakob Lorber over de geestelijke wereld te lezen, zoals bv. “De Geestelijke zon”, “Bisschop Martinus” en “Van de hel tot de hemel”. Daarin worden ook de verschillende hemelen getoond. Als bijzonderheid mogen wij ook een kleine blik werpen op het middelpunt van de bovenste hemel, de stad Jeruzalem. Verder horen wij daar wat voor onvoorstelbare taken de kinderen van God te wachten staan. 

Aan Robert Blum zegt Jezus ook iets over de genadezon: “ In de twee lagere hemelen, dat zijn de pure wijsheidshemel en de liefde-wijsheidshemel, kan Ik door de bewoners alleen als de genadezon worden gezien. Alleen in deze hoogste hemel ben Ik buiten de zon zichtbaar, ook als Ik in de zon verblijf. Buiten de zon ben Ik zoals jullie Mij nu zien en in de zon ben Ik puur geestelijk in Mijn wil, Mijn liefde en Mijn wijsheid. Desondanks is er een verschil tussen Mij en de zon. Ik ben de oergrond en de zon is gelijk aan de uitstraling van Mijn geest, die onverzwakt in alle oneindigheid waait en Mijn eeuwige orde schept.”

Het is te hopen dat het tot ons mensen doordringt hoezeer God ons bemint en hoeveel Hij ons aanbiedt en wil geven. Wij moeten ons niet gek laten maken door het wereldse rumoer; laten we Hem dagelijks in ons aan het woord komen, opdat wij op onze eigen weg Zijn aanwijzingen volgen en met dank en vreugde op de weg naar de hemel groeien.

                                                    —————————-  

Crystal Stars Velp's avatar

Door Crystal Stars Velp

trading Gemstones, Fossils, Minerals, Metals, YoniEggs & Jewelry from all over the world. Kinesiology, Healing @ a distance, Braingym & FamilyConstellation.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.