Een infarct door een infectie

(Intermediair: 1998 April)

Een depressie is ‘psychisch’ en van vet eten krijg je hartklachten, houden artsen ons voor. Onderzoekers hebben de laatste jaren ontdekt dat virussen en bacteriën bij deze kwalen – en talloze andere – óók een rol spelen. Kan een hartaanval besmettelijk zijn?

Een kat zit al dagen roerloos op een grasveld in een Engelse voortuin. Eet niet. Drinkt niet. Baas en bazin halen er teneinde raad de dierenarts bij. ‘Uw kat’, verkondigt deze, ‘lijdt aan iets waar wij dierenartsen nog geen woord voor hebben bedacht. Total inertie. Een gebrek aan belangstelling voor alles om hem heen – wat wij dierenartsen noemen zijn omgeving.’
Uiteindelijk wordt de hulp ingeroepen van Confuse-A-Cat Ltd, ‘Europe’s leading cat-confusing service’. Het dier geneest prompt.
Hoewel de dierenarts in deze beroemde Monty Pyton-sketch er geen term voor zegt te hebben, is al meer dan een eeuw bekend dat katten en andere huisdieren kunnen lijden aan mentale stoornissen die worden veroorzaakt door een virus. Dit zogenoemde Borna-virus, een verre verwant van het hondsdolheidsvirus, werd eerst ontdekt bij paarden. Later bleken het ook katten, schapen, koeien en struisvogels te infecteren. En laboratoriumproeven toonden aan dat ook apen besmet kunnen worden.
Het Borna-virus (vernoemd naar de Oost-Duitse landstreek waar het werd ontdekt) nestelt zich in de hersenen, waar het een voorkeur lijkt te hebben voor die delen die belangrijk zijn bij basale emoties. Zenuwcellen in dit zogenoemde limbisch systeem raken hierbij ontregeld. Vandaar de psychotische effecten van het virus. Besmette dieren worden agressief, apathisch of vertonen afwijkend seksueel en sociaal gedrag.
Begin jaren tachtig begonnen Borna-onderzoekers te vermoeden dat het virus zich misschien niet beperkte tot dieren. Als het apen kon besmetten, waarom dan niet mensen? En wat zou daar dan het effect van zijn? Uiteindelijk trok een team van Duitse en Amerikaanse onderzoekers de stoute schoenen aan en deed een grootschalig onderzoek onder bijna duizend psychiatrische patiënten en tweehonderd gezonde proefpersonen. Ze keken of in hun bloed antistoffen tegen het Borna-virus te vinden waren, wat zou betekenen dat ze er ooit mee besmet waren.
De resultaten, die in 1985 werden bekend gemaakt, waren prikkelend. Terwijl niemand van de gezonde controlegroep positief reageerde op de antistoffentest, bleek een klein percentage van de psychiatrische patiënten Borna-positief te zijn. Sindsdien is het Borna-onderzoek in een stroomversnelling beland, vooral vanwege het werk van onderzoekers onder leiding van Liv Bode van het Berlijnse Koch Instituut.
Bode en haar medewerkers kwamen de afgelopen jaren met steeds spectaculairder claims. Vijf jaar geleden vonden ze antistoffen tegen het virus bij dertig procent van een groep patiënten met een zware depressie, terwijl van een controlegroep vrijwel niemand positief reageerde. In 1996 wisten ze het virus zelf te isoleren uit het bloed van zieke patiënten en toonden aan dat het een nieuwe variant was, misschien een specifiek menselijke stam van het virus. Toen het virus werd geïnjecteerd bij konijnen werden deze ook lethargisch.
Maar hun grote klapper kwam vorig jaar, toen ze in het gezaghebbende Britse tijdschrift The Lancet meldden dat het geneesmiddel amantadine (THo: Ik hou het liever op Lysine.) de groei van het Borna-virus kon remmen. Bovendien hadden ze een manisch-depressieve vrouw met het middel behandeld en vrijwel direct genezen. Niks Weltschmerz dus, maar gewoon een ordinair virus.

Chlamydia

De Borna-kwestie staat niet op zichzelf. De afgelopen jaren beginnen alledaagse virusssen en bacteriën steeds vaker op te duiken als mogelijke veroorzakers van allerlei ziekten die van oudsher niet als infectieziekten te boek staan.
Het begon allemaal met maagzweren. Tot voor kort golden stress en opgekropte woede als voornaamste oorzaken van een maagzweer. Wie gespannen was en emoties niet goed kon uiten, maakte teveel maagzuur aan en kreeg daardoor zweren in de maagwand, zo luidde de gangbare opvatting. Kuren met zuurremmers en het operatief verwijderen van hele stukken maag waren lange tijd de enige remedies.
Maar in 1984 ontdekten twee Australische onderzoekers een tot dan toe onbekende bacterie bij maagpatiënten. Inmiddels staat vast dat deze Helicobacter pylori schuldig is aan vrijwel alle maagzweren, die tegenwoordig dan ook vaak genezen worden met een cocktail van antibiotica.
Aangestoken door het Helicobacter-succesverhaal of niet, maar amper was de maagzweer opgenomen in de rangen der infectieziekten, of een bijna identiek verhaal begon zich te ontspinnen. Ditmaal twee organen hoger: het hart.
Hartziekten vormen een groot probleem voor de volksgezondheid. Jaarlijks overlijden miljoenen mensen aan hartinfarcten en andere aandoeningen van hart en kransslagaders. Geen wonder dus dat onderzoekers al jaren de risicofactoren wikken en wegen. ‘De voornaamste factoren zijn al een tijdje duidelijk’, zegt John Danesh, een epidemioloog van de Universiteit van Oxford. ‘Dat zijn cholesterol (Tho: fout!), roken en verhoogde bloeddruk.’
Maar desondanks blijven er vragen. Bijvoorbeeld: waarom behoort de helft van alle mensen die door een hartaanval getroffen worden, niét tot een risicogroep (ze hebben een risicogroep niet onderkend; die met een zwakke aderwand!) De conventionele risicofactoren, zoals roken, (…) hoge bloeddruk, vet en leefpatroon, kunnen de veelvormigheid van de ziekte niet afdoende verklaren, en ook niet waarom genomen maatregelen niet het effect hebben gehad dat epidemiologen hadden voorspeld’, schreven onlangs twee medici in een commentaar in The Lancet.
Met andere woorden: er zit nog een addertje onder het gras. En velen denken dat dat addertje luistert naar de naam Chlamydia pneumoniae. Dit neefje van de seksueel overdraagbare Chlamydia trachomatis is normaliter een onschuldig schepseltje dat zich verspreidt via hoesten en niezen en dat ruim vijftig procent van de bevolking in zijn luchtwegen bij zich draagt. Slechts heel af en toe veroorzaakt het longontsteking.

Fins Echtpaar

Inmiddels lijkt het erop dat Chlamydia veel meer op zijn kerfstok zou kunnen hebben. Tien jaar geleden ontdekte het Finse artsenechtpaar Pekka Saikku en Maija Leikonen dat hartpatiënten altijd grote hoeveelheden antistoffen tegen Chlamydia in hun bloed hadden. Blijkbaar hadden zij herhaaldelijk of langdurig te kampen gehad met een ernstige infectie met de bacterie. Bij gezonde mensen zagen ze iets dergelijks niet.
In de jaren die volgden probeerden talloze onderzoekers uit alle windstreken om de Finse resultaten te herhalen. En met succes. Het ene na het andere artikel verscheen, waarbij telkens weer een link werd gelegd tussen hartziekte en de bacterie. Soms werd gebruik gemaakt van de antistoffentest, soms van de meer gevoelige polymerase-kettingreactie (PCR0, waarmee het DNA van de bacterie kon worden aangetoond.
De epidemioloog Thomas Grayston van de Universiteit van Washington in Seattle bijvoorbeeld, onderzocht verkalkt weefsel uit kransslagaders en vond sporen van Chlamydia-DNA. Vergelijkbare resultaten werden spoedig geboekt in laboratoria in Finland, Italië, Japan en de VS.
Maar hoewel dit soort correlaties bleven binnenstromen, had nog niemand de microbe levend en wel in een zieke kransslagader aangetroffen. Dat gebeurde uiteindelijk pas in 1995, toen onderzoeker James Summersgill van de Universiteit van Louisville in Kentucky bekendmaakte dat hij en zijn collega’s Chlamydia hadden weten op te kweken uit weefsel van een verkalkte kransslagader.
Het leek duidelijk: op de een of andere manier had dit minuscule bacterietje iets te maken met hartziekte. Maar wat precies? Danesh: ‘ Een correlatie is nog geen oorzakelijk verband. De microbe kan wel gewoon een opportunistische infectie zijn, die pas optreedt nadat de aderverkalking is ontstaan.’
Toch hebben onderzoekers als Charlotte Gaydos, een Chlamydia-exptert aan de Johns Hopkins Universiteit in Baltimore, al een complete theorie klaarliggen. Om te beginnen moet worden verklaard hoe de bacterie, die zich normaal in de luchtwegen nestelt, in bloedvaten terechtkomt. ‘De bacteriën in haarvaatjes in de longen worden opgepikt door speciale witte bloedcellen die macrofagen heten’, suggereert Gaydos. ‘ Het is mogelijk dat die macrofagen ze dan verder in de bloedbaan transporteren.’
Tijdens een congres in Las Vegas vorig jaar maakte Gaydos bekend dat zij en haar medewerkers erin geslaagd waren de bacterie in het laboratorium gladde spiercellen te laten infecteren. (THo: Als de gladde spiercellen van de aderwand al beschadigd zijn gaat dit wellicht nog gemakkelijker ) Hetzelfde soort cellen vormt de wand van de kransslagaders. Gaydos denkt dat Chlamydia, al liftend in de macrofagen, terechtkomt op plaatsen waar cholesterol of tabaksbestanddelen een bloedvat hebben beschadigd. (THo: Hoe beschadigd men de bloedvaten – Zie dr. Rath’s verhandelingen. – Hier zit men er dicht bij, maar het onderzoek is te erg gespecialiseerd richting de soort bacterie o.i.d.) Macrofagen zijn namelijk cellen die kloddertjes vet kunnen opruimen. Als ze bij hun opruimwerk de bacterie in de wondjes achterlaten, kan een vicieuze cirkel ontstaan van ontsteking, meer beschadiging, waardoor meer macrofagen worden aangetrokken, die vervolgens weer Chlamydia meebrengen, enzovoorts. (THo: Volgens mij zijn alle bacteriën te vinden in de kransslagader, behalve als de wand niet beschadigd is…) Op die manier kan een kleine beschadiging van de vaatwand escaleren tot een complete verstopping.
Dit alles zou dus betekenen dat hartproblemen met antibiotica te voorkomen zijn. En dat is precies wat onderzoek bij Britse en Argentijnse hartpatiënten vorig jaar aantoonde. Sandeep Gupta, een cardioloog van St. George’s Hospital Medical School in Londen ontdekte dat patiënten die na een hartinfarct antibiotica toegediend hadden gekregen, een vier maal zo kleine kans op een tweede hartinfarct hadden dan patiënten die deze behandeling niet kregen. Het positieve effect was overigens alleen maar te zien bij patiënten bij wie veel antistoffen tegen Chlamydia waren aangetroffen. Een vergelijkbare studie door E. Gurfinkel uit Buenos Aires vertoonde eenzelfde uitslag.
‘Maar eigenlijk waren die onderzoekjes nog wat te kleinschalig’, vindt Bill Fong van het St. Michael’s Hospital in Toronto. ‘In beide gevallen ging het om hooguit tweehonderd proefpersonen, dus eigenlijk niet veel meer dan pilot-studies. Momenteel is een veel groter internationaal onderzoek opgestart, waaraan meer dan drieduizend patiënten meewerken. Ik ben heel benieuwd wat dat gaat opleveren.’
Fongs nieuwsgierigheid is begrijpelijk, want hij was degene die begin vorig jaar de resultaten publiceerde van het meest overtuigende Chlamydia-onderzoek tot nog toe. Hij hield proefkonijnen op een laag-cholesteroldieet en infecteerde ze vervolgens via hun neus met Chlamydia. Een groep controlekonijnen kreeg hetzelfde voedsel maar onderging geen behandeling. Fong: ’26 procent van de geïnfecteerde dieren kreeg na verloop van tijd aderverkalking, terwijl in de controlegroep alle dieren gezond bleven. De bacterie had dus een flinke invloed op het ontstaan van de ziekte, zelfs wanneer er sprake was van een gezond dieet.’
Fong zegt dat een serie meer gedetailleerde proeven nog overtuigender was. De resultaten daarvan zijn nog niet gepubliceerd, maar hij laat Intermediair weten dat onder andere het percentage dieren met aderverkalking opliep tot vijfendertig procent wanneer de behandeling met Chlamydia driemaal werd herhaald.

Kankervirussen

De waslijst van virussen en bacteriën die verdacht worden van betrokkenheid bij bekende ziekten, groeit inmiddels door. Behalve het Borna-virus, Helicobacter en Chlamydia is er zeker een dozijn andere microben waarvan onderzoekers vermoeden dat ze te maken hebben met ziekten als kanker, multiple sclerose en diabetes.
De relatie met kanker is trouwens niets nieuws, Al bijna een eeuw geleden toonden artsen aan dat een kippenvirus kanker kon veroorzaken. En in de jaren zestig werd een ware heksenjacht ontketend op ‘kankervirussen’ bij mensen. Maar omdat er maar weinig succes werd geboekt zakte de interesse in de vroege jaren tachtig weer wat in.
De laatste jaren is de virus-kankerconnectie echter weer helemaal in. Hepatitis B en C hebben faam veroverd als veroorzaker van leverkanker, papilloma virus heeft te maken met verschillende kankers aan de geslachtsorganen en herpes-virus 8 met het sarcoom van Kaposi, de beruchte donkere vlekken op de huid die vaak een van de eerste symptomen van aids zijn.
Behalve kanker lijken vooral hartziekten vaak geassocieerd te worden met de een of andere microbe. Naast Chlamydia zijn er zeker nog twee andere micro-organismen die door sommige onderzoekers met argusogen worden bekeken, een bacterie en een virus. De eerste is een oude bekende: Helicobactor pylori. Volgens sommigen heeft deze meer op zijn geweten dan alleen maagzweren, maar, zegt Danesh, ‘het bewijs daarvoor is heel zwak’.
Veel sterker zijn de aanwijzingen dat een virus dat luistert naar de naam cytomegalovirus (CMV) net als Chlamydia aderverkalking teweeg kan brengen. Ook dit is een huis-tuin-en-keuken-organisme, dat meer dan de helft van de wereldbevolking met zich meedraagt zonder er last van te hebben. Maar in 1983 werd ontdekt dat CMV zich soms bevindt in het zieke weefsel in dichtgeslibde kransslagaders.
En twee jaar geleden werd een onderzoek gepubliceerd in het New England Journal of Medicine dat het verband nog verder verstevigde. Stephen Epstein van de National Institutes of Health in Bethesda bekeek de na-effecten van dotteren. Deze behandeling, waarbij een vernauwing in een kransslagader wordt verholpen door de ader met een ballonnetje op te rekken, heeft nogal te kampen met terugval na de operatie: tot vijftig procent van de slagaders die zo zijn behandeld, vernauwt zich weer binnen een half jaar. (Tho: Nooit van vitaminen gehoord?) Epstein ontdekte dat patiënten veel meer kans hadden op zo’n terugval wanneer ze CMV-drager waren.

Patenten

Een ander virus dat zich in toenemende belangstelling mag verheugen is het herpes-6-virus. Alweer zo’n onschuldig ding dat eigenlijk alleen maar bekend is als de veroorzaker van de kinderziekte roseola. De Amerikaanse viroloog Steven Jacobson kondigde twee maanden geleden aan dat patiënten die aan multiple sclerose lijden veel vaker en veel meer van dit virus in hun bloed hebben en in hun ontstoken zenuwweefsels hebben dan gezonde mensen.
Helemaal nieuw was deze ontdekking niet, want al in 1991 was iets dergelijks gevonden door onderzoeker van het Amerikaanse bedrijf PathoGenesis in Seattle. Het farmaceutische bedrijf was in die jaren op zoek naar micro-organismen die ‘gelinkt’ konden worden aan chronische ziekten. Het gebruikte daarvoor een techniek die RDA heet (‘representational difference analysis’).
Door het DNA in ziek en gezond weefsel te vergelijken werden de verschillen en daarmee dus ook de mogelijke ziekteverwekkers opgespoord.
‘Een van de ontdekkingen die toen werden gedaan was de associatie van herpes-6 met multiple sclerose’, zegt woordvoerster Maryellen Thielen van PathoGenesis. ‘We hebben een aantal patenten laten vastleggen, maar uiteindelijk hebben we er niets mee gedaan omdat we toendertijd nog maar een klein bedrijfje waren en het niet lukte om een behandelingsmethode van de grond te krijgen.’
Toch is het gebruik van geavanceerde biotechnologie zoals RDA er de oorzaak van dat de ontmaskering van micro-organismen de laatste tijd zo rap gaat, denkt Danesh. Vooral PCR, de polymerase-kettingreactie, waarmee minuscule hoeveelheden DNA van bijvoorbeeld bacteriën of virussen kunnen worden aangetoond, maakt tegenwoordig onderzoek mogelijk dat tien jaar geleden nog ondenkbaar was.

Slordig lab

Anderen zien de gevoeligheid van PCR eerder als nadeel, vanweger de kans op ‘foute positieven’. Margaret Hammerschlag is zo’n scepticus. Als onderzoekster van luchtweginfecties aan de State University of New York heeft ze de hele hype rond Chlamydia pneumoniae van dichtbij meegemaakt en herhaaldelijk in vaktijdschriften haar twijfels geuit. Een verzoek om nadere uitleg over de telefoon levert dan ook eerst een diepe zucht op. Dan barst ze los. ‘Dat hele Chlamydia-verhaal is helemaal uit de hand gelopen’, moppert ze. ‘Iedereen is bang om de boot te missen en daarom worden er massa’s slecht uitgevoerd en onbetrouwbaar onderzoek gepubliceerd. Kort geleden was er een artikel over het voorkomen van Chlamydia in vernauwde kransslagaders. In dat onderzoek namen zeven verschillende laboratoria deel. Van de tien weefselmonsters die ze onderzocht hadden was er maar één positief in alle laboratoria. Van de resterende negen waren er zes positief in maar één van de zeven labs en negatief elders. En toch beweerden ze dat ze Chlamydia hadden gevonden in zeventig procent van de gevallen. Ik zou zeggen: je hebt één positief monster en de rest is vervuild door in het lab rondzwervend DNA!’
Ook Chlamydia-onderzoeker Fong is geen fan van de polymerase-kettingreactie. ‘Die is onbetrouwbaar’, geeft hij toe. ‘Maar de antistoffentest is oké.’ En ondanks de af en toe twijfelachtige kwaliteit van het onderzoek vindt Fong dat de betrokkenheid van de bacterie bij hartinfarcten zo goed als vaststaat. (THo: Het is een gevolg van het beschadigd zijn van de aderwand dat deze bacterie daar voorkomt.)
Ook de Borna-geschiedenis is niet helemaal van smetten vrij, zo blijkt bij navraag. Hilary Koprowski, een medisch bioloog aan de Thomas Jefferson Universiteit in Philadelphia, was een van de auteurs van het artikel waarin in 1985 voor het eerst een suggestief verband werd gelegd tussen Borna-virus en depressie. ‘Ik wou dat we dat stuk nooit hadden geschreven’, snauwt hij dertien jaar later. ‘Ik ben zeer, zeer sceptisch geworden over het hele idee.’
Koprowski zegt onder meer het twijfelen gebracht te zijn door recent onderzoek van hemzelf, waarbij bleek dat Borna-virus alleen kon worden aangetoond in laboratoria waar al eerder met het virus gewerkt was. De fatale combinatie van een slordig lab en een gevoelige detectietechniek.
Het zal, kortom, nog wel even duren voor een consensus is bereikt over de diverse claims. Maar haast is geboden, want er staan veel levens op het spel. (THo: hmm..) Twee jaar geleden ontdekten Japanse onderzoekers van Hokkaido Universiteit in Sapporo dat vijf procent van alle bloeddonoren dragers van het Borna-virus zijn. Als de gegevens juist zijn, is de boodschap even dringend als angstaanjagend: bij een transfusie kan andermans depressie worden overgebracht. En wat Chlamydia betreft, zelfs al zou de bacterie maar een paar procent van alle hartziekten voor zijn rekening nemen (THo: 0%), dan nog betekent dit dat er met antibiotica jaarlijks wereldwijd zo’n honderduizend hartinfarcten te voorkomen zijn…
Danesh houdt de deur voor alle zekerheid op een flinke kier. ‘Als je de complete bewijslast op een rij zet en statistisch analyseert, dan blijkt er, in ieder geval wat Chlamydia en CMV betreft, wel wat in te zitten. Mike Rayner, een Oxfordse epidemioloog en collega van Danesh, valt hem bij: ‘Ik ben geen bekeerling, maar ik geloof dat we zeker met Chlamydia en mogelijk ook met verschillende andere ziekteverwekkers iets interessants te pakken hebben.’
Sinds de ervaringen met maagzweren durft niemand een nieuw gevonden verband tussen ziekte en een micro-organisme zomaar terzijde te schuiven. Maar het lastige is een lijn te vinden in de rijstebrijberg van meer of minder betrouwbare onderzoekjes. Wat nodig is, zegt Danesh, is een gecoördineerde operatie waarin virologen, microbiologen, epidemiologen en artsen de complete dierentuinen die we met ons meedragen inventariseren en onderzoeken op mogelijke connecties met bekende ziekten. ‘Een soort human germ project.’
Intermediair, 19 februari 1998 (Commentaar THo)
Verdachte microorganismen en de ziekten die ze zo mogelijk veroorzaken:
Borna-virus: ‘gewone’ en manische depressie, schizofrenie
Chlamydia pneumoniae: aderverkalking
Cytomegalovirus: aderverkalking
herpes-6-virus: multiple sclerose
herpes-8-virus: sarcoom van Kaposi
Epstein-Barr-virus: ziekte van Hodgkin, lymfoom van Burkitt, kanker in de neuskeelholte
Hepatitis B en C virus: leverkanker
Helicobacter pylori: maagzweer
Humaan papillomavirus: genitale en anale kanker

Kwalen waarbij een micro-organisme een rol speelt, maar waarbij nog geen verdachte kan worden aangewezen:

Rheumatische Arthritis
Sarcoïdose (aandoening van lymfeklieren, longen, huid en ogen)
Ziekte van Crohn (chronische darmontsteking)
Diabetes

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s