NED TIJDSCHR GENEESKD. 2012;156:A5860 1 ONDERZOEK Onderzoek Verliefde dokters Peter W. de Leeuw Dokters houden veel van hun werk maar soms nog meer van iemand die ze op dat werk hebben ontmoet. Het kan natuurlijk gebeuren dat er iets moois opbloeit tussen een arts en een patiënt maar in dat geval moet de behandelrelatie onverwijld beëindigd worden. Of deze gedragscode altijd gevolgd wordt, is niet helemaal duidelijk maar dit vormt in ieder geval geen onderwerp van dit artikel. Wat waarschijnlijk veel vaker voorkomt, is dat er tussen artsen onderling of bijvoorbeeld tussen een arts en een verpleegkundige amoureuze gevoelens opwellen. Kennelijk spreekt dit onderwerp nogal tot de verbeelding want het is een geliefd thema in doktersromans, films, televisieseries en tegenwoordig ook zelfs in computerspelletjes. Toch is er onder artsen maar weinig onderzoek gedaan naar de intercollegiale liefde. Van een zoektocht op Google word je niet veel wijzer en ook op PubMed is geen zinvolle informatie te vinden. Niettemin weten velen van ons, en niet zelden uit eigen ervaring, hoe een liefdesrelatie studenten, assistenten, specialisten en zelfs hoogleraren in de ban kan houden. Zijn wij als beroepsgroep nu zoveel anders dan anderen? Waarschijnlijk niet; bronnen op internet suggereren immers dat liefde op het werk zeer frequent voorkomt en waarom zou dat bij artsen dan niet zo zijn? Elders in dit tijdschrift bespreken Christel van Dongen en Yolanda van der Graaf hun onderzoek naar geluksbeleving onder artsen.1 Door een toevallige samenloop van omstandigheden is de enquête die zij uitgestuurd hadden op het punt ‘geluk’ alleen ingevuld door artsen en studenten die aangaven wel eens verliefd te zijn geweest op een collega. We weten dus niet hoe gelukkig diegenen zijn die (nog) Doel Onderzoeken hoe vaak dokters verliefd zijn op of een relatie hebben met een collega. Opzet Descriptief vragenlijstonderzoek. Methode Voor dit onderzoek vulden artsen en medisch studenten in de zomer van 2012 een online-vragenlijst in. Zij kregen vragen voorgelegd waarin naar algemene kenmerken en naar geluk werd gevraagd. Daarnaast vroegen wij of zij verliefd zijn of waren of een collega en of dat een vaste relatie betrof. Resultaten 401 ar tsen, assistenten en medisch studenten deden mee aan het onderzoek. 41% van de respondenten was man en 59% vrouw. De gemiddelde leef tijd bedroeg 40 jaar. In totaal meldde 40% van de onder vraagden verliefd te zijn of te zijn geweest op een collega. Bij vrouwen kwam dit vaker voor dan bij mannen. In 82% was de relatie gelijkwaardig, bij de overigen hiërarchisch. Slechts bij 23% van alle verliefden was er sprake van een vaste relatie. Dit was onaf hankelijk van de leef tijd. Uitgesplitst naar specialisme, bleken dermatologen het minst en obstetrici het meest gevoelig voor amoureuze prikkels. Conclusie Hoewel verliefdheden tussen collegae betrekkelijk vaak voorkomen, is slechts ongeveer een kwar t daar van geassocieerd met een vaste relatie. Specialismen onderling verschillen nogal in de mate waarin zij verliefd zijn op collegae. Academisch Ziekenhuis Maastricht, afd. Interne Geneeskunde. Prof.dr. P.W. de Leeuw (p.deleeuw@maastrichtuniversity.nl). 2 NED TIJDSCHR GENEESKD. 2012;156:A5860 ONDERZOEK NED TIJDSCHR GENEESKD. 2012;156:A5860 niet verliefd zijn geweest op iemand op hun werk, maar het wel hebben meegemaakt van een dergelijke ervaring lijkt mogelijk wel een gelukkig mens van je te maken. In dezelfde enquête is ook gevraagd naar deze relaties op het werk en de bestendigheid daarvan. Dat levert interessante gegevens op zoals hieronder wordt besproken. Resultaten Van de 401 respondenten (gemiddelde leeftijd 40 jaar) gaven er 163 (ruim 40%) aan verliefd te zijn of te zijn geweest op een collega. De vrouwen waren daarbij in een kleine maar wel statistisch significante meerderheid (58 vs. 42%; p < 0,05). De tortelduiven hadden in verreweg de meeste gevallen (82%) een gelijkwaardige relatie; bij de overige stellen was er sprake van een hiërarchische verhouding. Dit was overigens niet verschillend voor de beide geslachten. Het is wel pikant dat er maar in 23% van de verliefdheden een vaste relatie is ontstaan. Ook in dit aspect verschilden de dames niet significant van de heren. Wie nu zou denken dat de liefde preferentieel de jongeren onder ons bevoordeelt, komt bedrogen uit. Er is namelijk geen enkele leeftijdsafhankelijkheid. Zo blijken de 50-plussers even vaak hun oogje op de ander te laten vallen als de nog-niet-30-ers. Daarbij valt op dat ook bij de ouderen het aantal verliefdheden een factor 3 groter is dan het aantal vaste relaties dat daaruit zou kunnen ontstaan. Leeftijd speelt evenmin een rol in de werkverhouding tussen de geliefden. Tot slot is nog gekeken naar het percentage intercollegiale verliefdheden onder studenten, huisartsen en specialisten. Er blijkt geen verschil te zijn tussen deze groepen met een gemiddelde van 40% in elke groep. De specialisten verschillen onderling wel van elkaar wat betreft hun vatbaarheid voor de liefde. Internisten en chirurgen lijken nog wel op elkaar met respectievelijk 39% en 42% verliefden maar met 62% spannen de obstetrici toch wel de kroon. Dit steekt wat schril af tegen een percentage van 25% onder de dermatologen. Hierbij moet wel bedacht worden dat bij het uitsplitsen naar specialisme de absolute aantallen betrekkelijk klein zijn. Beschouwing Het liefdesleven van artsen is tot nog toe een weinig belicht onderwerp geweest. Weliswaar suggereren films en sommige boeken dat de dokter een over het algemeen licht ontvlambaar type is maar of dat werkelijk zo is, is nog maar de vraag. En als de vonk eenmaal overspringt, is de gelukkige dan een collega of iemand uit een heel andere hoek? Uit onze inventarisatie blijkt dat ongeveer 40% van de artsen ooit verliefd is geworden op een collega. Dat lijkt een hoog percentage maar of dit meer of minder is dan in andere beroepen is onbekend. Een vergelijkend onderzoek met bijvoorbeeld piloten of politieagenten is dan ook dringend gewenst. Een opvallende bevinding die uit onze enquête naar voren komt is wel dat vrouwen wat vaker een liefdespartner in de collegiale sfeer hebben dan mannen. Over de oorzaak hiervan kunnen wij slechts gissen. Het zou kunnen zijn dat vrouwen minder geneigd zijn om buiten de deur op zoek te gaan naar een partner maar het zou evengoed kunnen zijn dat mannen zich op hun werk wat zekerder voelen als hun deerne zich op wat meer afstand bevindt. Dat roept onmiddellijk de vraag op of de gemelde liefdes wel ‘geoorloofd’ waren. Wij vonden namelijk dat er maar in 23% van de werkliefdes een vaste relatie was ontstaan. Bij ruim driekwart van de op het werk scharrelende dokters loopt de verhouding dus kennelijk stuk of is de relatie van dien aard dat een vast verband op voorhand al niet wordt nagestreefd. Niet uit te sluiten valt dat een deel hiervan een buitenechtelijke relatie of daarmee gelijk te stellen variant betreft. Het is overigens interessant dat het aantal liefdes op het werk dat uitmondt in een vaste relatie niet afhankelijk is van de leeftijd. Je zou immers verwachten dat door een langdurige expositie het aantal vaste relaties dat voortgekomen is uit de verliefdheid hoger zou zijn bij degenen die dichter bij het senium staan. Nu dit niet zo blijkt te zijn, dringt zich eens te meer de vraag op in hoeverre dit soort verliefdheden niet een extramatrimonieel karakter hebben. Duidelijk is dat ook hier nader onderzoek geïndiceerd is. Geheel onverwacht is onze bevinding dat er zulke uiteenlopende verschillen in vatbaarheid voor de liefde bestaan tussen de diverse specialismen. Het alom heersende vooroordeel dat chirurgen zich nogal makkelijk aan Amor overgeven in tegenstelling tot bijvoorbeeld internisten wordt door de uitkomsten van onze inventarisatie gelogenstraft. De huid, bij uitstek een orgaan dat subtiele signalen van een ontluikende liefde kan registreren, lijkt in de wereld van de dermatologie nogal belemmerend te werken want het percentage amoureuze verbintenissen onder de huidartsen ligt ver onder het gemiddelde. Dit in tegenstelling tot de obstetrici die ruim boven het gemiddelde uitkomen. Deze enorme discrepantie laat zich niet makkelijk verklaren. Wellicht speelt de factor ‘dienst’ hier een rol. Dermatologen hoeven zich maar zelden bij nacht en ontij naar het ziekenhuis te spoeden en blootstelling aan potentiële partners gedurende de nachtelijke uren komt bij hen dan ook weinig voor. Internisten en chirurgen zijn wel regelmatig na zonsondergang in het ziekenhuis te vinden maar zij hebben toch de neiging om na gedane zaken de afdeling achter zich te laten. Bij de obstetrici zou dit wel eens anders kunnen liggen. Zij moeten relatief wat meer tijd NED TIJDSCHR GENEESKD. 2012;156:A5860 NED TIJDSCHR GENEESKD. 2012;156:A5860 3 ONDERZOEK doorbrengen met wachten als de partus wat traag verloopt en een geboorte met de daarbij horende geluksmomenten maakt iemand misschien wel wat toegankelijker voor de invloed van Venus. Alweer een punt voor de researchagenda. Hoe komt het toch dat zoveel artsen een voorkeur hebben voor een collega als partner in de liefde? Om hier een antwoord op te kunnen geven moeten we misschien dezelfde trias hanteren die bij het oplossen van een moordvraagstuk een centrale plaats inneemt: motief, gelegenheid en middel. Motief Waarom zou een dokter verliefd willen worden op iemand uit zijn of haar directe werkomgeving? Gemakzucht omdat het zo’n gedoe is om een geschikte partner te vinden in de buitenwereld? Tijdgebrek omdat je na een dag van zwaar werk of na een drukke dienst geen puf meer hebt om nog eens op de sociale toer te gaan? Of toch omdat je met iemand uit hetzelfde kamp zo goed kunt communiceren. Bovendien kun je op meer begrip rekenen als je bijvoorbeeld onverwachts een dienst moet overnemen. Gelegenheid In zijn algemeenheid geldt dat het werk wel uitstekende gelegenheden biedt om potentiële partners te ontmoeten en om daar de eerste contacten te leggen, hetzij tijdens de uitoefening van het vak, hetzij tijdens sociale activiteiten. Gelegenheid maakt de dief, zo luidt het gezegde, en als er één plek is waar Cupido hier voor 100% gebruik van maakt, is het wel het ziekenhuis. Van polikliniek tot operatiekamer, van souterrain tot overdrachtsruimte, overal doet zich wel een gelegenheid voor om al dan niet buiten werktijd verliefde gevoelens te laten ontstaan dan wel tot expressie te brengen. Het valt ook helemaal niet zo snel op als je voor ‘overleg’ met een collega een rustige plek opzoekt. Middel Het doel heiligt de middelen en dus wordt er vaak geen middel ongemoeid gelaten om de ander te veroveren. Daarin verschillen artsen niet van anderen. In dit kader valt aan allerlei mechanismen te denken waarvan een gedetailleerde bespreking hier te ver voert. Beperkingen Het huidige onderzoek kent vele beperkingen. De steekproef is betrekkelijk klein, de antwoorden die gegeven zijn door de respondenten zijn wellicht gekleurd door sociale wenselijkheid en er zal ongetwijfeld ook sprake zijn van een forse inclusiebias. De onderhavige analyse moet dan ook alleen gezien worden als een eerste stap om het fenomeen van de verliefde dokter in kaart te brengen. Tot slot In de kunst worden verliefdheid en ziekte nogal eens met elkaar verbonden. Liefde is een ziekte; het jaagt de bloeddruk en de hartfrequentie tot ver boven het rustniveau op en het is aannemelijk dat hier een excessieve stimulatie van het autonome zenuwstelsel aan ten grondslag ligt. Er dringt zich dan ook een vergelijking op met hypertensie waar ditzelfde fenomeen gezien wordt, zeker bij jongeren. In beide gevallen is ook het hart een doelorgaan, welke kant het met de liefde ook uitgaat. Gene Pitney bezong dat reeds, precies een halve eeuw geleden: ‘only love can break a heart, only love can mend it again’. Belangenconflict: de auteur is hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en getrouwd met een collega. Aanvaard op 27 november 2012 Citeer als: Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5860 ●> Meer op http://www.ntvg.nl/onderzoek 1 Van Dongen C, De Graaf Y. De gelukkige dokter. Ned Tijdschr Geneekd. 2012;156:A5847 Literatuur
Categorieën

