De Europese regelgeving
Een gesprek met orthomoleculair coryfee Ruud A. Nieuwenhuis
door Désirée L. Röver (p) 2002
Met superconservatief Duitsland als aanstichter is in maart 2002 de Europese richtlijn voor voedingssupplementen door het Europees Parlement aangenomen. Slechts één Nederlandse politica, Lousewies van der Laan van D’66, durfde in een brief de drijvende kracht erachter te benoemen: ”de intensieve lobby van grote farmaceutische bedrijven”. Verder lijken nog maar weinigen zich ten volle bewust van de desastreuze gevolgen die deze beperkende regelgeving direct en indirect voor de volksgezondheid in petto heeft.
Geschiedenis
Nieuwenhuis: ”Met deze maatregel zal iedere kans op innovatie in de orthomoleculaire geneeskunde ten slotte verdwijnen. Ik ben daarom met stomheid geslagen opnieuw te moeten constateren dat de Nederlandse distributeurs van voedingssupplementen een kortebaans commercieel belang hebben laten prevaleren boven een principiële gezondheidsopstelling.”
Nieuwenhuis: ”Het woord ’opnieuw’ slaat op de periode 1993-94, toen op landelijk politiek niveau een eerste poging is gedaan om de orthomoleculaire geneeskunde buitenspel te zetten. Er was toen sprake van de invoering van een zogenaamde driedeling in voedingssupplementen, gebaseerd op de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH): Producten met daarin voedingstoffen tot 1½ maal de ADH mochten vrij worden verkocht. De tweede categorie, tussen 1½ en 10 maal de ADH, mocht uitsluitend via de drogist worden verkocht; alles binnen de derde categorie, vanaf 10 maal de ADH, werd tot geneesmiddel werd verklaard. En aangezien orthomoleculaire geneeskunde meer wel dan niet werkt met doseringen van ver daarboven, zou het merendeel van de middelen in de wurggreep van deze geneesmiddelverklaring terechtkomen…” Hij vervolgt: ”Toen de Nederlandse distributeurs, verenigd in Natuur- & gezondheidsProducten Nederland (NPN), zich met deze gang van zaken akkoord verklaarden – zelfs de vertegenwoordigers van producten met de hogere ADH-waarden – ben ik uit de commissie gestapt om mijn handen vrij te hebben om dit absurde voorstel alsnog te kunnen tegenhouden. Mede door toedoen van de toenmalige staatssecretaris is ten slotte van de maatregel afgezien en zijn voedingssupplementen onder de Warenwet geplaatst.”
Warenwet
Hij licht toe: ”En die formule is de meest liberale regeling van het hele Europese continent, want deze biedt de mogelijkheid om voedingssupplementen zonder restrictie op de markt te brengen. Daarbij wordt de zogenaamde negatieve lijst bij gehanteerd: men mag alles op de markt brengen mits het een voedingstof is. Er is geen toelating vooraf nodig, maar wanneer zou blijken dat een stof niet goed voor de volksgezondheid is, heeft de overheid wel de mogelijkheid tot ingrijpen”. Hij vervolgt: ”Verder is het in Nederland – en dat is vrij uniek – toegestaan om bepaalde gezondheidsclaims bij producten te vermelden. Dit is geregeld in een vrijwillige overeenkomst tussen farmacie en de suppletie-industrie, onder auspiciën van de overheid, de Keuringsraad Aanprijzing Gezondheidsproducten (KAG). Die brengt om de zoveel tijd een nieuwe versie uit van de zogenaamde Leidraad, waarin per voedingstof precies vermeld staat in wat je daar als gezondheidsclaim op mag zetten. Dat heeft daardoor dus wel zijn beperkingen, maar je mag er in ieder geval iets van zeggen – overigens zonder medische terminologie te gebruiken, dat is voorbehouden aan de reguliere farmaceutische producten. Dus niet: ’geïndiceerd bij arteriosclerose’, maar wel: ’Goed voor hart en bloedvaten’. Het gevolg hiervan is natuurlijk dat de diverse aanbieders allemaal ongeveer hetzelfde over zo’n stof zeggen. Maar in ieder geval geldt, vooral voor de zelfzorgsector, dat aan de consument in spreektaal mag worden duidelijk gemaakt wat een stof of een product voor zijn gezondheid kan betekenen. Dat werkt vrij goed”.
Principieel onjuist
Nieuwenhuis benadrukt: ”Ik vind dit principieel onjuist, want ik zou niet weten waarom je van een voedingstof niet zou mogen zeggen dat die een bepaalde werking heeft wanneer dat uitdrukkelijk wetenschappelijk is aangetoond. Maar dat is nu eenmaal het water dat de suppletie-industrie bij de wijn heeft gedaan, en dat werkt naar tevredenheid van de meeste deelnemers. Nogmaals, ik ben het er niet eens, maar bij een kiezen tussen twee kwaden is het beter dan niks”. Hij vervolgt: ”In brochures en pamfletten kan wel het een en ander worden gezegd, mits dat binnen de KAG-normen gebeurt. Anders hebben inspecteurs van de Warenwet het recht om dat voor te leggen aan de Inspectie Gezondheidsbescherming. Wanneer die vindt dat het een overtreding betreft van de Warenwet, dan wordt het automatisch een geneesmiddel, en daar is dan geen vergunning voor. Vervolgens komen dan de inspecteurs van de Warenwet het middel in beslag nemen. De sanctie op overtreding is dus zwaar. En wat dat betreft is men veel strenger in het consumentencircuit dan in het medisch circuit, waarin alles een klein beetje minder open is en waar in publicaties veel meer kan worden gezegd.” Hij voegt toe: ”Er schijnt nu zelfs iemand van de Inspectie Gezondheidsbescherming te hebben gezegd dat een verbod op til is om bij een tijdschriftartikel waarin een bepaalde stof wordt besproken, in hetzelfde blad een advertentie van het desbetreffende product te plaatsen. Dat lijkt me onmogelijk verenigbaar met de grondwet en met de vrije meningsuiting, maar het geeft wel aan dat er al op die manier wordt gedacht…”
Appels en peren
Nieuwenhuis: ”In de farmaceutische industrie is men duidelijk veel banger voor de biochemische geneeskunde dan voor de andere takken van natuurgeneeskunde, zoals homeopathie en fytotherapie. De orthomoleculaire middelen – die in feite biochemische geneeskunde betreffen – ziet men als een duidelijke remplaçant van hun farmaceutische specialiteiten. Het publiek begint steeds meer naar die niet-reguliere kanten te neigen. En ook wetenschappelijk is er de trend om meer en meer gebruik te maken van stoffen die geen ongewenste bijwerkingen hebben. Ik denk dat er voor de reguliere geneeskunde een plaats in de gezondheidszorg is, maar dan moet men zich houden bij het behandelen van acute beelden. Daar waar het gaat om chronische kwalen, die meestal ontsporingen van de biochemie betreffen, is het logisch dat wanneer je tot normalisering daarvan wilt komen, je dat alleen kunt doen met stoffen die in die biochemie passen. Lichaamsvreemde farmaceutische stoffen vallen daar geheel buiten, die worden zodra ze in het lichaam binnenkomen, alleen maar onmiddellijk bestreden”.
Hij vervolgt: ”Bij farmaceutische producten maakt het onderscheid tussen ’in vivo’ en ’in vitro’ voor het bewijs van de werkzaamheid van stoffen niet zoveel uit. Want in beide gevallen gaat het om stoffen die niet passen in het milieu waarin ze worden ingepast, of dat nu een kweek is of een levend persoon. In beide gevallen kan die stof niet in de voorgeprogrammeerde biochemie worden geplaatst, want het lichaam kent die stof helemaal niet. Dus legt die stof voor een bepaalde tijd, namelijk totdat hij is ontgift, autonoom zijn werking op aan het lichaam. Dat geldt voor die kweek ook. En daarom geldt voor lichaamsvreemde stoffen dat ’in vitro’ tamelijk representatief is voor ’in vivo’. Maar bij voedingstoffen is dat helemaal niet het geval. Een voedingsmiddel dat je in een kweek zet, bevindt zich in een vreemd milieu, want de biochemische voorprogrammering van het lichaam, de hele homeostase, zit natuurlijk nooit in die kweek. Dus gedraagt ook die stof zich daar autonoom. Maar in het lichaam is dat totaal anders. Wanneer er van een stof minder binnenkomt dan er behoefte aan is, dan wordt hij vanuit de voorgeprogrammeerde intelligentie van het lichaam in een bepaalde prioriteitstelling toegedeeld aan de verschillende biochemische processen. Dat is een totaal andere gang van zaken dan de farmaceutische benadering, waarin men via een onderdrukken van symptomen werkt, met middelen zoals Prednison. Stopt de toevoer ervan, dan keren de symptomen terug, vaak nog heviger bovendien.
Misleidende uitgangspunten
Nieuwenhuis: ”We worden nu opgezadeld met een registratieverplichting die alleen van toepassing is op lichaamsvreemde stoffen. Ook de politiek is misleid. Ik heb mevrouw Terpstra in haar tijd als staatssecretaris ooit eens horen zeggen dat ze er problemen mee had dat de voedingssuppletie-industrie zomaar alles als voedingstof op de markt mag brengen, terwijl de farmaceutische industrie zijn producten eerst moet laten toetsen op door het College ter Beoordeling Geneesmiddelen, wat een heleboel geld kost om de werking te bewijzen.”
Geïrriteerd: ”Maar zo zit het helemaal niet, de registratie is er niet gekomen om de werking van voedingssupplementen te bewijzen, maar om de afweging te maken van nut tegenover schadelijkheid. Vandaar dat er dierproefonderzoeken worden verwacht om te kijken ’is het middel niet erger dan de kwaal?’ En dat nut is alleen maar een afgeleide van de betekenis van die onschadelijkheid. Als een product onschadelijk is, vervalt natuurlijk de noodzaak om het nut nog aan te tonen, want het is toch onschadelijk? En dan wordt de consument geacht dat zelf te beoordelen, zoals dat geldt voor andere stoffen in Nederland. Dit is een drogredenering waarvan de farmaceutische industrie al jaren gebruik maakt, en waar ook een heleboel mensen op politiek niveau intuinen. Het lijkt heel redelijk allemaal, terwijl het in werkelijkheid een drogredenering is. En datzelfde zien we hier ook op Europees niveau.” Hij vervolgt: ”Het is trouwens vrijwel ondoenlijk om de politiek werkelijk te bereiken. Zo sprak ik met een mevrouw van het CDA, ik moest haar tot twee keer toe uitleggen wat voedingssupplementen betekenen en waar het in de regelgeving om gaat. Tot mijn stomme verbazing zei ze me tot slot: ’Maar als er voedingstoffen in die producten zitten, dan zouden die gewoon moeten worden toegelaten’. En deze dame moest haar fractie voorlichten…”
Hij vervolgt: ”In Engeland vallen voedingssupplementen wel onder de wet geneesmiddelenvoorziening, maar met een aparte status, los van de farmaceutische middelen. En dat werkt ook goed. In Nederland heeft men de Warenwet gekozen, dat werkt ook, al heeft het allebei zijn voor- en nadelen, want er zou gewoon een aparte categorie moeten komen voor voedingssupplementen met een medisch karakter. Het is mij gebleken dat de mensen van de Inspectie het daar ook mee eens zijn.”
Lijst van toegestane stoffen
Een zeer groot nadeel van de nieuwe regeling is dat gezondheidsclaims totaal verboden zijn. Er mag dus geen enkele claim meer staan op een voedingssupplement. Nieuwenhuis: ”Hoe moet een verkoper de consument dan ooit nog duidelijk maken wat een product doet, als hij daar helemaal niets op mag zetten?”
De richtlijn, ingegeven door de behoefte regulerend op te treden op Europees niveau, heeft als leidraad een positieve lijst opgesteld: een lijst van toegestane stoffen. Het blijkt het steeds moeilijker om ontbrekende stoffen op die positieve lijst te krijgen, dus ook daarin heeft de NPN zich verslikt. Want om een stof op die lijst te krijgen, moet een dossier worden aangeleverd met allerhande bewijzen vanuit onderzoek. Dat dossier is niet beschermd, de onderzoeken zijn kostbaar. De investeringen zijn niet terug te verdienen, want voor iedereen vrijelijk toegankelijk… Daar is toch geen beginnen aan?”
Hij gaat verder: ”De voedingsvorm van selenium, selenomethionine, staat bijvoorbeeld nog altijd niet op die lijst. Terwijl het anorganische (lees: lichaamsvreemde) natriumseloniet dat bij hoge dosering nota bene schadelijk is, er wel op staat… Maar dat is een farmaceutische stof waarvan met weinig bewijsmateriaal genoegen is genomen om op de lijst te worden geplaatst.
Nederland heeft een enorm seleniumarme grond. De gemiddelde inname is gemiddeld 40 microgram per dag, om een beetje van de voordelen van selenium te kunnen genieten is er een begindosis nodig van 200 microgram per dag. Selenomethionine is onderdeel van GPX, glutathionperoxidase, en dat is het belangrijkste anti-oxidant in het hele lichaam. Een tekort aan selenium betekent een minimale verdediging tegen vrije radicalen en een versneld verouderingsproces en een versnelde degeneratie die tot ziektebeelden kan leiden. Die kennis is buitengewoon goed onderbouwd. En dan wordt uitgerekend selenomethionine wordt tot twee keer toe geweigerd om op die lijst te worden gezet.”
Organisch vs. anorganisch
Zo zijn er meer voorbeelden waarin rustig wordt beweerd dat er geen verschil is tussen organische en anorganische stoffen. Magnesiumorotaat, de zinkcitraten zijn zogenaamde gecheleerde verbindingen; planten hebben het mineraal via chelatie gebonden, en zo wordt het intact in de bloedbaan gebracht en voor het celmembraan geplaatst. Het celmembraan herkent de combinatie, laat deze dan toe in de cel, waarna de bewuste stof pas daar wordt ontkoppeld. Vrijwel iedere apotheker vertelt je echter dat deze ontkoppeling plaatsvindt in het maagdarmkanaal. Vanuit dit hardnekkig wetenschappelijk misverstand en gebrek aan kennis is het begrijpelijk dat men dan geen verschil ziet tussen een anorganische mineraalverbinding en organische, gecheleerde verbindingen.
Nieuwenhuis: ”Het lichaam is weliswaar tot op zekere hoogte in staat om anorganische verbindingen zelf nog iets cheleren, namelijk in de darmen. Dus als zo’n mineraal ongecheleerd binnenkomt maar het is heel hard nodig, dat zal het lichaam voorgeprogrammeerd zijn best doen om dat toch nog zelf te cheleren. Maar dat is natuurlijk een noodoplossing. De bedoeling is dat je zo’n mineraal naar binnen krijgt zoals het in de voeding aanwezig is, ook al omdat die organische verbindingen cellulair simpelweg een hogere absorptie hebben. In de farmacie wordt dat verschil niet onderkend, en vandaar dat ook de evenmin materiedeskundige politiek denkt dat die anorganische mineralen niet verschillen van gecheleerde mineralen.”
De ramp van reststoffen
Nieuwenhuis: ”Voor iedere nieuw in de lijst op te nemen orthomoleculaire stof – het gaat tot nu toe alleen nog maar over vitaminen en mineralen – moet een dossier worden ingediend. Nogmaals, op voedingsstoffen zijn geen patenten te verkrijgen, er is geen dossierbescherming, in feite doe je dat dan dus voor iedereen. Zonder dat er gelegenheid is om de investeringen terug te verdienen…
De NPN heeft zich, evenals de buitenlandse industrieën, laten verleiden tot het standpunt dat de regeling acceptabel is, omdat zij van mening zijn/waren dat het plaatsen van producten op die lijst van toegelaten stoffen niet zo’n probleem zou zijn. Aan de andere kant was het grote voordeel voor de commercieel denkende industrie dat daarmee de markt openging van landen die tot nu toe moeilijk bereikbaar waren, zoals Frankrijk en Duitsland.”
Hij lacht: ”Het is een misverstand te denken dat de lokale industrie daar gaat toestaan dat de buitenlandse industrie de markt gaat pakken. Er is bewust gekozen voor dat vermeende commerciële belang, boven de sterk nadelig werking die de regelgeving ten slotte onafwendbaar op de volksgezondheid heeft. Want ik zie er van komen, waar het nu nog redelijk overzichtelijk is in dat het nu nog gaat om vitamines en mineralen waarvan de bewijsmiddelen voor de non-toxiciteit vrij behoorlijk is, het straks een stuk moeilijker wordt voor voedingstoffen zoals aminozuren en enzymen. En voor de restgroep, stoffen die nog niet zo lang zijn ontdekt en onderzocht, of die dat traject nieuw ingaan, voorzie ik een ramp. Ik denk hierbij aan substanties zoals resveratrol, octacosanol, genisteïne, kortom, stoffen die in de voeding voorkomen en over zeer krachtig helende eigenschappen blijken te beschikken. Ontdekkingen en onderzoek zullen wereldwijd doodbloeden… En dan heeft de farmacie zijn zin.”
Wat nu?
Er wordt aan gewerkt om belangrijke, nog ontbrekende stoffen alsnog op de positieve lijst te krijgen. Daarvoor is de NPN bezig dossiers aan te leggen. Nieuwenhuis: ”Inmiddels zijn er enkele hoogleraren in Wageningen die hebben gezegd dat er stoffen op de lijst van toegelaten middelen staan die volgens hen toxisch zijn – dat zijn die anorganische stoffen van de farmacie. De integriteit van die lijst wordt hiermee ter discussie gesteld, want afgezien dat hij niet volledig is, bevat hij zelfs stoffen die wel degelijk schadelijk zijn, maar die gemakkelijk zijn toegelaten omdat ze door de farmacie zijn aangeleverd. Een van die stoffen is het hoofdbestanddeel gebleken in een product om de gootsteen te ontstoppen…! Hiermee wordt duidelijk wat voor machtsmisbruik hier achter zit. Het laatste woord is dus nog niet gesproken.”
Hij vervolgt: ”De vraag is: wat kunnen we doen? Er moet eerst eens worden onderzocht in hoeverre een uitweg mogelijk is via een beroep op wat de nadelige werking van deze richtlijn is op de volksgezondheid in Nederland. Of dat überhaupt een mogelijke ingang is, is mij nog niet bekend, dat zou moeten worden uitgezocht. En verder denk ik dat moet worden getracht, vooral ook in Nederland, om mensen in de politiek te mobiliseren tot het inzicht dat dit een erg slechte regeling is. Maar dat is moeilijk, vooral omdat de industrie de commerciële kant heeft gekozen, in plaats van het belang van de volksgezondheid. Dat is een korte termijn denken, want op de lange termijn heb je er veel meer belang bij dat de bevolking steeds meer gebruik gaat maken van dit soort middelen.”
Hypnose
Recapitulerend benadrukt hij: ”Therapeutisch Nederland heeft zich en bloc tegen de regeling uitgesproken. En met recht, want als je voedingstoffen gaat beoordelen op veiligheid, ben je bezig farmaceutische maatstaven los te laten op stoffen die wèl door het lichaam kunnen worden herkend en in de biochemische voorprogrammering ingepast. Orthomoleculaire geneeskunde maakt gebruik van optimale doseringen, geen overdadige doseringen – we zijn immers uit op herstel van de balans. De hypnotische verdraaiing in de redenering waardoor de industrie en de politici kritiekloos meegaan in de maalstroom van de Europese regelgeving, is dat de hoogte van de stof wordt verward met de aard van de stof. Voedingstoffen zijn niet giftig, daarom zijn het voedingstoffen. Daar waar een voedingstof in een bepaalde dosering niet meer veilig blijkt, ben ik er helemaal voor een maximering in te voeren.”
Relevante websites
Op http://www.soe.nl staat onder meer het verweerschrift gepubliceerd zoals Nieuwenhuis dat verzond naar alle Europarlementariërs die iets met de beslissingen rond de regelgeving voeding te maken hebben.
Naast de Europese regelgeving is er internationaal een hierop gelijkende ontwikkeling aan de gang: de aan de Verenigde Naties gerelateerde Codex Alimentarius. Deze kan op de lange duur van groter belang blijken, omdat het niet is uitgesloten dat via mechanismen in de Wereld Handel Organisatie de wet op de vitaminen van een land kunnen worden veranderd.
Zie ook:
Health Sciences Institute op http://www.hsibaltimore.com,
Health Confidential op http://www.healthchoice.org.uk.
